-A +A

Vermoeden van gebrek bij levering (gebrek vastgesteld binnen de 2 jaar na levering) is ook van toepassing op dieren.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 17/03/2016
A.R.: 
C.15.0234.N

Het vermoeden van gebrek aan overeenstemming is in beginsel, bij een verkoop van dieren, niet onverenigbaar met de aard van het verkochte goed.

Krachtens artikel 1649quater, § 1, Burgerlijk Wetboek is de verkoper jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar vanaf de levering.

Artikel 1649quater, § 4, bepaalt dat wanneer zich een gebrek aan overeenstem-ming binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed mani-festeert, tot bewijs van het tegendeel het vermoeden geldt dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming, door onder andere rekening te houden met het feit of het goed nieuw dan wel tweedehands is.
Het vermoeden van gebrek aan overeenstemming is in beginsel, bij een verkoop van dieren, niet onverenigbaar met de aard van het verkochte goed.

Door te weigeren toepassing te maken van het in artikel 1649quater, § 4, Burgerlijk Wetboek neergelegde vermoeden om de enkele reden dat de verkoop een dier tot voorwerp heeft, schendt de vrederechter deze bepaling.

Publicatie
tijdschrift: 
DCCR
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016
Pagina: 
66
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L. M.,
eiser,
tegen
P. B.,
verweerster.

 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de vrederechter te Tielt van 25 maart 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 1649quater, § 1, Burgerlijk Wetboek is de verkoper jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar vanaf de levering.

Artikel 1649quater, § 4, bepaalt dat wanneer zich een gebrek aan overeenstemming binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed manifesteert, tot bewijs van het tegendeel het vermoeden geldt dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming, door onder andere rekening te houden met het feit of het goed nieuw dan wel tweedehands is.

Het vermoeden van gebrek aan overeenstemming is in beginsel, bij een verkoop van dieren, niet onverenigbaar met de aard van het verkochte goed.

2. Door te weigeren toepassing te maken van het in artikel 1649quater, § 4, Burgerlijk Wetboek neergelegde vermoeden om de enkele reden dat de verkoop een dier tot voorwerp heeft, schendt de vrederechter deze bepaling.

Het middel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

3. Door te oordelen dat het weglaten van artikel 2 van het garantiecertificaat niet relevant is aangezien dit betrekking heeft op aangeboren afwijkingen en de door de eiser vermelde gebreken geen dergelijke afwijking betreffen, verwerpt en beantwoordt de vrederechter het in het middel bedoelde verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre het de vordering tot betaling van een morele schadevergoeding wegens onrechtmatige daad afwijst als onge-grond.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de vrederechter te Gent eerste kanton.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openbare rechtszitting van 17 maart 2016 uitgesproken

C.15.0234.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:
Situering en procedurevoorgaanden

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiser op 6 november 2013 bij verweerster een jonge hond van het ras Maltezer heeft aangekocht voor de som van 400 euro. Een dag na de aankoop zou eiser bij de hond diverse gezondheidsproblemen hebben vastgesteld, namelijk een liesbreuk, jeuk en vuil in de oren, een huidprobleem en een oorontsteking aan beide kanten. Een week na de aankoop zou volgens eiser de hond te kampen hebben gehad met diarree en hoesten.

2. Op 13 januari 2014 dagvaardde eiser verweerster voor de vrederechter van het kanton Tielt teneinde haar te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1 euro wegens misleidende handelspraktijken, een prijsvermindering van 300 euro, terugbetaling van de kosten van de dierenarts ten belope van 457,86 euro en een morele schadevergoeding van 250 euro.

3. Bij verstekvonnis van 5 februari 2014 verklaarde de vrederechter van het kanton Tielt de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond.

4. Op 6 maart 2014 stelde verweerster bij de vrederechter van het kanton Tielt verzet in tegen dit verstekvonnis van 5 februari 2014.

Bij tussenvonnis van 22 oktober 2014 heropende de vrederechter van het kanton Tielt het debat met betrekking tot het ontbreken van artikel 2 van het garantiecertificaat dat verweerster aan eiser heeft bezorgd.

De vrederechter van het kanton Tielt verklaarde het verzet van verweerster bij het bestreden vonnis van 25 maart 2015 ontvankelijk en gegrond. Hij deed het verstekvonnis van 5 februari 2014 teniet, verklaarde de oorspronkelijke vordering van eiser ongegrond en verwees eiser in de kosten.

5. Het cassatieberoep van eiser tegen dit vonnis maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Het eerste cassatiemiddel

6. In het eerste cassatiemiddel komt eiser op tegen de beslissing van de vrederechter dat eiser niet voldoende bewijst dat de gebreken bij de hond reeds aanwezig waren op het ogenblik van de verkoop en dat nopens het vermoeden van artikel 1649quater van het Burgerlijk Wetboek aangaande het bewijs van het gebrek, dit artikel er expliciet op wijst dat bij die beoordeling rekening dient te worden gehouden met de aard van het goed.

7. Eiser voert aan dat het vermoeden vervat in artikel 1649quater, §1, van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing is op de verkoop van een jong dier. Volgens eiser heeft de vrederechter door te beslissen dat voormeld vermoeden gelet op de aard van het goed geen toepassing kan vinden, dan ook de artikelen 1604, 1649bis, 1649ter en 1649quater van het Burgerlijk Wetboek geschonden. Minstens is er volgens eiser een motiveringsgebrek aanwezig omdat de vrederechter niet aangeeft waarom hij in casu van mening is dat de aard van het goed onverenigbaar zou zijn met het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van de levering.

Bespreking van het eerste cassatiemiddel

8. Artikel 1649quater, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verkoper jegens de consument aansprakelijk is voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering.

Artikel 1649quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed een gebrek aan overeenstemming manifesteert, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van de levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming, door onder andere rekening te houden met het feit of het goed nieuw dan wel tweedehands is.

Artikel 1649quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek vormt naar Belgisch recht de omzetting van artikel 5, lid 3 van de Richtlijn van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen(1).

9. Met de invoering van die bepaling in het Burgerlijk Wetboek wordt de bewijslast van de consument, die in principe zelf moet bewijzen dat het gebrek aan overeenstemming reeds bestond, minstens reeds in de kiem aanwezig was, op het ogenblik van de levering van het goed, aanzienlijk verlicht.

10. Voor de toepassing van die bepaling is vereist dat het gaat om een consumptiegoed. Artikel 1649bis van het Burgerlijk Wetboek omschrijft consumptiegoederen als alle roerende lichamelijke zaken, behalve (1) goederen die in uitvoering van een beslag of anderszins gerechtelijk zijn verkocht, (2) water en gas die niet marktklaar zijn gemaakt in een bepaald volume of in een bepaalde hoeveelheid en (3) elektriciteit. In de voorbereidende werken van de Wet Consumentenkoop vindt men een aantal voorbeelden van dergelijke consumptiegoederen terug, waaronder het voorbeeld van een hond(2).

11. Het vermoeden van artikel 1649quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek zou aldus in principe ook moeten gelden bij de verkoop van een hond, ‘tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming'. De Europese wetgever heeft bij het opstellen van de Richtlijn niet nader gepreciseerd hoe die uitzondering op dat vermoeden concreet moet worden geïnterpreteerd. Alleen in het advies van het Economisch en Sociaal Comité leest men daarover dat het geen zin heeft om het vermoeden toe te passen in gevallen waar de gebrekkige toestand van een goed zich bij een normaal gebruik manifesteert of anderszins geen overeenstemming vertoont met de aard van het goed(3).

12. De Belgische wetgever beperkt zich ertoe te stellen dat die laatste precisering het mogelijk maakt om een soepele toepassing van dit vermoeden in functie van de soort van het betrokken goed te verzekeren(4).

13. Volgens een meerderheid in de doctrine zal het vermoeden onverenigbaar zijn met de aard van het goed indien men bijvoorbeeld te maken heeft met bederfbare goederen, zoals bederfbare voedingswaren, waar het zich manifesteren van het gebrek samenhangt met het verstrijken van de tijd. Het vermoeden zal onverenigbaar zijn met de aard van het gebrek indien het gaat om gebreken die niet aanwezig kunnen zijn geweest op het ogenblik van de levering wanneer men rekening houdt met alle omstandigheden van de zaak(5). Het betreft bijvoorbeeld de situatie waarin een gebrek duidelijk voortvloeit uit een verkeerd gebruik van het goed door de consument, zonder dat dit verkeerde gebruik te wijten is aan een doen of nalaten van de verkoper of de producent(6).

14. Die interpretatie van artikel 1649quater, §4, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, vindt men ook terug in Nederland. Artikel 5, lid 3, van voormelde richtlijn werd immers niet alleen omgezet naar Belgisch recht, maar o.a. ook naar Nederlands recht (art. 7.18, lid 2 NBW), Frans recht (art. L.211-7 van de Code de la consommation) en Duits recht (§ 476 BGB). Anders dan de Belgische wetgever, heeft de Nederlandse wetgever wel meer toelichting gegeven bij de interpretatie van artikel 7.18, lid 2 NBW in die zin dat hij stelt: "bij de aard van de zaak denke men bijvoorbeeld aan bederfelijke levenswaren indien ingevolge artikel 23 lid 1 het gebrek aan overeenstemming na de op de verpakking uiterste datum van houdbaarheid wordt gemeld; bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelswijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder)"(7).

15. Op grond van voormelde interpretatie van artikel 1649quater, §4, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, kan men niet stellen dat bij dieren de aard van het goed zich steeds verzet tegen de toepassing van dat vermoeden, maar zal men geval per geval moeten beoordelen of de aard van het dier zich daartegen verzet. Zo zal de aard van bepaalde planten waarvan de levensduur beperkt is zich mogelijk tegen de toepassing daarvan verzetten(8).

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor bepaalde gevoelige aquariumvissen die slechts in leven blijven bij een zeer nauwgezette verzorging(9). Indien de aard van het dier of de aard van de plant zich niet tegen de toepassing van het bewijsvermoeden verzet, dient de verkoper te bewijzen dat de zaak bij de levering wel aan de overeenkomst beantwoordde.

In Nederland werd tijdens de voorbereidende werken van artikel 7.18, lid 2 NBW aan de minister uitdrukkelijk de vraag gesteld of het niet voor de hand lag om in de wet zelf uitdrukkelijk deze categorie van consumptiegoederen uit te zonderen op grond van de aard van de zaak. De minister heeft daarop geantwoord dat men niet in het algemeen bij dieren en planten kan stellen dat de aard zich tegen de toepassing van het bewijsvermoeden verzet, maar dat men geval per geval zal moeten beoordelen of de aard daarvan zich al dan niet tegen de toepassing van dat bewijsvermoeden verzet, zoals dat ook voor andere consumptiegoederen het geval is.

De richtlijn bevat op dit punt een open formulering omdat zo'n algemene uitzondering zich moeilijk in abstracto laat formuleren. Een specificering in de nationale uitvoeringswet zal dan al snel in strijd met de richtlijn zijn(10).

16. In de lijn van voormelde interpretatie van artikel 1649, §4, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, heeft het Duitse Bundesgerichtshof met betrekking tot de verkoop van een paard, waarvan binnen zes maanden na de risico-overgang werd vastgesteld dat het getroffen was door een allergische aandoening, namelijk zomereczeem, geoordeeld dat het vermoeden van §476 BGB hier van toepassing was en dat de toepassing van dat vermoeden niet onverenigbaar was met de aard van de zaak of met de aard van het gebrek(11).

Het Bundesgerichtshof oordeelde dat hoewel de lichamelijke- en gezondheidstoestand van dieren als levende wezens aan voortdurende verandering is onderworpen, dit gegeven niet van aard is om bij de verkoop van dieren de toepassing van dat vermoeden steeds uit te sluiten.

Een professionele verkoper is immers nog steeds veel beter geplaatst dan een consument om de lichamelijke- en gezondheidstoestand van het dier te beoordelen. Het Bundesgerichtshof laat de vraag of dat vermoeden geldt voor alle soorten dieren open. Het is dus mogelijk dat het vermoeden onverenigbaar is met een welbepaalde diersoort. Bij de verkoop van een paard is dat vermoeden volgens het Bundesgerichtshof alleszins niet onverenigbaar met de aard van het dier.

17. Ook het Franse Hof van Cassatie heeft zich in die zin uitgesproken. In casu had een vrouw twee jonge katten aangekocht bij een fokker voor de prijs van 2.400 euro. Het ene dier bleek getroffen te zijn door een buikvliesontsteking die besmettelijk was voor andere katten en die ertoe geleid heeft dat het dier slechts enkele weken na de aankoop geëuthanaseerd moest worden. Het andere dier bleek een misvorming te hebben, waarvoor het een biopsie moest ondergaan, maar het heeft die biopsie niet overleefd. De appelrechters stelden vast dat de gebreken zich hebben gemanifesteerd binnen een termijn van zes maanden na de levering.

Het Franse Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de appelrechters op grond van die vaststelling vermochten te oordelen dat de gebreken, conform artikel L.211.-7 van de Code de la consommation, vermoed worden reeds te hebben bestaan op het ogenblik van de levering(12).

18. In België werd dat vermoeden door de lagere rechtspraak eveneens toegepast bij de verkoop van dieren met gebreken, bijvoorbeeld bij de verkoop van een jonge hond met epilepsie(13), met een waterhoofd(14), met maag- en darmparasieten(15) of met kennelhoest(16), alsook bij de verkoop van een paard met een gewrichtsaandoening(17) of met een intrinsiek karakterieel probleem(18), en bij de verkoop van een kat met een infectie op de diepe luchtwegen(19).

19. Uit het voorgaande volgt dat het vermoeden van artikel 1649quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek in principe ook van toepassing is op dieren die een gebrek vertonen, tenzij dat vermoeden onverenigbaar is met de aard van het dier of met de aard van het gebrek aan overeenstemming.

20. De appelrechters stellen vast dat eiser op 6 november 2013 bij verweerster een jonge hond heeft aangekocht voor de som van 400 euro; dat een dag na de aankoop eiser bij de hond al volgende gebreken zou hebben vastgesteld: een liesbreuk, jeuk en vuil in de oren, een huidprobleem en een oorontsteking aan beide kanten; en dat het dier een week later diarree zou hebben en hoesten.

21. Door om de enkele reden dat de verkoop een jong dier tot voorwerp heeft te oordelen dat het vermoeden van artikel 1649quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing kan vinden gelet op de aard van het goed, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar mijn mening niet naar recht.

22. Het middel lijkt mij gegrond te zijn.
(...)

Conclusie

28. Vernietiging, behoudens in zoverre het bestreden vonnis de vordering tot betaling van een morele schadevergoeding wegens onrechtmatige daad heeft afgewezen als ongegrond.
__________________
(1) Art. 5, lid 3 Richtl. Parl. en Raad nr. 1999/44 van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, PB.L. 7 juli 1999, afl. 171, 12: "Manifesteert zich een gebrek aan overeenstemming binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van de goederen, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van aflevering tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van de goederen of met de aard van het gebrek aan overeenstemming."
(2) Verslag VAN DER AUWERA bij het wetsontwerp houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen, Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 982/4, 5.
(3) Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de verkoop van en de waarborgen voor consumptiegoederen", PB.C. 3 maart 1997, afl. 66, (5) 8.
(4) Mvt bij het wetsontwerp houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen, Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 982/1, 17.
(5) I. DEMUYNCK, "De nieuwe garantieregeling voor consumptiegoederen" in X, Liber amicorum Yvette Merchiers, Brugge, Die Keure, 2001, 886; S. STIJNS, "De nieuwe regels voor de verkoop aan de consument: de ‘wettelijke garantie' bij niet-conformiteit", Themis Bijzondere Overeenkomsten, Brugge, die Keure, 2002, (9) 16, nr. 21, vn. 24; S. STIJNS en I. SAMOY, "Le nouveau droit de la vente: la transposition en droit belge de la Directive européenne sur la vente des biens de consommation", TBBR 2003, afl.1, 10, nr. 31; C. CAUFFMAN en A. VERBEKE, "Een jaar Wet Consumentenkoop", Themis Bijzondere Overeenkomsten, Brugge, die Keure, 2005, 37; C. CAUFFMAN, "De nieuwe wet op de consumentenkoop", TPR 2005, 819-820; Y. VAN COUTER, E. KAIRIS, B. VANBRABANT, S. DE BOECK, S. KINART en H. DHONDT, "De consumentenkoop. De wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen", CABG 2005, afl. 3, 33; A. VAN OEVELEN, "Het nieuwe begrip conformiteit" in S. STIJNS en J. STUYCK, Het nieuwe kooprecht. De wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van consumenten bij verkoop van consumptiegoederen, Antwerpen, Intersentia, 2005, (29) 47; B. TILLEMAN, Overeenkomsten, Deel 2, Bijzondere Overeenkomsten, A. Verkoop, Deel 2, Gevolgen van de koop, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, X, Mechelen, Kluwer, 2012, 598; R. STEENNOT, "Artikel 1649quater BW" in Comm.Bijz.Ov. 2015, afl. 101, 5: M. TENREIRO en S. GOMEZ, "La directive 1999/44/CE sur certains aspects de la vente et des garanties des biens de consommation", REDC 2000, (5) 19; S. PELET, "L'impact de la directive 99/44/CE relative à certains aspects de la vente et des garanties des biens de consommation sur le droit français", REDC 2000, (41) 48-49: onverenigbaar met de aard van het goed is bijvoorbeeld een consumptiegoed dat uit zijn aard meer vatbaar is voor een snelle en natuurlijke beschadiging.
(6) C. CAUFFMAN, "De nieuwe wet op de consumentenkoop", TPR 2005, 819-820; C. CAUFFMAN en A. VERBEKE, "Een jaar Wet Consumentenkoop", Themis Bijzondere Overeenkomsten, Brugge, die Keure, 2005, 37; R. STEENNOT, "Artikel 1649quater BW" in Comm.Bijz.Ov. 2015, afl. 101, 5.
(7) Mvt bij het wetsvoorstel tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (NL), Kamerstukken II 2000-01, 27 809, nr. 3, p. 20.
(8) Nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (NL), Kamerstukken I 2002-03, 27 809, nr. 32a, p. 2.
(9) Nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (NL), Kamerstukken I 2002-03, 27 809, nr. 32a, p. 2-3.
(10) Nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (NL), Kamerstukken I 2002-03, 27 809, nr. 32a, p. 3.
(11) Bundesgerichtshof (DE) 29 maart 2006, nr. VIII ZR 173/05, http://juris.bundesgerichtshof.de. In diezelfde zin Bundesgerichtshof (DE) 11 juli 2007, nr. VIII ZR 110/06, http://juris.bundesgerichtshof.de.
(12) Cass. fr. 12 juli 2012, nr. 11-22681, www.legifrance.gouv.fr.
(13) Kh. Turnhout 6 juni 2011, RABG 2013, 660, bevestigd door Antwerpen 29 april 2013, RW 2014-15, 1067.
(14) Kh. Turnhout 5 juni 2014, NjW 2014, 950.
(15) Vred. Antwerpen 11 december 2014, NjW 2015, 649.
(16) Vred. Antwerpen 21 mei 2012, NjW 2013, 122.
(17) Rb. Dinant 16 oktober 2013, JLMB 2014, afl. 5, 237.
(18) Gent 2 mei 2012, DCCR 2012, afl. 97, 100.
(19) Vred. Geel 18 maart 2014, Juristenkrant 2014, afl. 287, 4.
 

Noot: 

• Consumentenrecht [DCCR] VANDEMAELE, Sanne; Noot 'Specifieke garantieregeling voor dieren en de gevolgen van het afleveren van een onvolledig garantiecertificaat bij B2C-verkoop van honden en katten' 2016, nr. 112, p. 66-80.
• De Juristenkrant GODFROID, Anthony; Noot 'Consumentenrecht geldt integraal bij professionele verkoop van honden en katten' 2016, nr. 328, p. 5.


Rechtspraak:

Grondwettelijk Hof, 13 februari 2014, RW 2014-2015, 180

Arrest nr. 28/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 11 maart 2013 heeft de Vrederechter van het kanton Thuin de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Zijn art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het koninklijk uitvoeringsbesluit ervan van (24) december (1987) in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW,

– doordat, inzake de verkoop van een huisdier van de paardensoort dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor elk ander gebruik zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen het instellen van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enkele gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden te beperken tot twee ziekten en door, op straffe van absoluut verval, een termijn van negen dagen op te leggen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen,

– terwijl inzake de verkoop van een huisdier van een andere soort dan die welke worden beoogd in de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper wordt onderworpen aan de voorwaarden van de regeling van het gemene recht van art. 1641 BW, zowel voor wat betreft de definitie van de toelaatbare koopvernietigende gebreken als wat betreft de termijn om die vordering in te stellen?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, bepaalt:

“Art. 1. Bij de verkopingen of ruilingen van paarden, ezels, muilezels en andere huisdieren die tot het schapen-, runder- of varkensras behoren, worden de ziekten of gebreken die door de regering vastgesteld worden, met de beperkingen en de voorwaarden die zij aangewezen acht, voor koopvernietigende gebreken gehouden en zullen zij alleen aanleiding geven tot de vordering voorzien bij artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek.

“Art. 2. De regering zal eveneens de termijn bepalen binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld op straf van verval.

“Deze termijn mag de dertig dagen niet overschrijden, de dag vastgesteld voor de levering niet inbegrepen.

“De termijn om voor de rechtsmacht te verschijnen voor dewelke de vordering in eerste aanleg ingeleid wordt, zal ten minste één dag zijn indien de partij haar woonplaats heeft binnen de vijf myriameter vanaf de plaats van verschijning. Indien haar woonplaats verder ligt, wordt deze termijn met één dag per vijf myriameter verlengd.

“Art. 3. Indien de levering van het dier buiten de woonplaats van de verkoper is geschied, zal de termijn om de vordering in te stellen verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de verkoper en deze van de koper.

“Indien de koper het dier heeft voortverkocht en zelf gedagvaard wordt tot ontbinding van de verkoop, kan hij zijn eigen verkoper in vrijwaring oproepen, zo ten minste de termijn gedurende dewelke hij bij hoofdvordering had kunnen optreden nog niet verstreken is.

“Deze termijn om in vrijwaring op te roepen zal, in dit geval, en ongeacht de plaats waar het dier zich bevindt, verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de oorspronkelijke koper en deze van de oorspronkelijke verkoper.

“Art. 4. Binnen de termijn die overeenkomstig artikel 2 zal bepaald worden om de vordering in te leiden, zal de koper, op straf van verval, ertoe gehouden zijn de aanstelling uit te lokken van deskundigen met tot opdracht het bestaan van het koopvernietigend gebrek te doen vaststellen en daarvan proces-verbaal op te maken.

“Dit verzoek zal hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij in de vorm van een telegram, gedaan worden aan de vrederechter van de plaats waar het dier zich bevindt; in elk geval zal het, op straf van nietigheid, het gebrek aanduiden waardoor het dier zogezegd aangetast is.

“De vrederechter zal er de datum van vaststellen in zijn beschikking; hij zal het gebrek, waarop de eis gesteund is, vermelden en onmiddellijk, naargelang van de eis van het geval, een of drie deskundigen aanstellen die hun taak binnen de kortste tijd zullen moeten aanvangen, na de eed voor deze magistraat te hebben afgelegd en zonder verdere procedureformaliteiten; hij zal per verzekerd telegram de verkoper op de hoogte brengen van de dag, het uur en de plaats van het deskundig onderzoek.

“Het proces-verbaal van het deskundig onderzoek zal gemotiveerd zijn en de minuut ervan overgemaakt worden aan de partij.

“Indien het deskundig onderzoek slechts aangevat of beëindigd wordt na het verstrijken van de termijnen, bepaald overeenkomstig artikel 2, zal het aangegeven worden of het geconstateerd gebrek gedurende deze termijnen heeft bestaan.

“Nochtans, wanneer het dier, binnen de termijn bepaald voor het instellen van de vordering, op bevel van de bevoegde overheid zal afgemaakt worden wegens een van de ziekten die tot koopvernietiging aanleiding geven, zal het proces-verbaal dat in dit geval opgemaakt wordt, en dat op dezelfde manier met redenen zal omkleed zijn, het proces-verbaal van het deskundig onderzoek vervangen.

“Art. 5. Wanneer het dier buiten het land is gebracht, moet de koper, op straffe van verval, het terug in het land doen terugkomen en het brengen, hetzij naar de woonplaats van de koper of naar de hoofdplaats van het kanton waar die woonplaats gevestigd is, hetzij naar de plaats waar het contract is gesloten, hetzij naar de plaats waar de levering is gedaan.

“De termijn voor het instellen van de rechtsvordering wordt in dat geval verlengd met één dag per vijftien myriameter afstand tussen de plaats waar het dier zich bevindt en de plaats waarnaar het moet worden teruggebracht.

“Het verzoek tot benoeming van deskundigen moet, op straffe van verval, worden ingediend bij de vrederechter van de plaats waarnaar het dier zal worden gebracht, en zulks binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 2, met een verlenging van twee dagen zonder meer.

“De vordering tot koopvernietiging moet insgelijks in dat geval altijd worden ingesteld vóór de bevoegde rechter van diezelfde plaats.

“De koper moet bewijzen naar welke plaats buiten het land het dier is gebracht.

“Wanneer het echter gaat om een koopvernietigend gebrek dat besmettelijk is, mag de koper in geen geval het dier in het land doen terugkomen of een vordering tot koopvernietiging instellen.

“Evenmin kan de koper zodanige vordering instellen wanneer het dier buiten het land is gestorven.

“Art. 6. De vreemde eiser is gehouden, op verzoek van de verweerder, de borg te stellen, waarvan melding wordt gemaakt in artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van in zijn vordering niet te worden toegelaten.

“De borgsom wordt reeds op de eerste zitting in geld vastgesteld door de rechter vóór wie de rechtsvordering aanhangig is.

“De door de rechter bepaalde som wordt aan de griffier ter hand gesteld.

“Het vonnis is uitvoerbaar zonder dat het vooraf moet worden betekend; het is niet vatbaar voor hoger beroep.

“Art. 7. De vorderingen tot koopvernietiging zullen als dringende zaken behandeld en gevonnist worden.

“Art. 8. Indien het dier binnen de termijn, bepaald overeenkomstig artikel 2, verloren gaat, zal de verkoper tot geen vrijwaring gehouden zijn tenzij de koper het bewijs levert dat het verlies van het dier te wijten is aan een van de koopvernietigende gebreken, voorzien bij toepassing van deze wet.

“Art. 9. De koopvernietigende gebreken die binnen de voorziene termijnen geconstateerd worden volgens de voorgeschreven pleegvormen, zullen, tot bewijs van het tegendeel, vermoed worden als hebbende bestaan op het ogenblik van de overeenkomst.

“Art. 10. De verkoper of de ruiler zal niet gehouden zijn tot vrijwaring wegens koopvernietigende gebreken van besmettelijke aard, indien hij bewijst dat het dier sedert de levering in aanraking is geweest met dieren, aangetast door dezelfde besmettelijke ziekte als degene die tot de koopvernietigende vordering aanleiding gegeven heeft.

“Art. 11. Het verval voorzien bij de artikels 2, 4 en 5, is volkomen en zal van ambtswege worden toegepast, behalve wanneer de verkoper of de ruiler eerst te goeder trouw voor een onbevoegde rechter zou zijn gedagvaard geworden.

“Art. 12. De vordering tot prijsvermindering, toegelaten bij artikel 1644 van het Burgerlijk Wetboek, zal niet mogen uitgeoefend worden ingeval van koop en ruil van dieren die onder deze wet vallen.

“Art. 13. De rechtsvordering tot vernietiging van verkoop of ruiling van huisdieren, bestemd om afgemaakt te worden voor het verbruik, is slechts ontvankelijk uit hoofde der gebreken die ze tot de voeding onverbruikbaar maken, op voorwaarde dat die rechtsvordering ingespannen worde binnen de vijf dagen der levering van het verkocht dier, dat dit dier niet op eenen afstand van meer dan 5 myriameters van de verkoopplaats vervoerd zij en dat het volkomen voor het verbruik ongeschikt worde verklaard”.

B.1.2. Zoals het van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalde het KB van 24 december 1987 betreffende de koopvernietigende gebreken bij de verkoop of ruiling van huisdieren, vóór de wijziging ervan bij de koninklijke besluiten van 11 januari 2009 en van 1 februari 2012:

“Artikel 1. Enkel volgende ziekten of gebreken worden als koopvernietigende gebreken beschouwd:

1o Bij paard, ezel, muilezel of muildier:

– malleus;

– chronische intermitterende kreupelheid.

(…)

“Art. 6. De termijn voor het instellen van een rechtsvordering wegens een koopvernietigend gebrek is, de voor de levering vastgestelde dag niet gerekend, dertig dagen in geval van besmettelijke pleuropneumonie, runderbrucellose of enzoötische runderleucose, vijftien dagen in geval van rundertuberculose of witte-vaarzenziekte en negen dagen in de andere gevallen”.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het uitvoeringsbesluit ervan van 24 december 1987 verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW.

De verwijzende rechter merkt op dat, inzake de verkoop van een huisdier van het paardenras dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden, maar voor elk ander gebruik, zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen de uitoefening van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enige gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden, te verminderen tot twee ziekten en door, op straffe van volkomen verval, een termijn van negen dagen op te leggen te rekenen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen, terwijl, inzake de verkoop van een huisdier van een ander ras dan die welke worden beoogd bij de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper onderworpen is aan de voorwaarden van de gemeenrechtelijke regeling van art. 1641 BW, zowel ten aanzien van de definitie van de aanvaardbare koopvernietigende gebreken als ten aanzien van de termijn om die vordering in te stellen.

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt derhalve dat aan het Hof alleen een vraag wordt gesteld over art. 1 en 2, eerste en tweede lid van de in het geding zijnde wet.

B.2.3. Noch art. 26, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een uitvoeringsbesluit verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet. Met toepassing van art. 159 van de Grondwet komt het de rechter toe de bepalingen van een uitvoeringsbesluit die niet in overeenstemming zouden zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet, buiten toepassing te laten.

Het Hof vermag zich enkel uit te spreken over het ten aanzien van art. 10 en 11 van de Grondwet al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling als dat verschil aan een wetskrachtige norm kan worden toegeschreven. In dat verband moet worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden, behoudens aanwijzingen in tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet.

Wanneer een wettelijke regeling verwijst naar de nadere uitwerking ervan in een uitvoeringsbesluit, dient te worden bepaald aan welk van beide normen het in het geding zijnde grondwettigheidsbezwaar kan worden toegeschreven.

B.2.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling vloeit rechtstreeks voort uit art. 1 en 2 van de wet van 25 augustus 1885, aangezien die bepalingen slechts betrekking hebben op bepaalde huisdierenrassen, aangezien zij het mogelijk maken om een onderscheid te maken naar gelang van de ziekte waaraan die huisdieren lijden en aangezien zij, in afwijking van art. 1641 BW, een termijn van maximum dertig dagen opleggen waarbinnen, op straffe van verval, de vordering dient te worden ingesteld.

B.3. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient het Hof de verenigbaarheid na te gaan, met art. 10 en 11 van de Grondwet, van art. 1 van de in het geding zijnde wet, in zoverre het bij de verkoop van paarden alleen de door de regering aangewezen ziekten of gebreken, met de beperkingen en voorwaarden die zij gepast zal achten, beschouwt als koopvernietigende gebreken die als enige de vordering doen ontstaan die voortvloeit uit art. 1641 BW, en van art. 2 van die wet, in zoverre het aan de regering de zorg toevertrouwt de termijn te bepalen waarin de vordering op straffe van verval zal worden ingesteld (eerste lid), waarbij die termijn niet meer mag bedragen dan dertig dagen, de dag van de levering niet inbegrepen (tweede lid).

B.4. Art. 1641 tot 1649 BW, die paragraaf II (“Vrijwaring voor gebreken van de verkochte zaak”) van afdeling III (“Vrijwaring”) van hoofdstuk IV (“Verplichtingen van de verkoper”) van titel VI (“Koop”) van boek III (“Op welke wijze eigendom verkregen wordt”) van dat Wetboek vormen, bepalen:

“Art. 1641. De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

“Art. 1642. De verkoper moet niet instaan voor de gebreken die zichtbaar zijn en die de koper zelf heeft kunnen waarnemen.

“Art. 1643. Hij moet instaan voor de verborgen gebreken, zelfs wanneer hij die niet gekend heeft, tenzij hij in dat geval bedongen heeft dat hij tot geen vrijwaring zal zijn gehouden.

“Art. 1644. In het geval van de artikelen 1641 en 1643, heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald.

“Art. 1645. Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper.

“Art. 1646. Indien de verkoper de gebreken van de zaak niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot teruggave van de prijs, en tot vergoeding aan de koper van de door de koop veroorzaakte kosten.

“Art. 1647. Indien de zaak welke gebreken had, is teniet gegaan ten gevolge van haar slechte hoedanigheid, is het verlies voor rekening van de verkoper, die jegens de koper gehouden is tot teruggave van de prijs, en tot de overige schadevergoedingen in de twee vorige artikelen bepaald.

“Maar het verlies door toeval veroorzaakt is voor rekening van de koper.

“Art. 1648. De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

“Art. 1649. Deze vordering kan niet worden ingesteld wat betreft verkopingen die op rechterlijk gezag geschieden”.

B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 januari 1850 betreffende de koopvernietigende gebreken en van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, blijkt dat de wetgever heeft willen afwijken van art. 1641 tot 1649 BW, voor de handel in sommige huisdieren, teneinde de rechtszekerheid te versterken.

Die parlementaire voorbereiding vermeldt het volgende:

“Door de oorzaken van de koopvernietiging noch de termijnen van de vordering te bepalen en zich te beperken tot een verwijzing naar gebruiken die kunnen variëren naar gelang van de plaatsen en waarvan het bestaan soms moeilijk vast te stellen is, doen die onvolledige bepalingen van het Wetboek, om weinig belangrijke belangen, kostbare betwistingen ontstaan; zij bezorgen de rechters vaak ernstige problemen.

“Wegens het gebrek aan eenvormigheid in de termijnen van de waarborg en in de specificatie van de gebreken die de ontbinding van de overeenkomst met zich meebrengen, kan een koper op een bepaalde plaats een koop laten vernietigen, koop die hij elders, onder identieke voorwaarden, zou moeten naleven, en kan de verkoper op zijn beurt het dier waarvan hij zich op een andere markt niet zou kunnen ontdoen, op een dergelijke markt onbevreesd aanbieden zonder gevaar voor de opzegging van de verkoop” (Parl.St. Kamer 1848-49, nr. 198, p. 1).

“De moeilijkheden voorkomen door vaste, in het hele land verplichte en publiekelijk bekende regels aan te nemen, eerlijk gemaakte overeenkomsten stabiel maken en hindernissen vermijden die de ontwikkeling van de landbouw en de handel in de weg kunnen staan, vormen een werk waarmee de wetgever, in het algemeen belang, zonder aarzeling moet instemmen” (Parl.St. Senaat 1849-50, nr. 15, p. 1).

“Een aantal betrokkenen, de handelaars en de dierenartsen vooral, pleiten voor het Engelse systeem, met andere woorden de afschaffing van elke wet betreffende de koopvernietigende gebreken. De regering heeft wijselijk gehandeld door die zienswijze af te wijzen en een wetgeving ter zake te handhaven. Zonder wet vallen de transacties inzake de verkoop van dieren onder het gemene recht en in dat geval hebben de bijzondere overeenkomsten kracht van wet. Die regeling laat de kwekers op het platteland volledig over aan de willekeur van de handelaars, die hun vaak voorwaarden opleggen waarvan zij de draagwijdte niet kunnen begrijpen.

“Een ander nadeel van die regeling is dat in alle transacties een derde optreedt, ofwel een dierenarts, ofwel een koopman; zowel voor de verkoper als voor de koper leidt de aanwezigheid van een derde echter steeds tot het verlies van het grootste deel van de winst.

“Zodra het beginsel van de wet werd behouden, moest een dubbele hindernis worden vermeden. Enerzijds moesten de rechten van de verkoper worden gevrijwaard en moest hij worden beschermd tegen de manoeuvres van een oneerlijke koper. Anderzijds moesten de koper alle nodige middelen worden geboden om zich te verdedigen tegen de misbruiken van een weinig scrupuleuze verkoper.

“De koper opofferen voor de verkoper, kwam erop neer de buitenlandse kopers van onze markten te weren en een van de voornaamste bronnen van de inkomsten van de landbouw droog te leggen.

“De maatregelen die de regering in het huidige wetsontwerp voorstelt, leveren dat dubbele resultaat op. (…)

“Door sommige termijnen voor het instellen van de vordering tot koopvernietiging in te korten, kan de verkoper niet meer aansprakelijk worden gesteld voor gebreken die zich voordoen na de verkoop.

“Anderzijds zijn de nieuwe termijnen wel nog toereikend om het de koper mogelijk te maken de gebreken vast te stellen die op het ogenblik van de verkoop werkelijk bestaan” (Parl.St. Senaat 1884-85, nr. 99, p. 1 en 2).

B.5.2. De wetgever heeft aldus, met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de handel in huisdieren, een juridische regeling ingevoerd die afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW. Die juridische regeling beperkt de koopvernietigende gebreken die de vordering openstellen die voortvloeit uit art. 1641 BW, tot de ziekten en gebreken die zijn bepaald bij koninklijk besluit, en voorziet in termijnen om de vordering in te stellen die eveneens bij koninklijk besluit worden vastgesteld naar gelang van de ziekte of het gebrek, en die zeer kort zijn omdat zij niet meer mogen bedragen dan dertig dagen. Wanneer is voldaan aan de bij de afwijkende wet bepaalde voorwaarden, wordt de bewijslast vergemakkelijkt voor de koper, aangezien, overeenkomstig art. 9 van de wet van 25 augustus 1885, de koopvernietigende gebreken die binnen de gespecificeerde termijnen en volgens de voorgeschreven vormen zijn vastgesteld, zullen worden geacht te hebben bestaan op het ogenblik van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs. De niet-naleving van de termijn om de vordering in te stellen, leidt daarentegen tot een “volkomen” verval dat “van ambtswege (zal) worden toegepast” (art. 11). Gelet op de korte termijnen kan de vordering tot prijsvermindering, toegestaan bij art. 1644 BW, overigens niet worden uitgeoefend (art. 12).

B.5.3. Die regeling behandelt de kopers en verkopers van paarden anders dan de andere kopers en verkopers.

B.6.1. Hoewel de afwijkende regeling inzake koopvernietigende gebreken die van toepassing is op de verkoop van paarden zowel de rechtszekerheid als de bescherming van de kopers en verkopers voor de bij koninklijk besluit bepaalde ziekten en gebreken bevordert, tast zij in aanzienlijke mate de rechten van de kopers aan voor de andere ziekten en gebreken, omdat zij hun elke vordering tot koopvernietiging op grond van die ziekte of dat gebrek ontneemt en geen rekening houdt met het gebruik waartoe het dier is bestemd.

B.6.2. Geen enkele wetsbepaling verbiedt de partijen evenwel de verplichtingen van de verkoper ten aanzien van de waarborg bij de verkoop van huisdieren te regelen zoals zij dat willen, waarbij de afwijkende regeling enkel bedoeld is om de privébelangen te vrijwaren.

B.6.3. Hoewel de bij de wet van 25 augustus 1885 bepaalde regeling afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW – behalve wanneer de partijen bij overeenkomst andere regelingen hebben getroffen -, wijkt zij overigens niet af van de andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de verkoop. De koper kan derhalve, op grond van art. 1110 BW, een vordering tot nietigheid instellen wegens dwaling met betrekking tot een wezenlijke kwaliteit van het verkochte voorwerp, of een vordering tot ontbinding op grond van art. 1184 en 1604 BW. Art. 1649bis tot 1649octies BW, die de richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen ten uitvoer leggen, bieden overigens eveneens een bescherming aan de consument die voorrang moet krijgen op de bij de in het geding zijnde wet bepaalde afwijkende regeling.

B.6.4. Bijgevolg beperkt de in het geding zijnde afwijkende regeling de rechten van de kopers niet op onevenredige wijze.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/08/2017 - 17:37
Laatst aangepast op: do, 24/08/2017 - 17:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.