-A +A

Verlies recht op persoonlijk onderhoudsgeld wegens overspel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 16/01/2018

Sinds de nieuwe echtscheidingswet van 27 april 2007 bestaat een verruimd basisrecht op een uitkering na echtscheiding, ex. art. 301 § 2 B.W., die niet langer slechts voorbehouden is voor de onschuldige echtgenoot, zoals in de oude wetgeving was voorzien. Zelfs indien de echtscheiding op eenzijdig verzoek wordt uitgesproken bestaat er recht op een uitkering tot levensonderhoud in hoofde van beide echtgenoten, mits behoeftigheid, en het verzoek kan worden geweigerd indien de alimentatieplichtige aantoont dat de andere echtgenoot zich schuldig maakte aan een "zware fout die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt" (art. 301 § 2, tweede lid B.W.).

Het ontstaan van een feitelijke scheiding tussen echtgenoten kan vele oorzaken hebben, zodat uit de loutere vaststelling dat er een feitelijke scheiding tot stand kwam niet kan afgeleid worden wie van beide echtgenoten daaraan schuld heeft.

Een partij tegen wie onderhoudsgeld wordt gevorderd kan als verweer de zware fout in de zin van art. 301 § 2, tweede lid BW inroepen, die hem kan vrijstellen van het betalen van enige uitkering na echtscheiding.

Deze bepaling stelt:

" De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.

In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon."

Overspel kan nog steeds (de facto) een omstandigheid uitmaken die wel degelijk de hervatting van het samenleven verhindert: dit zelfs wanneer partijen op datum van de vaststelling reeds feitelijk gescheiden leven en er reeds een echtscheidingsvonnis de onherstelbare ontwrichting van  huwelijk heeft vastgesteld.

Dit kan ondermeer het geval zijn wanneer blijkt dat er reeds een buitechtelijke relatie langs de kant van de onderhoudsplichtige zou bestaan hebben op het ogenblik van het inleiden van echtscheiding, dan wel op basis van een buitengerechtelijke og gerechtelijke bekentenis van de onderhoudsgerechtigde in conclusie  conclusies op basis waarvan kan aangenomen worden dat dit overspel minstens mede aan de oorsprong lag van de onherstelbare ontwrichting en dat deze overspelige relatie alleszins de hervatting van het samenleven heeft verhinderd.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer'
Jaargang: 
2018
Pagina: 
486
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V.D.A.,[ ... ] appellante,

[ ... ]

tegen

O.J., [ ... ] geïntimeerde, [ ... ]

Partijen zijn gehuwd op 14 februari 2002 te Turnhout, onder het wettelijk stelsel, ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris Cor STOEL te Merksplas op 28 januari 2002.

Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: O.K. op 8 februari 2005, O.L. op 13 augustus 2006 en O.F. op 10 januari 2008.

De verstandhouding tussen partijen geraakte ernstig verstoord.

Op 25 maart 2016 legde appellante een verzoekschrift neer tot het bekomen van

- de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk,

- de aanstelling van een notaris met het oog op de vereffening en verdeling,

- de veroordeling van geïntimeerde tot betalen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 300 EUR per maand, jaarlijks te indexeren.

Ook vorderde zij een reeks voorlopige maatregelen, waaronder machtiging tot verblijf in de gezinswoning (zie stuk 2 van de rechtspleging in eerste aanleg).

In haar inleidend verzoekschrift weet appellante de oorzaak van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk aan het agressief gedrag van geïntimeerde

opzichtens haar en de kinderen, alsook aan zijn buitensporig drinken.

Bij vonnis van 25 april 2016 zijn er een reeks voorlopige maatregelen opgelegd: appellante is gemachtigd om afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woonst,[ ... ].

In zijn conclusie van 30 augustus 2016 ontkende appellant de aantijgingen van geïntimeerde over de oorzaak van de onherstelbare ontwrichting met klem en hij benadrukt dat die aantijgingen en strafklachten niet alleen uiterst belastend, maar ook kwetsend zijn. Hij maakt dan wel gewag van het samenleven met de nieuwe partner van geïntimeerde en diens kind, maar wijst dat gegeven niet expliciet aan als gegeven dat de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt: partijen leven feitelijk gescheiden sedert 2 september 2016, ingevolge de rechterlijke machtiging bij vonnis van 25 april 2016 voor geïntimeerde om verder afzonderlijk te verblijven in de gezinswoning bij uitsluiting van appellant, ten gevolge waarvan appellant besloot te huren aan zijn huidig adres.

Op 9 september 2016 legde appellante een conclusie neer, waarbij zij vroeg

- de echtscheiding uit te spreken op grond van art. 229 § 3 BW, ondergeschikt 229 § 2 BW;

- haar een uitkering na echtscheiding van 300 EUR per maand toe te kennen, jaarlijks aan te passen aan de index der consumptieprijzen.

Zij besloot ook inzake de voorlopige maatregelen.

Vervolgens is op 10 oktober 2016 inzake de voorlopige maatregelen vonnis gewezen, waarbij de vordering tot bekomen van een persoonlijk onderhoudsgeld lopende de echtscheidingsprocedure ongegrond is verklaard; inzake de hypothecaire lening, geoordeeld is dat elke partij deze verder voor de helft moet aflossen; [ ... ].

Bij vonnis van 10 oktober 2016 ten gronde, is

- de echtscheiding uitgesproken tussen partijen bij toepassing van art. 229 § 2 BW;



- de zaak in voortzetting gesteld op de zitting van 14 november 2016 voor behandeling van de alimentatievordering na echtscheiding;

- de beslissing over de gedingkosten aangehouden.

Dit echtscheidingsvonnis is betekend op 27 januari 2017, en daartegen is geen hoger beroep ingesteld, zodat de echtscheiding definitief is sedert 28 februari 2017.

Geïntimeerde besloot op 7 november 2016 tot de ongegrondheid van de alimentatievordering na echtscheiding. Hij vorderde ook de veroordeling van appellante tot de gedingkosten.

Hij beriep zich in die conclusie op

- de argumentatie van de rechter inzake de alimentatie tijdens de procedure;

- het gegeven dat hijzelf nog de helft betaalt van de hypothecaire lening, voor de woning die verder betrokken wordt door appellante;

- zijn nieuwe huurverplichtingen als alleenstaande sinds september 2016, ten gevolge waarvan hij 650 EUR per maand betaalt voor een appartement waar hij zijn drie kinderen kan ontvangen;

- de mogelijkheden die appellante onbenut laat om meer te gaan werken;

- het PV van vaststelling van overspel van gerechtsdeurwaarder EYSKENS van 22 oktober 2016, waaruit blijkt dat D.M.J. bij appellante overnacht en dat zij een onafgebroken feitelijk samenwonend gezin vormen, zoals ze zelf erkennen, en waaruit blijkt dat zij dus kostendelend samenwonen;

- zijn inkomstensituatie, waaruit blijkt dat hij uit arbeid en uit een uitkering van de RVA en een aanmoedigingspremie in totaal 1.725,96 EUR ontvangt, dit is belastbaar; en dat hij na aftrek van zijn actuele huur nog slechts 1.075 EUR ter beschikking heeft, en absoluut geen ruimte overhoudt om nog enige persoonlijke alimentatie te betalen.

Bij vonnis van 12 december 2016, heeft de eerste rechter

- de vordering tot bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding ontvankelijk doch ongegrond verklaard in toepassing van art. 301 § 2, 2d' lid BW;

- appellante veroordeeld tot de kosten van de betrapping op overspel, in hoofde van geïntimeerde begroot op 878,69 EUR;

- de beslissing over de overige kosten van het geding verder aangehouden.

Dit vonnis is volgens de verklaring van partijen ter terechtzitting van 19 september 2017 niet betekend.

2. De vorderingen in hoger beroep:

Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 19 januari 2017.

Het strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis,

- te zeggen voor recht dat de eerste rechter ten onrechte ambtshalve ultra petita heeft geoordeeld dat appellante geen recht zou hebben op een onderhoudsuitkering na echtscheiding in toepassing van art. 301 § 2, 2° BW.

- geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de betrapping op overspel ten bedrage van 878,69 EUR en hem te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van 1.440 EUR, het rolrecht hoger beroep van p.m. en een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 1.440 EUR.

Geïntimeerde besluit, in conclusies neergelegd op 31 maart 2017, tot de ontoelaatbaarheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep, en vordert minstens het bestreden vonnis in al zijn geledingen te bevestigen. Hij besluit tot de afwijzing van de vordering tot bekomen van een alimentatie na echtscheiding als ongegrond, en wil minstens horen zeggen voor recht dat hij aan appellante geen persoonlijk onderhoudsgeld verschuldigd is. Verder vraagt hij appellante te veroordelen tot de gedingkosten, langs zijn kant begroot op de kosten van de betrapping op overspel van 878,99 EUR en te verhogen met een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 EUR voor de eerste aanleg en van 1.800 EUR in hoger beroep.

Appellante besloot nog tot de ongegrondheid van de vordering van geïntimeerde in betaling van de gerechtskosten zoals door hem begroot.

Ter terechtzitting van 19 september 2017 specificeerde appellante dat het hoger beroep beperkt is tot de beslissing over het hypothetisch recht op een uitkering én de kosten van het geding in eerste aanleg. Zij stelt geen vordering tot uitkering in hoger beroep.

[ ... ]

3. Beoordeling:

3.1. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep:

Met zijn vordering om ook de overige kosten van de eerste aanleg toe te kennen, heeft geïntimeerde een impliciet doch zeker incidenteel beroep ingesteld.

Ten onrechte meent geïntimeerde dat het hoger beroep ontoelaatbaar zou zijn, omdat appellante (thans) geen alimentatie meer vordert, doch enkel wil horen oordelen over haar hypothetisch recht op een uitkering na echtscheiding:

Voor de eerste rechter vorderde appellante een uitkering van 300 EUR per maand. De eerste rechter oordeelde dat appellante bij toepassing van art. 301 § 2,tweede lid BW niet gerechtigd was op een uitkering. Zelfs wanneer zij actueel niet verder aandringt op het bekomen van een uitkering, dan heeft zij wel degelijk belang bij het doen vaststellen van haar principieel recht daarop uit de afwezigheid van enige zware fout in de zin van art. 301 § 2 tweede lid BW.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep, die beide tijdig en naar vorm regelmatig zijn ingesteld, zijn wel degelijk ontvankelijk.

Over het weren van het maatschappelijk verslag:



3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep:

3.3.1. Over de principes inzake de uitkering na echtscheiding:

Sinds de nieuwe echtscheidingswet van 27 april 2007 bestaat een verruimd basisrecht op een uitkering na echtscheiding, ex. art. 301 § 2 B.W., die niet langer slechts voorbehouden is voor de onschuldige echtgenoot, zoals in de oude wetgeving was voorzien. Zelfs indien de echtscheiding op eenzijdig verzoek wordt uitgesproken bestaat er recht op een uitkering tot levensonderhoud in hoofde van beide echtgenoten, mits behoeftigheid, en het verzoek kan worden geweigerd indien de alimentatieplichtige aantoont dat de andere echtgenoot zich schuldig maakte aan een "zware fout die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt" (art. 301 § 2, tweede lid B.W.).

Het ontstaan van een feitelijke scheiding tussen echtgenoten kan vele oorzaken hebben, zodat uit de loutere vaststelling dat er een feitelijke scheiding tot stand kwam niet kan afgeleid worden wie van beide echtgenoten daaraan schuld heeft.

[ ... ]

3.3.2. Over de toepassing van die principes in deze zaak:

Door geïntimeerde wordt er een zware fout in de zin van art. 301 § 2, tweede lid BW ingeroepen, die hem zou vrijstellen van het betalen van enige uitkering na echtscheiding. Ondergeschikt, beroept hij zich op de afwezigheid van de noodzakelijke behoeftigheid c.q. van een aanzienlijke terugval van de economische situatie in hoofde van geïntimeerde. Verder doet hij gelden dat geïntimeerde samenleeft met een ander persoon als waren zij gehuwd.

Geïntimeerde beroept zich met reden op de zware fout van appellante in de zin van art. 301 § 2, tweede lid BW., met name het overspel van de vrouw, zoals dit is vastgesteld door gerechtsdeurwaarder Y. EYSKENS op 22 oktober 2016.

De vaststellingen dat

- de motorkap van de twee voertuigen op de oprit achteraan de woning koud zijn (Skoda [ ... ] en Mercedes [ ... ]);

- vooreerst een man in kamerjas aan de voordeur verschijnt, die zegt dat hij de sleutel gaat halen;

- vervolgens een dame eveneens gekleed in kamerjas de voordeur opent en bevestigt V.D.A. te zijn;

- nadat de gerechtsdeurwaarder het doel van zijn komst bekend maakt, mevrouw V.D.A. onmiddellijk verklaart dat de heer in kwestie haar vriend is en dat ze gewoon als koppel samenslapen;

- mevrouw V.D.A. de gerechtsdeurwaarder voor gaat naar de eerste verdieping en hem de slaapkamer toont waar zij geslapen hebben;

- dit tweepersoonsbed duidelijk aan beide zijden beslapen is en langs beide kanten warm aanvoelt;

maken wel degelijk overspel uit in hoofde van appellante, nu op datum van die vaststellingen weliswaar het echtscheidingsvonnis was uitgesproken, maar nog niet betekend, zodat het huwelijk nog niet was ontbonden.

Dat overspel heeft hier wel degelijk de hervatting van het samenleven verhinderd: partijen leefden weliswaar op datum van de vaststelling reeds feitelijk gescheiden en er was reeds een echtscheidingsvonnis dat de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk had vastgesteld; hoewel nergens is aangetoond dat bij het inleiden van de dagvaarding er reeds een buitenechtelijke relatie langs de kant van appellante zou bestaan hebben, moet, gelet op de gerechtelijke bekentenis van appellante in haar conclusies voor de eerste rechter van 9 september 2016 voor de eerste rechter dat zij sedert 21 juli 2016 een buitenechtelijke relatie heeft (zie blz. 10 - alinea 7), worden aangenomen dat dit overspel minstens mede aan de oorsprong lag van de onherstelbare ontwrichting en dat deze overspelige relatie alleszins de hervatting van het samenleven heeft verhinderd, nu deze seksuele relatie minstens nog op 22 oktober 2016 bestond.

Dit is dan ook afdoende reden om appellante uit te sluiten van het recht op een uitkering na echtscheiding.

De overige grieven dienen dan ook niet verder onderzocht.

[ ... ]

BESLISSING

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ongegrond,

Veroordeelt appellante verder tot de kosten van het hoger beroep, langs de zijde van geïntimeerde begroot op een rechtsplegingsvergoeding, deze evenwel herleid tot 780 EUR.

[ ... ]

Noot: 

• Sven Eggermont, Over vaststellingen voor recht, overspel als zware fout en het beschikkingsbeginsel, NJW 2018, 488

• Steven Brouwers, “Levensstijl” of “levensstandaard”: het is maar een woord », R.A.B.G., 2017/4, p. 294-295

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)



• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 29/06/2018 - 17:46
Laatst aangepast op: vr, 29/06/2018 - 22:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.