-A +A

Verkoopconcessie van alleenverkoop intuitu personae karakter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 10/02/2014

Buiten het geval van intuitu personae gesloten contracten, kan een contractoverdracht plaatsvinden zonder de medewerking van de wederpartij, weze het dat de overdracht, in die hypothese, enkel “onvolkomen” is, hetgeen betekent dat de overdrager verder als de schuldenaar van de overeenkomst kan worden aangesproken door de wederpartij, weliswaar met een mogelijkheid van verhaal tegen de overnemer 

Men kan niet als algemene regel poneren dat een concessieovereenkomst een intuitu personae-karakter heeft. Een concessieovereenkomst heeft niet uit nature een intuitu personae-karakter. Een beoordeling in concreto van de verbintenissen van de concessiehouder is vereist.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
592
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(F.K. BV / A.F.B. NV, F.B. NV - Rolnr.: 2010/AR/552)

(…)

Er wordt geen akte van betekening voorgelegd.

Het verzoekschrift tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 1 maart 2010. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm.

I. De feitelijke context van het geschil en de vorderingen van de partijen voor de eerste rechter
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest herhaalt het hof enkel de volgende voor de beslechting van het geschil relevante feiten:

1. De NV A.B. verdeelde met ingang van 1990 de producten van de BV F.K. (hierna “F.”) en dit krachtens een mondelinge overeenkomst gesloten tussen beiden (hierna “de overeenkomst”).

De NV A.B. maakte deel uit van de R.S.-Groep, die in 2006 besloot om te desinvesteren.

2. Door middel van een schrijven d.d. 24 juli 2006 gaf F. uiting aan haar bezorgdheid aangaande de toekomst en de continuïteit van de foodafdeling van de NV A.B. en meer in het bijzonder aangaande de dienstverlening door de foodafdeling van deze vennootschap. F. had immers vastgesteld dat er door en binnen de R.S.-Groep met ingang van 2005 bedrijfsonderdelen werden verkocht en dat er zich ook binnen de NV A.B. wijzigingen hadden voorgedaan die onder meer het vertrek inhielden van een aantal personeelsleden (waaronder de heer P.), die zich met de verdeling van de producten van F. bezig hielden.

3. Bij onderhandse overeenkomst van 28 september 2006, getiteld “Asset Sale & Purchase Agreement”, werden de activiteiten van de foodafdeling van de NV A.B. overgedragen aan de daartoe op 31 mei 2006 opgerichte NV A.F.B., appellante (hierna “A.”).

De NV A.B. zou zich, onder haar latere benaming NV F.B. (hierna “F.”) (de naamswijziging dateert van 2 november 2006), tweede geïntimeerde, als lid van de F.-groep, enkel nog bezighouden met non-foodactiviteiten.

4. De overdracht van de foodactiviteiten van de NV A.B. aan A. werd aan F. meegedeeld via een schrijven d.d. 29 september 2006, dat F. stelt (slechts) op 4 oktober 2006 ontvangen te hebben.

Door middel van voormeld schrijven van 29 september 2006 werd tevens gemeld dat A. zou geleid worden door het voormalige management van de NV A.B. en de R.S.-Groep en dat er dus voor F., die zodoende haar contacten behield met dezelfde mensen, niets veranderde.

Bij schrijven d.d. 12 oktober 2006 werd door F., na een onderhoud met de heren V.H. en P., aan A. en de NV A.B., meegedeeld dat zij er akte van nam en betreurde dat de NV A.B. “hun jarenlange samenwerking zonder enige vorm van overleg en zonder enige opzeg abrupt had beëindigd”. Tevens werd gesteld dat het sluiten met de NV A.B. van een eventuele distributieovereenkomst nog intern bij F. diende onderzocht en besproken te worden. F. stemde er wel mee in om, in het belang van de eindklant, gedane bestellingen tegen vooruitbetaling te leveren, met dien verstande, dat dit niet kon beschouwd of geïnterpreteerd worden als een aanvaarding van de overdracht van de samenwerking of als een nieuwe distributieovereenkomst.

Door middel van een schrijven d.d. 31 oktober 2006 ontkenden geïntimeerden dat de mondelinge overeenkomst tussen F. en de NV A.B., eenzijdig of abrupt door deze laatste zou zijn beëindigd. Zij benadrukten dat zij de jarenlange goede relatie in de toekomst wensten verder te zetten. Door geïntimeerde werd daaraan het volgende toegevoegd: “Indien uw voorkeur toch uitgaat naar het handhaven van de samenwerking met A.B. NV, dan is het wat ons betreft ook een mogelijkheid dat die samenwerking blijft bestaan, waarbij A.F.B. de bestelde producten af zal nemen van A.B. NV.”

5. Op 2 november 2006 sloot F. een exclusieve distributieovereenkomst met de NV I., zijnde een vennootschap opgericht en bestuurd door onder meer de heer F., gewezen werknemer van de NV A.B.

Op 3 november 2006 richtte F. een schrijven tot de NV A.B., waarin zij stelde dat de overdracht van al de activiteiten van de foodafdeling, waardoor de NV A.B. zich de facto in de onmogelijkheid stelde om de concessieovereenkomst zelf uit te voeren, een handeling uitmaakt die gelijkstaat met een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de NV A.B. F. herhaalde dat zij niet kon instemmen met een overdracht van de overeenkomst en dat zij met A. geen nieuwe distributieovereenkomst wenste af te sluiten. Zij stelde geen nieuwe bestellingen meer te kunnen aanvaarden.

Geïntimeerden bleven op hun standpunt dat de NV A.B. de overeenkomst niet eenzijdig beëindigd had. Zij meenden dat F. zelf een einde gesteld had aan de overeenkomst, door vooruitbetaling van de leveringen te eisen, om ten slotte elke verdere levering van producten te weigeren.

Ook F. bleef op het door haar ingenomen standpunt.

Geïntimeerden gingen over tot dagvaarding in kort geding van F. tot levering van openstaande bestellingen. Deze laatste werd daartoe veroordeeld bij een beschikking d.d. 18 januari 2007.

6. F., enerzijds, en geïntimeerden, anderzijds, verwijten elkaar de overeenkomst eenzijdig te hebben beëindigd mits miskenning van een aantal voorwaarden gesteld door de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna “de concessiewet). Zij menen wederzijds aanspraak te kunnen maken op een vervangende opzeggingsvergoeding.

Geïntimeerden menen dat eerste geïntimeerde daarenboven aanspraak kan maken op een cliënteelvergoeding.

III. De bestreden beslissing
(…)

IV. De vorderingen van de partijen voor het hof
(…)

V. Beoordeling
De toepasselijkheid van de concessiewet op de overeenkomst
10. F. betwist dat de verkoopconcessie die zij aan de NV A.B. verleende, exclusief was. Zij stelt dat zij, naast de distributie van haar producten via de NV A.B., zelf rechtstreeks leverde aan bepaalde Belgische klanten. Er bestaat echter geen betwisting over het gegeven dat (hetgeen voorafgaat niet wegneemt dat) de overeenkomst een overeenkomst was in de zin van de concessiewet en dat deze wet dan ook van toepassing is.

De overdracht van de activiteiten van de foodafdeling van de NV A.B. aan A.
11. Door de eerste rechter werd terecht geoordeeld dat de betrokken overdracht niet de gevolgen heeft van een overdracht onder algemene titel.

Partijen kunnen, overeenkomstig artikel 770 W.Venn. de overdracht van een bedrijfstak onderwerpen aan het regime van de algemene rechtsovergang, bepaald bij artikelen 760 en volgende W.Venn. Indien zij hiervoor kiezen, moeten zij hun wil uitdrukkelijk vermelden in zowel het project van overdracht, dat onder de vorm van een authentieke akte dient te worden opgesteld, als in de neer te leggen akte van overdracht.

In casu is dit niet gebeurd. Geïntimeerden hebben integendeel in de onderhandse overeenkomst d.d. 28 september 2006 (de “Asset Sale & Purchase Agreement”), uitdrukkelijk verklaard dat de betrokken transactie niet was onderworpen aan het in het Wetboek van Vennootschappen bepaalde regime van overgang onder algemene titel.

De foodafdeling van de NV A.B. werd dan ook niet als een juridische entiteit overgedragen en/of de eraan verbonden activa en passiva werden niet van rechtswege aan A. overgedragen.

Terecht werd door de eerste rechter gesteld dat een feitelijke universaliteit aan de overdracht van bestanddelen ut singuli blijft onderworpen of, met andere woorden, dat elk element (actief en passief) van een bedrijfstak die overgedragen wordt buiten het regime bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, blijft onderworpen aan de erop van toepassing zjjnde regels van gemeen recht inzake overdracht.

De instemming door F. met de overdracht van de overeenkomst
12. Geïntimeerden voeren aan dat de eerste rechter ten onrechte zou hebben gesteld dat appellante niet zou hebben ingestemd met de overdracht van de concessieovereenkomst.

Geïntimeerden worden hierin niet door het hof gevolgd.

Zoals vastgesteld, werd bij de onderhandse overeenkomst d.d. 28 september 2006 de foodafdeling van de NV A.B. overgedragen aan A. De overeenkomst maakte deel uit van voormelde foodactiviteiten en werd in haar geheel overgedragen, dit wil zeggen zowel de actieve als de passieve bestanddelen daarvan.

In de overeenkomst d.d. 28 september 2006 werd bepaald dat de overdracht van de contracten zou geacht worden te zijn voltrokken bij ontvangst van de instemming hiermee van de betrokken wederpartijen.

Geïntimeerden beoogden zodoende een volkomen contractoverdracht te bewerkstelligen, waarbij A. de plaats van de NV A.B. zou innemen en deze laatste zou bevrijd zijn. In de hypothese dat het akkoord van de wederpartij niet zou bekomen worden, verbond de NV A.B. er zich contractueel ten overstaan van A. toe om de verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst na te leven.

De contractoverdracht was zodoende in de relatie overdrager-overnemer (NV A.B.-A.) niet afhankelijk gesteld van de (voorafgaande) instemming van de wederpartij.

Overeenkomstig artikel 1236, tweede lid BW kan een verbintenis, in beginsel en voor zover ze niet intuitu personae is aangegaan (cf. art. 1237 BW en infra), uitgevoerd worden door een derde, zodat niets een overnemer van een overeenkomst belet om de eruit voortvloeiende verbintenissen van de overdrager op rechtsgeldige wijze uit te voeren. De wederpartij kan zich hier in beginsel niet tegen verzetten. Diens toestemming is enkel vereist om de oorspronkelijke schuldenaar-overdrager te bevrijden.

De overdracht van de foodactiviteiten van de NV A.B., met daarvan deel uitmakend de overeenkomst, werd ter kennis gebracht van F. door middel van een schrijven d.d. 29 september 2006, dat deze laatste aanvoert slechts ontvangen te hebben op 4 oktober 2006, zonder dat geïntimeerden kunnen aantonen dat dit (redelijkerwijze) niet het geval kan zijn.

De toestemming van F. met de betrokken overdracht werd niet gevraagd voorafgaand aan 29 september 2006 en werd na 4 oktober 2006 ook niet gegeven. Integendeel blijkt uit het schrijven van F. d.d. 12 oktober 2006 dat zij de overeenkomst door de NV A.B. ingevolge de overdracht van haar foodactiviteiten als eenzijdig beëindigd beschouwde. De verdere uitvoering van de overeenkomst werd uitdrukkelijk geweigerd bij schrijven d.d. 3 november 2006 van F. en klanten van de NV A.B. werden rechtstreeks door F. beleverd. Daarenboven werd op 2 november 2000 door F. een nieuwe exclusieve distributieovereenkomst met een derde gesloten.

In de gegeven omstandigheden voeren geïntimeerden ten onrechte aan dat F. haar instemming met de overdracht van de overeenkomst heeft verleend.

Het al dan niet intuitu personae-karakter van de overeenkomst
13. Zoals gesteld, kan buiten het geval van intuitu personae gesloten contracten, een contractoverdracht plaatsvinden zonder de medewerking van de wederpartij, weze het dat de overdracht, in die hypothese, enkel “onvolkomen” is, hetgeen betekent dat de overdrager verder als de schuldenaar van de overeenkomst kan worden aangesproken door de wederpartij, weliswaar met een mogelijkheid van verhaal tegen de overnemer (E. Dirix, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Kluwer 1984, p. 61 en 62; P. Van Ommeslaghe, “La transmission des obligations en droit positif belge” in La transmission des obligations, Bruylant, 1982, p. 170 et seq.; W. Van Gerven en S. Covemacker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 353 et seq.).

De argumenten waarmee F. tracht het tegendeel aan te tonen, overtuigen het hof niet.

14. Men kan niet als algemene regel poneren dat een concessieovereenkomst een intuitu personae-karakter heeft. Een concessieovereenkomst heeft niet uit nature een intuitu personae-karakter (P. Kileste en P. Hollander, “Examen de jurisprudence. La loi du 27 juillet 1961 (2002-2008)”, TBH 2009, nrs. 28-29, p. 198; M. Willemart en D. Destrycker, De concessieovereenkomst in België, Kluwer, 1996, p. 99; H. Laga, “Enige bedenkingen omtrent fusie en de overgang van intuitu personae-overeenkomsten”, Liber Amicorum Jan Ronse, E.Story-Scientia, 1986, p. 246-247). Een beoordeling in concreto van de verbintenissen van de concessiehouder is vereist.

Door de eerste rechter werd terecht geoordeeld dat niets er in casu op wijst, laat staan dat het bewezen voorkomt, dat de overeenkomst intuitu personae door F. met de NV A.B., zijnde nota bene een vennootschap, werd gesloten. Er wordt niet bewezen of aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst werd gesloten in functie van één of meer van haar personeelsleden. In het bijzonder wat de heer P. betreft, wordt niet bewezen dat hij op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst in dienst was van de NV A.B. Wel staat vast dat de overeenkomst werd verdergezet nadat de heer F. (eind 2005) de NV A.B. reeds verlaten had.

Geen enkele contractuele bepaling van de overeenkomst sluit de overdracht daarvan uit.

F. toont niet aan dat zij enig, laat staan een ernstig belang zou gehad hebben bij de uitvoering door de NV A.B. zelf van de verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst, eerder dan bij de uitvoering daarvan door A. Uit de overeenkomst d.d. 28 september 2006 en het schrijven van de NV A.B. aan F. d.d. 29 september 2006 blijkt dat de overdracht van de foodafdeling van de NV A.B. juist beoogde om de continuïteit van de dienstverlening op eenzelfde plaats, met dezelfde mensen en onder dezelfde naam te verzekeren. Zoals door de eerste rechter werd vastgesteld, had de NV A.B. alle nodige schikkingen getroffen voor de verdere uitvoering van de overeenkomst door A.

De beëindiging van de overeenkomst
15. In het schrijven van de NV A.B. d.d. 29 september 2006, werd gesteld dat de verdeling van de producten van F. door A. onder de naam “A.” zou verzekerd worden, en dit vanuit dezelfde lokalen als voorheen, en onder de leiding van het voormalige management van de foodactiviteiten van de NV A.B.

Zoals gesteld, blijkt dat de overdracht van de foodafdeling van de NV A.B. juist beoogde om de continuïteit van de dienstverlening op eenzelfde plaats, met dezelfde mensen en onder dezelfde naam, te verzekeren. Zoals door de eerste rechter werd vastgesteld, had de NV A.B. alle nodige schikkingen getroffen voor de verdere uitvoering van de overeenkomst door A.

Gelet op hetgeen voorafgaat en de vaststelling dat de overeenkomst in casu geen intuitu personae-karakter had, heeft F. ten onrechte bij schrijven d.d. 12 oktober 2006 aan de NV A.B. meegedeeld dat zij er akte van nam en betreurde dat deze “hun jarenlange samenwerking zonder enige vorm van overleg en zonder enige opzeg abrupt had beëindigd”.

Door de overeenkomst over te dragen zonder de instemming van F., heeft de NV A.B. geen fout begaan (cf. supra).

Op 3 november 2006 richtte F. daarenboven en niettegenstaande het schrijven van de NV A.B. d.d. 31 oktober 2006 (cf. het feitenrelaas), ten onrechte een schrijven tot deze laatste, waarin zij stelde dat de overdracht van al de activiteiten van de foodafdeling van de NV A.B., waardoor zij zich de facto in de onmogelijkheid stelde om de concessieovereenkomst zelf uit te voeren, een handeling uitmaakt die gelijkstaat met een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de NV A.B. Door F. werd daaraan toegevoegd dat zij geen nieuwe bestellingen meer kon aanvaarden.

Van een (abrupte) beëindiging van de overeenkomst, die door de NV A.B. betwist werd, was echter geen sprake. In strijd met hetgeen F. aannam, had de NV A.B. zich niet de facto in de onmogelijkheid gesteld om de Overeenkomst verder uit te voeren (cf. supra). Noch uit haar handelen, noch uit het handelen van A. kan de wil afgeleid worden om de overeenkomst te beëindigen. In strijd met hetgeen F. beweert, kan geen van beiden verweten worden dat zij aan hun contractuele verbintenissen tekortgekomen zijn.

F. ging zodoende ten onrechte uit van een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de NV A.B. Meteen vloeit hieruit voort dat zij ten laste van de NV A.B. geen aanspraak kan maken op een vervangende opzeggingsvergoeding in de zin van artikel 2 van de concessiewet.

16. Met ingang van 12 oktober 2006 was F. nog enkel bereid om, in het belang van de eindklant, lopende bestellingen uit te voeren op voorwaarde dat deze op voorhand zouden betaald worden (cf. het feitenrelaas) en met dien verstande dat dit niet kon beschouwd of geïnterpreteerd worden als een aanvaarding van de overdracht van de samenwerking of als een nieuwe distributieovereenkomst.

Op 2 november 2006 sloot F. een exclusieve distributieovereenkomst met de NV I., zijnde een vennootschap opgericht en bestuurd door onder meer de heer F., gewezen werknemer van de NV A.B. Door middel van haar schrijven d.d. 3 november aan de NV A.B. deelde zij aan deze laatste mee geen bestellingen meer te zullen aanvaarden. Zij ging over tot rechtstreekse levering aan minstens één klant van de NV A.B., te weten P.

Deze feiten op zich volstaan om vast te stellen dat F., zoals A. en F. terecht aanvoeren, op 12 oktober 2006 eenzijdig en op abrupte wijze de overeenkomst heeft beëindigd.

A. kan zodoende krachtens artikel 2 van de concessiewet ten laste van F. aanspraak maken op een vervangende opzeggingsvergoeding en, voor zover de voorwaarden daartoe vervuld zijn, krachtens artikel 3 van diezelfde wet eveneens op een cliënteelvergoeding.

(…)

OM DEZE REDENEN:

HET HOF,

rechtdoende na tegenspraak.

(…)

Noot: 

Naeyaert, P., « Overdracht van de concessieovereenkomst », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 599-606

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 13:51
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 13:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.