-A +A

Verkoopconcessie van alleenverkoop beëindiging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 06/08/2013

De redelijke opzeggingstermijn bij de beëindiging van een concessie van alleenverkoop moet naar billijkheid worden bepaald.

Het doel van de wetgever bestond erin de concessiehouder “de nodige tijd te geven om zijn activiteiten te heroriënteren opdat de beëindiging van de concessie niet tot haar ondergang zou leiden.

Teneinde te voldoen aan het doel van de wet, moet de redelijke opzeggingstermijn de concessiehouder in staat stellen de verbintenissen die hij met derden is aangegaan na te komen en zich een netto-inkomen te verschaffen dat gelijkwaardig is aan het gederfde inkomen, desnoods door een volledige of gedeeltelijke reconversie van zijn activiteiten”.

De concessiehouder kan geen aanspraak maken op een opzeggingstermijn die hem in elk geval in staat stelt een andere concessie te vinden die gelijkwaardige gevolgen heeft als de verloren concessie, ongeacht de afloop van die zoektocht”.

De criteria die hoofdzakelijk in aanmerking genomen worden om de duur van de opzeggingstermijn te bepalen in de hypothese van een beëindiging van een concessieovereenkomst van onbepaalde duur zijn de volgende:

• de duur van de concessie ;
• de uitgestrektheid van het territorium waarop de concessie betrekking had;
• de gedane investeringen (in uitrustingen en gebouwen, publiciteit) voor de uitbating van de concessie;
• de marktbekendheid van het product;
• het aanleggen en onderhouden van voorraden;
• de geleverde na-verkoopservice;
• de weerslag van de beëindiging van de contractuele relaties op het geheel van de activiteiten van de concessiehouder;
• het aandeel van de opgezegde concessie in de activiteiten van de concessiehouder;
• het omzetcijfer en de bedrijfsresultaten met betrekking tot de producten die het voorwerp uitmaakten van de concessie.

Aangezien de opzeggingstermijn dient overeen te stemmen met de duur die nodig is voor de concessiehouder om zijn activiteiten te heroriënteren, is de duur van de concessieovereenkomst niet per se van (groot) belang om de duur van de opzeggingstermijn te bepalen. Het is immers niet omdat een concessieovereenkomst lang geduurd heeft dat de concessiehouder noodzakelijkerwijze meer tijd zal nodig hebben om zich te heroriënteren of met name een gelijke alternatieve bron van inkomsten te vinden, of om bepaalde vaste en niet-samendrukbare kosten te elimineren. Of dit al dan niet het geval is, dient in concreto beoordeeld te worden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
614
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(E.B. BVBA / E. GmbH - Rolnr.: 2012/AR/679)

Gelet op het vonnis dat op 13 februari 2012 werd uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

(…)

I. De feiten en de vorderingen van de partijen voor de eerste rechter
1. Het hof verwijst dienaangaande naar het bestreden vonnis.

II. De bestreden beslissing
2. Bij het bestreden vonnis werd:

de vordering van E.B. ontvankelijk doch ongegrond verklaard;
de tegenvordering van E. GmbH ontvankelijk doch ongegrond verklaard;
E.B. veroordeeld in de kosten.
III. De vorderingen van de partijen voor het hof
(…)

IV. Beoordeling
Het hoger beroep van E.B.
5. Er bestaat geen betwisting tussen partijen over het feit dat er tussen hen een overeenkomst gesloten werd in de zin van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna “de concessiewet”).

(…)

De gevorderde billijke vergoeding
8. Door de eerste rechter werd terecht geoordeeld dat in casu de overeenkomst tussen partijen niet werd opgezegd door E. GmbH omwille van een grove tekortkoming in hoofde van E.B.

Door de eerste rechter werd eveneens terecht overwogen dat gelet op artikel 6 van de concessiewet de in acht te nemen opzeggingstermijn niet contractueel kon worden vastgelegd vóór het einde van de overeenkomst waarbij de concessie werd verleend, en hierover derhalve slechts afspraken konden worden gemaakt bij of na de opzegging hiervan door E. GmbH.

9. Krachtens artikel 2 van de concessiewet diende E. GmbH de overeenkomst met E.B. te beëindigen mits een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door partijen zou worden bepaald bij de opzegging van de overeenkomst. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen doet de rechter uitspraak naar billijkheid, eventueel met inachtneming van de gebruiken.

E. GmbH heeft een opzeggingstermijn in acht genomen van 6 maanden, die een aanvang zou nemen op 1 juli 2010 om te eindigen op 31 december 2010.

E.B. betwist dat deze opzeggingstermijn toereikend was. Zij meent dat een opzeggingstermijn van 12 maanden had dienen gegeven te worden.

De redelijke opzeggingstermijn waarmee een voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop kan worden beëindigd, strekt ertoe de concessiehouder de nodige tijd te geven om zijn activiteiten te heroriënteren.

Het hof verwijst dienaangaande naar een arrest van het Hof van Cassatie d.d. 10 februari 2005 (JLMB 2005, 1440) waarin het Hof het volgende oordeelde betreffende een arrest dat gewezen werd door het hof van beroep te Brussel d.d. 21 maart 2003:

Overwegende dat het arrest, na te hebben vermeld dat de redelijke opzeggingstermijn naar billijkheid moet worden bepaald, oordeelt dat het doel van de wetgever erin bestond de concessiehouder “de nodige tijd te geven om zijn activiteiten te heroriënteren opdat de beëindiging van de concessie niet tot haar ondergang zou leiden; (dat), bijgevolg, teneinde te voldoen aan het doel van de wet, de redelijke opzeggingstermijn de concessiehouder in staat moet stellen de verbintenissen die hij met derden is aangegaan na te komen en zich een netto-inkomen te verschaffen dat gelijkwaardig is aan het gederfde inkomen, desnoods door een volledige of gedeeltelijke reconversie van zijn activiteiten” en dat “de concessiehouder geen aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn die hem in elk geval in staat stelt een andere concessie te vinden die gelijkwaardige gevolgen heeft als de verloren concessie, ongeacht de afloop van die zoektocht”.

Dat het arrest aldus geenszins aan artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 ramingregels of -criteria toevoegt waarin dit artikel niet voorziet, maar wel een juiste toepassing ervan maakt.

De criteria die hoofdzakelijk in aanmerking genomen worden om de duur van de opzeggingstermijn te bepalen in de hypothese van een beëindiging van een concessieovereenkomst van onbepaalde duur zijn de volgende:

de duur van de concessie (onder voorbehoud van hetgeen dienaangaande hieronder overwogen wordt);
de uitgestrektheid van het territorium waarop de concessie betrekking had;
de gedane investeringen (in uitrustingen en gebouwen, publiciteit) voor de uitbating van de concessie;
de marktbekendheid van het product;
het aanleggen en onderhouden van voorraden;
de geleverde na-verkoopservice;
de weerslag van de beëindiging van de contractuele relaties op het geheel van de activiteiten van de concessiehouder;
het aandeel van de opgezegde concessie in de activiteiten van de concessiehouder;
het omzetcijfer en de bedrijfsresultaten met betrekking tot de producten die het voorwerp uitmaakten van de concessie.
Aangezien de opzeggingstermijn dient overeen te stemmen met de duur die nodig is voor de concessiehouder om zijn activiteiten te heroriënteren, is de duur van de concessieovereenkomst niet per se van (groot) belang om de duur van de opzeggingstermijn te bepalen. Het is immers niet omdat een concessieovereenkomst lang geduurd heeft dat de concessiehouder noodzakelijkerwijze meer tijd zal nodig hebben om zich te heroriënteren of met name een gelijke alternatieve bron van inkomsten te vinden, of om bepaalde vaste en niet-samendrukbare kosten te elimineren. Of dit al dan niet het geval is, dient in concreto beoordeeld te worden.

In casu stelt het hof bij de toepassing in concreto (dit wil zeggen rekening houdend met de omstandigheden die eigen waren aan de handelsrelatie tussen partijen en dit zowel op het ogenblik van de opzegging van de concessieovereenkomst als daarna) van de criteria die in aanmerking komen voor de bepaling van een billijke opzeggingstermijn in de zin van artikel 2 van de concessiewet vast hetgeen volgt:

de duur van de concessie: 9 jaar; de eerste rechter oordeelde terecht dat voor de bepaling van de duur van de concessie als vertrekdatum de datum van oprichting van E.B. dient in aanmerking genomen te worden (met name 19 april 2001); het hof verwijst naar de overwegingen dienaangaande van de eerste rechter, die het tot de zijne maakt;
de uitgestrektheid van het territorium waarop de concessie betrekking had: België en Luxemburg;
de gedane investeringen (in bv. uitrustingen en gebouwen, publiciteit) voor de uitbating van de concessie: uit de jaarrekeningen van 2007 tot 2010 die door E.B. neergelegd werden, blijkt dat zij geïnvesteerd heeft in rollend materieel en meubilair, doch dat het beperkt investeringen betrof; de concessieovereenkomst verplichtte E.B. om alle voor de verkoop relevante documenten zoals briefpapier, prospectussen en ook de klantendienstvoertuigen van het embleem E. te voorzien;
de marktbekendheid van het product: er worden dienaangaande geen nuttige objectieve gegevens bewezen door E.B. doch E. GmbH betwist niet dat zij op haar website aanvoert dat zij een marktbepalende fabrikant is van snelloopdeuren;
de geleverde klantendienst: krachtens de concessieovereenkomst diende E.B. een klantendienst te leveren;
het aanleggen en onderhouden van voorraden: aan E.B. werden dienaangaande geen verplichtingen opgelegd;
het aandeel van de opgezegde concessie in de activiteiten van de concessiehouder en de weerslag van de beëindiging van de contractuele relaties op het geheel van de activiteiten van de concessiehouder: E.B. voert aan dat zij 100% van haar zakencijfer realiseerde aan de hand van de concessie; zij wordt hierin niet tegengesproken door E.B.; er wordt geen enkele informatie gegeven over de activiteiten die E.B. na de beëindiging van de opzeggingstermijn van 6 maanden die haar betekend was nog aan de dag heeft gelegd (er worden geen jaarrekeningen van na 2010 of andere stukken dienaangaande voorgebracht);
de brutomarge die E.B. realiseerde met betrekking tot de producten die het voorwerp uitmaakten van de concessie bedroegen volgens de door haar neergelegde jaarrekeningen:

in 2007: 382.775 EUR;
in 2008: 593.376 EUR;
in 2009: 343.832 EUR;
in 2010: 258.311 EUR.
E. GmbH voert terecht aan dat de omzet die gerealiseerd werd door E.B. in dalende lijn was.

Er wordt door E.B. niet bewezen hetgeen zij voorhoudt, met name dat E. GmbH na 28 juni 2010 alles in het werk zou gesteld hebben om (1) het personeel van E.B. ten onrechte te benaderen, (2) de verkoopdienst van E.B. te ontregelen, (3) over te gaan tot laattijdige leveringen, (4) ongepaste directe contacten te organiseren met klanten of, samengevat, de normale verdere uitvoering van de overeenkomst tijdens de opzeggingsperiode onmogelijk te maken, met als doel om het zakencijfer van E.B. naar beneden te halen.

E.B. toont niet aan dat zij na de opzegging van de concessieovereenkomst tussen partijen enige inspanning geleverd heeft of zelfs enig initiatief genomen heeft om haar activiteiten te heroriënteren. In strijd met hetgeen E.B. beweert, is dit wel degelijk relevant.

De overwegingen die door de eerste rechter in het bestreden vonnis gemaakt werden in verband met de opzeggingsvergoedingen die E.B aan de door haar ontslagen werknemers diende te betalen - overwegingen die het hof zich eigen maakt - zijn terecht.

Alle hiervoor besproken en relevante concrete omstandigheden in acht genomen, oordeelt het hof dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de concessieovereenkomst tussen partijen door E. GmbH kon beëindigd worden mits een opzeggingstermijn van 6 maanden, aangezien deze termijn in casu billijk en redelijk is.

De gevorderde billijke bijkomende vergoeding
10. E.B. maakt aanspraak op een cliënteelvergoeding, op de ontslagvergoedingen die zij diende te betalen wegens het ontslag van haar personeel en op vergoeding voor bepaalde kosten die door haar gemaakt werden.

De gevorderde cliënteelvergoeding
11. De feitenrechter oordeelt of er bij de beëindiging van de concessieovereenkomst al dan niet sprake is van een bekende meerwaarde aan cliënteel die de concessiehouder tijdens de duur van de concessie heeft opgebouwd en waarvan redelijk kan worden aangenomen dat zij de concessiegever zal verblijven.

Voor de raming van de cliënteelvergoeding mag de bodemrechter rekening houden met alle elementen waarvan hij kennis heeft op het ogenblik waarop hij zich uitspreekt, met name eveneens met de toestand van de concessiehouder na de beëindiging van de concessieovereenkomst (Cass. 7 april 2005, JLMB 2005, 1448).

De voorwaarden opdat E.B. aanspraak zou kunnen maken op een cliënteelvergoeding zijn de volgende:

een bekende meerwaarde aan cliënteel;
dat door E.B. is aangebracht;
en dat, na de beëindiging van de overeenkomst aan E. GmbH verbleven is.
E. GmbH legt een lijst neer van internationale bedrijven die reeds klant bij haar waren en die zij voor leveringen, plaatsingen en onderhoud doorverwezen heeft naar E.B. Het betreft onder meer Coca Cola, Audi, Mc Cain, Procter & Gamble, ABInbev.

E.B. kon dus van bij haar oprichting terugvallen op een sedert jaren bestaand cliënteel van E. GmbH, dat onder meer actief was in België.

In de hiervoor geschetste omstandigheden kan E.B. dan ook niet redelijk aanvoeren dat zij de hiervoor vermelde klanten zelf heeft aangebracht.

Wat de overige klanten betreft, bewijst E. niet, of maakt zij minstens niet aannemelijk, dat het (potentiële) klanten betreft die, zelfs indien ze daadwerkelijk door E.B. zouden zijn aangebracht (stukken 29c, 29d en 29i van E.B. betreffen enkel een offerte en geen bestelling), deze klanten aan E. GmbH verbleven zijn.

In die omstandigheden werd dan ook terecht door de eerste rechter geoordeeld dat E.B. geen aanspraak kan maken op een cliënteelvergoeding.

De gevorderde ontslagvergoedingen
12. Het hof stelt vast dat E.B. slechts op het einde van de opzeggingstermijn die haar door E. GmbH gegeven was, overgegaan is tot ontslagen met vrijstelling van prestaties en uitbetaling van ontslagvergoedingen.

E.B. is daarmee tot twee maal toe niet ingegaan op het voorstel van E. GmbH om personeelsleden over te nemen van E.B. teneinde de uitbetaling van ontslagvergoedingen te vermijden.

E.B., die zonder enige gegronde reden besliste niet in te gaan op dit voorstel, dient dan ook hoe dan ook zelf in te staan voor de ontslagvergoedingen die zij beweert uiteindelijk betaald te hebben.

De vordering van E.B. tot terugbetaling door E. GmbH van een aantal ontslagvergoedingen is ongegrond.

(…)

OM DEZE REDENEN:

HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,

(…)

Noot: 

Van Gompel, H., « De invloed van de houding van de opgezegde concessiehouder na diens opzegging op de duur van de redelijke opzeggingstermijn », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 620-622

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 14:06
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 14:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.