-A +A

Verkoopconcessie: kwalificatie en bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/09/2013

Onder een concessie van alleenverkoop in de zin van artikel 1van de concessiewet wordt verstaan iedere overeenkomst krachtens dewelke een concessiegever aan één of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hij zelf vervaardigt of verdeelt, binnen een bepaald gebied.

Krachtens artikel 2 van de concessiewet kan, behalve bij grove tekortkoming van een partij aan haar verplichtingen, een voor onbepaalde tijd verleende en aan deze wet onderworpen concessie niet worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding. In geval de verkoopconcessie, zoals bedoeld in artikel 2, door de concessiegever wordt beëindigd op andere gronden dan een grove tekortkoming van de concessiehouder, kan deze op grond van artikel 3 van de genoemde wet, bijkomend aanspraak maken op een billijke bijkomende vergoeding die geraamd wordt in functie van de bekende meerwaarde inzake cliënteel, de gemaakte kosten met het oog op de exploitatie van de concessie en het rouwgeld dat verschuldigd is aan het personeel.

Ofschoon deze vergoedingen betrekking hebben op andere soorten van schade, vloeien zij voort uit de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen van de beweerde concessiegever die gelokaliseerd worden op de plaats waar de concessieovereenkomst moet worden uitgevoerd, namelijk de verplichting om de overeenkomst niet te beëindigen zonder de inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn en de verplichting om de concessiehouder bij de beëindiging van de overeenkomst niet de vruchten te ontnemen van het door hem opgebouwde cliënteel en de door hem gedane investeringen (Cass. 25 maart 2010, C.09.0542.N, Richemont International / Colvi, www.cassatie.be).

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
559
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P. BVBA / D.E.L. vennootschap naar Frans recht - Rolnr.: 2012/AR/630)

(…)

I. De feiten
(…)

II. De vorderingen van de partijen voor de eerste rechter
(…)

III. De bestreden beslissing
(…)

IV. De vorderingen van de partijen voor het hof
(…)

V. Beoordeling
De bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken
6. D.E.L. betwist de bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken om kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

Zij verwijst naar het bevoegdheidsbeding dat volgens haar vervat is in haar factuurvoorwaarden en krachtens hetwelk de Franse rechtbanken bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van het geschil.

P. betwist de bewering van D.E.L. Zij voert aan dat zij nooit kennis genomen heeft van de factuurvoorwaarden van D.E.L. en dat, hoe dan ook, een concessieovereenkomst een kaderovereenkomst is die zich onderscheidt van achtereenvolgende koopovereenkomsten die in het kader van de concessieovereenkomst worden gesloten en van de verplichting van de concessiegever om aan de concessiehouder goederen te leveren, verplichting die rechtstreeks voortvloeit uit de concessieovereenkomst en er een essentieel bestanddeel van uitmaakt, zodat deze verplichting niet valt onder het toepassingsgebied van een bevoegdheidsbeding dat is opgenomen in de afzonderlijke koopovereenkomsten (cf. Cass. 22 december 2005, www.cassatie.be).

7. P. heeft D.E.L. gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Leuven.

De vraag naar de internationale bevoegdheid wordt uitsluitend bepaald door het recht van de aangezochte rechter of de lex fori (J. Laenens, “Internationaal privaatrechtelijk procesrecht en de bevoegdheidsovereenkomsten”, TPR 1982, 215-217), zijnde in dit geval het Belgisch recht.

Voor het bepalen van zijn internationale bevoegdheid dient de rechter in beginsel enkel uit te gaan van het feit en het voorwerp van de vordering, zoals zij door de eiser in zijn inleidende akte werden omschreven en verwoord. Het is hierbij niet noodzakelijk om voorafgaandelijk onder meer de juiste feitelijke gegevens en/of werkelijke juridische verhouding tussen partijen vast te stellen (cf. Cass. 13 juni 2003, www.cassatie.be).

In de inleidende dagvaarding voert P. aan dat partijen gebonden waren door een mondelinge exclusieve alleenverkoopovereenkomst van onbepaalde duur in de zin van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna “concessiewet”). Deze overeenkomst, die onder meer uitwerking had in België, werd op 16 november beëindigd. De vordering van P. zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding strekt ertoe om D.E.L. te horen veroordelen tot betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding en een vergoeding voor meerwaarde aan cliënteel.

Artikel 5, 1. van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna “EG-Verordening”), die in casu van toepassing is (de inleidende dagvaarding werd betekend op 8 februari 2007), bepaalt het volgende:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;”

Krachtens artikel 5, 1., a) en c) EG-Verordening kan de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag lag, was uitgevoerd of moest worden uitgevoerd.

De bewoordingen van voormeld artikel 5, 1., a) van de EG-Verordening “verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt”, bevestigen dat bij het onderzoek van de bevoegdheid niet eerst moet worden onderzocht of er wel sprake is van een overeenkomst in de zin van de concessiewet.

Krachtens artikel 2 van de concessiewet kan, behalve bij grove tekortkoming van een partij aan haar verplichtingen, een voor onbepaalde tijd verleende en aan deze wet onderworpen concessie niet worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding. In geval de verkoopconcessie, zoals bedoeld in artikel 2, door de concessiegever wordt beëindigd op andere gronden dan een grove tekortkoming van de concessiehouder, kan deze op grond van artikel 3 van de genoemde wet, bijkomend aanspraak maken op een billijke bijkomende vergoeding die geraamd wordt in functie van de bekende meerwaarde inzake cliënteel, de gemaakte kosten met het oog op de exploitatie van de concessie en het rouwgeld dat verschuldigd is aan het personeel.

Ofschoon deze vergoedingen betrekking hebben op andere soorten van schade, vloeien zij voort uit de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen van de beweerde concessiegever die gelokaliseerd worden op de plaats waar de concessieovereenkomst moet worden uitgevoerd, namelijk de verplichting om de overeenkomst niet te beëindigen zonder de inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn en de verplichting om de concessiehouder bij de beëindiging van de overeenkomst niet de vruchten te ontnemen van het door hem opgebouwde cliënteel en de door hem gedane investeringen (Cass. 25 maart 2010, C.09.0542.N, Richemont International / Colvi, www.cassatie.be).

Aangezien de verbintenissen die aan de vorderingen van P. ten grondslag lagen, onder meer dienden te worden uitgevoerd op het Belgische grondgebied, was de eerste rechter krachtens artikel 5, 1., a) en c) van de EG-Verordening internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van P.

Zelfs indien men zou aannemen dat de verplichting tot het betalen van een billijke bijkomende vergoeding een autonome verplichting is die moet worden uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van de beweerde concessiegever - in voorliggend geval deze van D.E.L. in Frankrijk -, zou het proceseconomisch niet verantwoord zijn om de behandeling van de door P. aanhangig gemaakte eisen te spreiden over twee rechtbanken. Ook in dat geval zou de economie van het procesrecht vereisen dat men het principe toepast dat de bijzaak de hoofdzaak volgt en dat de eis tot betaling van een billijke bijkomende vergoeding eveneens zou worden behandeld door de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de eis tot betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding, waarvan de eis tot betaling van een billijke bijkomende vergoeding een accessorium is.

8. Zoals reeds gesteld, dient de rechter voor het bepalen van zijn internationale bevoegdheid in beginsel enkel uit te gaan van het feit en het voorwerp van de vordering, zoals zij door de eiser in zijn inleidende akte werden omschreven en verwoord. Het is hierbij niet noodzakelijk om voorafgaandelijk onder meer de juiste feitelijke gegevens en/of werkelijke juridische verhouding tussen partijen vast te stellen.

P. roept het bestaan in van een overeenkomst in de zin van de concessiewet.

D.E.L. kan zich in casu niet nuttig beroepen op het forumbeding dat opgenomen is in haar algemene verkoopvoorwaarden om de internationale bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken te betwisten.

D.E.L. blijft in gebreke om te bewijzen dat het forumbeding dat opgenomen is in haar factuurvoorwaarden van toepassing was in het kader van de door P. ingeroepen mondelinge concessieovereenkomst of met andere woorden in de rechtsbetrekking die door P. wordt ingeroepen.

Het betrokken forumbeding kan hoogstens van toepassing geweest zijn op koop-verkoopovereenkomsten die tussen partijen gesloten werden.

Het onderzoek naar de juiste feitelijke gegevens en de werkelijke juridische verhouding tussen de partijen kadert in het onderzoek naar de grond van de betwisting tussen de partijen en niet in het onderzoek naar de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van het geschil tussen de partijen.

9. Het hof besluit dat de eerste rechter internationaal bevoegd was om kennis te nemen van al de vorderingen van P.

De grond van de zaak
10. Partijen zijn het erover eens dat hun handelsrelaties een aanvang namen in augustus 2003 en dat deze beëindigd werden in november 2010.

De vordering van P.
11. D.E.L. betwist hetgeen P. aanvoert, te weten dat er tussen partijen een overeenkomst bestond in de zin van de concessiewet.

12. Onder een concessie van alleenverkoop in de zin van artikel 1van de concessiewet wordt verstaan iedere overeenkomst krachtens dewelke een concessiegever aan één of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hij zelf vervaardigt of verdeelt, binnen een bepaald gebied.

Artikel 1, § 1 van de concessiewet bepaalt dat, niettegenstaande ieder strijdig beding, aan de bepalingen van deze wet zijn onderworpen:

de concessies van alleenverkoop;
de verkoopconcessies krachtens dewelke de concessiehouder nagenoeg alle producten waarop de overeenkomst slaat in het concessiegebied verkoopt;
de verkoopconcessies waarbij de concessiegever de concessiehouder belangrijke verplichtingen oplegt, die op strikte en bijzondere wijze aan de concessie gekoppeld zijn en waarvan de last zo zwaar is dat de concessiehouder groot nadeel zou lijden in geval van beëindiging van de concessie.
De bewijslast van het bestaan van een concessieovereenkomst rust op P.

Het hof onderzoekt hierna aan de hand van de neergelegde stukken de juiste feitelijke gegevens met betrekking tot het geschil dat partijen tegenstelt en de werkelijke juridische verhouding die er tussen hen bestond.

Er bestaat geen betwisting tussen partijen aangaande het feit dat P. met ingang van augustus 2003 sommige producten van D.E.L. verdeelde, onder meer op de Belgische markt.

Uit geen enkel stuk of element dat door P. bijgebracht wordt, blijkt echter dat aan P. dienaangaande “een recht werd voorbehouden” om in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die D.E.L. vervaardigde, binnen een bepaald gebied.

In strijd met hetgeen P. aanvoert, tonen de feitelijke omstandigheden die zij aanhaalt en de uitvoering die partijen aan hun handelsrelaties gaven, niet aan dat partijen de bedoeling hadden om samen te werken in het kader van een overeenkomst in de zin van de concessiewet. Hoewel zij bepaalde afspraken maakten in het kader van hun commerciële samenwerking, blijkt nergens uit dat zij specifieke afspraken maakten die een overeenkomst in de zin van de concessiewet kenmerken of dat er zich een feitelijke situatie voordeed die een dergelijke overeenkomst kenmerkt.

P. bewijst niet dat er haar bijzondere verplichtingen opgelegd werden die doorgaans door een concessiegever opgelegd worden aan een concessienemer, zoals het doen van investeringen met het oog op de uitbating van de concessie, het aanleggen van een voorraad, het verschaffen van een dienst na verkoop, het volgen van scholingen/opleidingen of het maken van publiciteitskosten.

Het feit dat er streefdoelen werden afgesproken aangaande een verkoopcijfer wijst niet noodzakelijk op het bestaan van een overeenkomst in de zin van de concessiewet. In casu blijkt uit stuk 3 van P. dat er enkel een zakencijfer werd afgesproken in het kader van een bonificatiesysteem (dat bestond in het verlenen van kortingen) ten gunste van P. dat door D.E.L. zou toegepast worden. Het ging geenszins om een verkoopquotum dat eenzijdig opgelegd werd door D.E.L. aan P.

Dat P. in een e-mail van 14 augustus 2003 en daaropvolgende e-mails door D.E.L. werd omschreven als haar “exclusieve distributeur”, en dat zij de producten die zij afnam van D.E.L. verkocht in eigen naam en voor eigen rekening, hetgeen impliceert dat zij het risico droeg van de niet-betaling van haar facturen, of nog dat zij de producten van D.E.L. op eigen initiatief opnam in haar catalogus bestemd voor haar cliënteel, doet niets af aan de voormelde vaststellingen.

Dat het op enig ogenblik de bedoeling van de partijen was om een overeenkomst in de zin van de concessiewet in het leven roepen, wordt niet bewezen of zelfs maar aannemelijk gemaakt.

13. Het hof besluit dat P. in gebreke blijft om te bewijzen dat er op enig ogenblik tussen partijen een overeenkomst bestond in de zin van de concessiewet. Tussen partijen bestonden louter opeenvolgende koop-verkoopovereenkomsten, weze het dat er ter stimulatie van de verkoop door P. een bonificatiesysteem werd gehanteerd door D.E.L. ten gunste van P. in de hypothese dat een bepaalde omzet in de verkoop gerealiseerd werd.

De vordering van P. is dan ook ongegrond.

(…)

OM DEZE REDEN

HET HOF,

rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

(…)

Noot: 

Vermeersch, C. en Hansebout, A., « Ceci n'est pas une concession de vente », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 565-568

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 09:26
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 09:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.