-A +A

Verkoop van onroerend goed van vennootschap komt toe aan bestuursorgaan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 17/01/2013
A.R.: 
 A/12/0472

Inzake de verkoop van een onroerend goed van de vennootschap ( ook al is dit het enige noemenswaardige actief of vermogensbestanddeel) blijven de algemene bevoegdheidsregels gelden: dit houdt in dat de beslissing tot verkoop van het onroerend patrimonium toekomt aan het bestuursorgaan (zie o.a.: D. MEULEMANS, Het sluiten van vastgoedcontracten door een vennootschap of vereniging, Larcier, 2009, 57, nr. 48; C. CLOTTENS, noot onder Antwerpen 2 maart 2006, TRV 2007, (197), 197, nr. 2; K. GEENS, M. DENEF, F. HELLEMANS, R. TAS en J. V ANAROYE, "Overzicht van rechtspraak: vennootschappen (1992-1998)", TPR 2000, 275, nr. 219).

Het optreden van de vennootschap door haar orgaan van bestuur en vertegenwoordiging ter gelegenheid van de ondertekening van de notariële akte waaruit blijkt dat de vennootschap alsdan vertegenwoordigd werd door haar beheerraad) volstaat in beginsel zelfs voor de rechtsgeldigheid van de verkoop.

De Vennootschappenwet voorziet trouwens geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de algemene vergadering, zodat de algemene en onbeperkte vertegenwoordigingsmacht exclusief toekomt aan het orgaan van bestuur en vertegenwoordiging en geen plaats bestaat voor parallelle uitoefening van bevoegdheden.
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2013/108
Pagina: 
424
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

(NV E.S / CVBA S.M. e.a.)

[ ... ]

3. Samenvatting van de retroacten, de achtergrond van het geschil en van de standpunten van partijen

[ ... ]

3.2. Samengeval komt het er op neer dat eiseres, die aandeelhouder is van verweerster (na aankoop van het aandelenpakket - 162 aandelen - van brouwerij Huyghe) de nietigverklaring beoogt van een aantal beslissingen van de algemene vergadering van verweerster, waarbij deze laatste overging tot de verkoop van een haar in eigendom toebehorend onroerend goed (feestzaal), waarin de plaatselijke harmonie, c.q. het lokaal verenigingsleven samenkwam.

Voornoemd onroerend goed paalt aan een onroerend goed dat in eigendom toebehoort aan eiseres, die zodoende ook geïnteresseerd bleek te zijn om zelf de eigendom te verwerven van het litigieuze onroerend goed.

In die zin had eiseres overigens ook haar interesse laten blijken bij de notaris die gelast was met de verkoop.

Eiseres stelt in dat verband nog dat:

- zij nooit opgeroepen werd (c.q. geen aangetekend schrijven of formele uitnodiging ontvangen heeft) voor de vergaderingen van 7 mei 2007 en 24 oktober 2007 en zodoende wetens en willens buiten spel gezet werd (en zij ook nooit de gelegenheid kreeg om zelf een bod onder gesloten omslag te doen);

- hoe dan ook beraadslaagd werd omtrent een aangelegenheid die niet geagendeerd was (aangezien geen agenda werd medegedeeld);

- het feit dat de vergaderingen plaats vonden in het aanpalend gebouw niet impliceert dat zij constant op de loer dient te liggen en alle bewegingen dient te registreren om haar belangen (als vennoot en kandidaat-koper) te vrijwaren;

- verweerster de bewijslast poogt om te keren;

 

- indien zij aanwezig had kunnen zijn minstens omtrent de prijs een debat had kunnen plaatsvinden, hetgeen tot gevolg zou hebben gehad dat minstens de omvang van de prijs voorwerp van discussie zou zijn geweest (hetgeen ook een weerslag zou hebben op de individuele vennoten, o.a. in het kader van het vereffeningssaldo dat zij ontvangen);

- sprake zou zijn van een heimelijke verkoop van het litigieuze onroerend goed op diverse niveaus ( en van een rechtstreekse en doelbewuste aantasting van het vennootschapsbelang, meer bepaald de realisatie van het actief aan een zo hoog mogelijke prijs), terwijl de aangewende kunstgrepen getuigen van bedrog zowel in hoofde van verkoper als koper;

- ook de notaris CT ean Van der Bracht) weigerde medewerking te verlenen en geen enkele relevante informatie verstrekte;

- ook geen beslissing wordt verstrekt van de raad van bestuur ( orgaan dat volgens verweerster bevoegd is ex art. 20 van de statuten) op grond waarvan beslist zou zijn tot de verkoop;

- de authentieke verkoopsakte d.d. 27 februari 2008 verleden werd ondanks haar protest tegen de onderhandse overeenkomst d.d. 28 november 2007;

- sprake is van een nietige verkoop, wegens schendingen van de Vennootschappenwet en van de statuten;

- door een openbare verkoop uit te sluiten het spel van vraag en aanbod niet mogelijk gemaakt werd;

- de door verweerster doorgevoerde "regularisatie" niet mogelijk is om te ontkomen aan de onregelmatigheden/nietigheden, terwijl deze poging tot herstel (d.d. 19 december 2009) bovendien dateert van een jaar na het verlijden van de authentieke akte d.d. 27 februari 2008;

- ook de betrokken koop/verkoop nietig is, omwille van het feit dat er een wilsgebrek voorhanden was bij het sluiten van de overeenkomst, c.q. de vennootschap (verweerster) nooit - rechtsgeldig - haar toestemming heeft kunnen geven;

- bovendien sprake is van bedrog (wilsgebrek), dat aanleiding kan geven tot nietigheid van de verkoop ex artikel 1116 BW;

- zij geenszins een loutere "derde" is ten aanzien van de litigieuze koop/verkoop, aangezien zij vennoot is van de verkoper.

Verweerster, die inmiddels in vereffening is gegaan, repliceert in dat verband dat:

- de bevoegdheid in kwestie tot het afsluiten van de koop/verkoop behoort tot de bevoegdheden van de raad van bestuur ( de "beheerraad", die volheid van bevoegdheden heeft) conform artikel 20 van de statuten, zodat het zelfs niet nodig was een algemene vergadering te beleggen omtrent de (voorgenomen) verkoop, derwijze dat de vordering zonder voorwerp is;

- het na verloop van jaren financieel onhoudbaar geworden was om de werking van de zaal ( die bovendien ook oud en versleten was en toe was aan renovatie) te behouden, zodat geopteerd werd om over te gaan tot ontbinding van de vennootschap;

- de aangevochten verkoop van het lokaal (realisatie actief) kadert in voormelde beslissmg;

- voor de bewuste verkoop weinig geïnteresseerden waren;

- eiseres meestemde met de ontbinding van de vennootschap en de aanstelling van een vereffenaar ( ter zake bestond zelfs unanimiteit);

- geen sprake is van nietigheid van de beslissing van haar algemene vergadering, nu eiseres wel degelijk werd opgeroepen en een aangetekende oproeping niet nodig was conform de statuten (terwijl een oproeping zelfs niet nodig zou zijn, zoals het verleden reeds had aangetoond mede om reden dat de jaarvergadering van rechtswege gehouden werd elke eerste maandag van mei);

- de vordering laattijdig is inzake de nietigverklaring van de algemene vergadering van 7 mei 2007;

- eiseres geenszins aantoont dat de onregelmatigheid het besluit zou hebben kunnen beïnvloeden (cf. de "invloed test", die geen louter mathematische oefening inhoudt);

- de argumentatie van eiseres inzake belangenvermenging niet opgaat, nu zijzelf ook aandeelhouder is van verweerster de bekrachtiging van de litigieuze verkoop goedgekeurd werd door iedereen, behalve door eiseres (algemene vergadering d.d. 17 december 2009, geldend als regulariserend besluit);

- artikel 178 W.Venn. (dat handelt over de nietigverklaring van de beslissing van de algemene vergadering van een vennootschap) geenszins de bevoegdheid verleent aan de rechtbank van koophandel om individuele rechtshandelingen van de vennootschap nietig te verklaren;

- eiseres ook geen partij is bij de door haar aangevochten verkoop (cf. art. 1165 BW);

- een koopovereenkomst die behept is met wilsgebreken ( dwaling, bedrog of geweld) nooit van rechtswege nietig is;

- het niet aan de rechtbank toekomt om zich in de plaats te stellen van de vennootschapsorganen (art. 186 en 187 W.Venn. regelen de bevoegdheden van de vereffenaars) en in dier plaats een beslissing te nemen inzake de verkoop van het onroerend goed, zodanig dat de vordering tot het bevelen van de openbare verkoop van het litigieuze onroerend goed hoe dan ook ongegrond is, voor het geval de bestreden beslissingen d.d. 7 mei 2007 en 24 oktober 2007 nietig zouden worden verklaard.

Eiseres is voorts overgegaan tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van de kopers van het litigieuze onroerend goed, nu zij ook de nietigverklaring vordert van de betwiste verkoop.

Verweerders in gedwongen tussenkomst (zoals aangehaald, de kopers van het litigieuze onroerend goed) vorderen op hun beurt de veroordeling van eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Zij concluderen voorts nog dat:

- eiseres wel degelijk in kennis was gesteld van de verkoop van het litigieuze onroerend goed, zeker gelet op het feit dat de aangelanden werden aangeschreven door notaris Van der Bracht;

- eiseres geen bod heeft uitgebracht, wellicht met de bedoeling de minimumprijs van 50.000 EUR nog te doen zakken;

- eiseres (als derde) geen hoedanigheid noch belang heeft tot het vorderen van de nietigverklaring van de koop/verkoopovereenkomst (aangezien een overeenkomst waarbij de geldige toestemming van één der partijen ontbreekt slechts kan leiden tot relatieve nietigheid);

- het feit dat eiseres mede-aandeelhouder is van verweerster (162 aandelen in totaal) haar nog niet tot mede-eigenaar zou maken van het verkochte goed;

- eiseres, in haar hoedanigheid van aandeelhouder, slechts een vorderingsrecht heeft lastens verweerster aangaande een nietigverklaring van de beslissing van de algemene vergadering als verkopende partij, vordering die evenwel integraal los staat van de kopers,

- een relatieve nietigheid bovendien ook kan bevestigd worden, hetgeen gebeurd is met de beslissing van de bijzondere algemene vergadering van 17 december 2009, waarop eiseres eveneens aanwezig was;

- minstens toepassing moet gemaakt van artikel 180 W.Venn., hun goede trouw.

4. Beoordeling

[ ... ]

4.2. De vraag naar de eventuele nietigheid van de beslissing van de algemene vergadering van verweerster d.d. 7 mei 2007 is slechts aan de orde, nadat de rechtbank zich heeft uitgesproken over de bekrachtigingsbeslissing vanwege de door verweerster opnieuw op datum van 18 oktober 2008 bijeengeroepen algemene vergadering.

Op voormelde algemene vergadering was eiseres ontegensprekelijk uitgenodigd (zie stuk 12 bundel eiseres: uitnodigingsbrief d.d. 24 november 2009) en overigens ook aanwezig.

Is deze beslissing geldig, dan geldt deze beslissing als volwaardig surrogaat, c.q. als rechtsgeldig regularisatiebesluit ter vervanging van het eerdere besluit d.d., 7 mei 2007.

Een regularisatie - door herhaling - is in principe immers mogelijk inzake alle (vernietigbare) besluiten van de algemene vergadering: hierbij vervangt een algemene vergadering een eerder genomen besluit - waarvan zij de rechtskracht betwijfelt - door een nieuw besluit.

 

De inhoud van een dergelijk nieuw besluit kan er zich toe beperken vast te stellen dat de algemene vergadering op een bepaalde datum een bepaald besluit genomen heeft waarbij dit eerder genomen besluit dan wordt bekrachtigd. Juridisch gezien, neemt de algemene vergadering echter een nieuw besluit dat retroactief intreedt, meer bepaald op datum van het eerder genomen besluit, dat op zijn beurt niet meer aangevochten kan worden, vermits het vervangen is door een geldig besluit.

De regularisatie door herhaling van een vernietigbaar besluit is in principe enkel mogelijk zolang geen vordering werd ingesteld tot nietigverklaring van het te regulariseren besluit: wanneer een vordering tot nietigverklaring van een besluit wordt ingesteld, moet de rechter om de gegrondheid ervan te beoordelen zich immers in principe stellen op het moment van de inleiding van deze vordering. Indien de grond tot nietigverklaring op het moment van het instellen van de vordering niet is weggenomen, dient de rechter de nietigheid die hij vaststelt, uit te spreken.

De ratificatiebeslissing was dus niet mogelijk, zoals eiseres terecht laat opmerken in haar conclusies. De bewuste beslissing werd slechts genomen nadat eiseres de dagvaarding in nietigverklaring had uitgebracht. Het bewuste regularisatiebesluit mist dan ook zijn doel en kan de beslissing van 7 mei 2007 niet meer vervangen en - a fortiori - ook niet remediëren aan eventuele tekortkomingen of vormgebreken waarmee dit besluit zou zijn behept.

4.3. Vandaar dat de rechtbank zich dient te buigen over de nietigheidsvordering tegen de gewraakte besluiten van de algemene vergaderingen van verweerster, gehouden op resp. 7 mei 2007 en 24 oktober 2007.

Eiseres is gegriefd doordat zij, naar eigen zeggen, niet uitgenodigd werd op beide voormelde algemene vergaderingen.

Het lijkt moeilijk betwistbaar dat eiseres geen oproeping heeft ontvangen, althans ligt hiervan geen enkel bewijs voor.

De statuten bepalen in artikel 15 dat de algemene vergadering van rechtswege vergadert zonder voorafgaande bijeenroeping, op de maatschappelijke zetel, de eerste maal in negentienhonderd twee en tachtig, de eerste maandag van mei, om 19 uur.

Aangenomen dat er een van artikel 3 83 W.V enn. afwijkende statutaire regeling overeengekomen werd (hetgeen mogelijk is voor een CVBA, zoals verweerster), in die zin dat geen aangetekende schriftelijke uitnodiging vereist is, dient opgemerkt dat verweerster alleszins de bewijslast heeft van het gegeven dat zij de oproepingsformaliteiten heeft vervuld.

De wet zegt nergens dat de vennootschap de ontvangst moet bewijzen. De wet bepaalt alleen dat de vennootschap de oproeping moet doen. Daaruit mag men inderdaad afleiden dat het de vennootschap is die moet bewijzen de oproeping te hebben gedaan met gebruikmaking van de door de wet voorgeschreven middelen, zoals bijv. een aangetekende brief (zie o.a.: N. COOREMAN en H. DE WULF, "Nietigheid van beslissingen van een algemene vergadering: perikelen rond het bewijs van de aanvang van de oproepingstermijn voor de vergadering", noot onder Brussel 5 mei 2010, TBH 2012, (48), 57).

Dat er in het verleden steeds zonder oproeping zou zijn vergaderd doet geen afbreuk aan de principiële oproepingsplicht vanwege verweerster.

Alleszins faalt verweerster in het rechtens vereiste bewijs dat eiseres werd opgeroepen.

De door verweerster aangehaalde elementen (dat Oordegem een kleine dorpsgemeenschap is waar dit soort "evenementen" wordt verspreid door het openbaar gerucht, dat de ruime opkomst bewijst dat iedereen opgeroepen werd en dat de vergadering plaatsvond in een gebouw dat paalt aan het bedrijfsgebouw van eiseres) maken geen gewichtige vermoedens uit die de gevolgtrekking inzake het tegendeel zouden wettigen.

Een onbestaande of gebrekkige oproeping is een vormelijke onregelmatigheid in de zin van artikel 64, 1 ° W.Venn.

Dergelijke onregelmatigheid is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om de nietigheidsvordering te doen slagen, aangezien geen bedrieglijk opzet aangetoond wordt.

Vandaar is bijkomend vereist dat de begane onregelmatigheid het gewraakte besluit heeft kunnen beïnvloeden.

 

Hoewel de vereiste van beïnvloeding van het gewraakte besluit (waarvan de nietigheid wordt beoogd) niet louter mathematisch - in termen van stemrechten - kan gezien worden, kan de rechtbank niet buitende vaststelling dat:

- de naderhand op dit specifieke punt opnieuw gehouden algemene vergadering (ter bekrachtiging van de eerder genomen beslissing en ter eventuele vervanging hiervan) met overgrote meerderheid heeft gestemd voor de verkoop van het litigieuze onroerend goed (hierbij wenst de rechtbank volledigheidshalve aan te halen dat het gegeven dat het "regularisatiebesluit" haar doel mist - zie supra - niet belet dat het bestaan van deze beslissing als feitelijk gegeven in overweging kan genomen worden ter beoordeling van de beïnvloeding van de gewraakte beslissing omwille van de onregelmatigheid);

- er duidelijk gewettigde redenen waren om te opteren voor deze verkoop, gelet op de noodzakelijke vereffening (beslissing die trouwens ook de steun van eiseres zelf wegdroeg).

Van een misbruik van meerderheid kan al evenmin sprake zijn: dit vereist rechtsmisbruik, waarbij private belangen (meestal van de meerderheidsaandeelhouder) worden opgeofferd aan het vennootschapsbelang door bevoegdheidsafwending, hetgeen hier evenwel niet afdoende is aangetoond.

De door eiseres aangehaalde "belangenvermenging" levert geen rechtsgrond op tot nietigverklaring, nu er niet verkocht werd aan een bestuurder (terwijl voor de CVBA zelfs geen specifieke wettelijke regeling is uitgewerkt inzake belangenconflicten). Ondanks bepaalde pleidooien in dat verband in de rechtsleer (waar geopteerd wordt voor een ingreep in het stemrecht, bv. in de vorm van een stemverbod/verbod tot deelname aan de algemene vergadering voor de aandeelhouder met een strijdig belang: zie o.a, Ph. ERNST, Belangenconflicten in naamloze vennootschappen, Intersentia, 1997, 920-1082) vindt de belangenconflictregeling geen toepassing op de algemene vergadering.

Bijgevolg wordt de nietigheidsvordering op voormelde gronden afgewezen.

4.4. Daarnaast en niet in het minst dient nog overwogen dat het bestuursorgaan (ingevolge artikel 3 78 W.V enn, wordt de CVBA bestuurd door één of meer bestuurders - al dan niet vennoten - die benoemd worden door de algemene vergadering) in beginsel de bevoegdheid heeft om een onroerend goed dat eigendom is van de vennootschap te verkopen.

Het orgaan van bestuur heeft in de regel immers de residuaire bevoegdheid.

Inzake de verkoop van een onroerend goed van de vennootschap ( ook al is dit het enige noemenswaardige actief of vermogensbestanddeel) blijven de algemene bevoegdheidsregels gelden: dit houdt in dat de beslissing tot verkoop van het onroerend patrimonium toekomt aan het bestuursorgaan (zie o.a.: D. MEULEMANS, Het sluiten van vastgoedcontracten door een vennootschap of vereniging, Larcier, 2009, 57, nr. 48; C. CLOTTENS, noot onder Antwerpen 2 maart 2006, TRV 2007, (197), 197, nr. 2; K. GEENS, M. DENEF, F. HELLEMANS, R. TAS en J. V ANAROYE, "Overzicht van rechtspraak: vennootschappen (1992-1998)", TPR 2000, 275, nr. 219). Hierbij dient, anders dan wat eiseres beweert in conclusies, gesteld te worden dat de verkoop van zelfs het gehele vennootschapspatrimonium niet onverkort gelijkgesteld kan worden met virtuele ontbinding van de vennootschap, aangezien bv. een herinvestering of wederbelegging mogelijk blijft.

Overigens is naderhand, bij afzonderlijke beslissing van de algemene vergadering, wel degelijk een formeel ontbindingsbesluit genomen, hetwelk de vrijwillige invereffeningstelling van verweerster tot gevolg had.

Het optreden van verweerster door haar orgaan van bestuur en vertegenwoordiging ter gelegenheid van de ondertekening van de notariële transportakte d.d, 27 februari 2008 (zie stuk 8 bundel verweerster, waaruit blijkt dat verweerster alsdan vertegenwoordigd werd door haar beheerraad) volstond in beginsel zelfs voor de rechtsgeldigheid van de verkoop. De Vennootschappenwet voorziet trouwens geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de algemene vergadering, zodat de algemene en onbeperkte vertegenwoordigingsmacht exclusief toekomt aan het orgaan van bestuur en vertegenwoordiging en geen plaats bestaat voor parallelle uitoefening van bevoegdheden.

Strikt gezien zou men zelfs kunnen stellen dat de beslissing van de algemene vergadering van verweerster ( thans in vereffening) genomen werd met overschrijding van bevoegdheid, zodat deze beslissing slechts rechtsgevolgen kon hebben mits deze werd bekrachtigd en vervolgens uitgevoerd door het bestuursorgaan (vgl. Antwerpen 2 maart 2006, TRV2007, 192).

Ten onrechte meent eiseres enig middel of argument te kunnen putten uit het feit dat er geen verslag voorhanden zou zijn waaruit de beslissing zou blijken van de raad van bestuur ("beheerraad") over te gaan tot de litigieuze verkoop. Schriftelijke verslaggeving of notulen zijn immers geen vereisten ad validitatem van de besluiten die genomen zijn tijdens de vergadering of bijeenkomst van het orgaan of de instantie wiens beslissing (naderhand) in vraag gesteld wordt. De overlegging van het proces-verbaal van de vergadering (de eigenlijke "notulen") is bovendien niet de enige manier om het bewijs van een feit (dus van een beraadslaging) te leveren dat zich tijdens die vergadering heeft voorgedaan, terwijl ook het Wetboek van Vennootschappen nergens in een specifieke regeling voorziet inzake het bewijs van beslissingen en beraadslagingen van vennootschapsorganen (vgl. R. TAS en A. STEENO, "Bewijsproblemen in het vennootschapsrecht", in Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, die Keure 2009, 166, nr. 12). Ook dient opgemerkt dat het ontbreken van notulen ipso facto niet de (automatische) nietigheid oplevert van het besluit (B. TILLEMAN, Bestuur van vennootschappen, Biblo, 1996, 484, nr. 869).

Indien eiseres zich al gegriefd zou hebben gevoeld door de litigieuze verkoop, dan rest(te) haar in voorkomend geval slechts een actio mandati in te stellen, mits zij al zou voldoen aan de voorwaarden hiertoe.

4.5. Eiseres vordert tevens de nietigverklaring van de koop/verkoop, ingevolge akte verleden voor notaris Jean Van der Bracht op 27 februari 2008.

Eiseres heeft deze eis gekantmeld, zoals blijkt uit haar stukken (zie stuk II van het bundel van eiseres).

De vaststelling dat de nietigheidsvordering van eiseres faalt (terwijl de raad van bestuur in beginsel bevoegd was tot het aangaan van de koop/verkoopovereenkomst: zie hoger randnummer 4.4.) noopt tot de gevolgtrekking dat de gewraakte koop/verkoop stand houdt.

Bijgevolg bestaat er ook geen enkele reden om in te gaan op de vordering van eiseres ertoe strekkende te laten zeggen voorecht dat een nieuwe procedure van (openbare) verkoop dient te geschieden.

Wat de door eiseres gevorderde nietigverklaring betreft van de betrokken koop/verkoop, dient er tenslotte nog op gewezen te worden dat, aangezien eiseres geen partij was bij deze overeenkomst (eiseres vereenzelvigt zich als loutere aandeelhouder geenszins met de vennootschap, c.q. verweerster en heeft als zodanig geen zakelijke rechten of beschikkingsrechten op het vennootschapsactief), zij zelfs geen titularis is van enige nietigheidsvordering, nu geenszins wordt aangetoond dat er sprake zou zijn van een miskenning van een regel van openbare orde of een voorschrift dat gesanctioneerd wordt middels absolute nietigheid.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres beweert in conclusies, is zij wel degelijk als "derde" te beschouwen ten aanzien van de bewuste koop/verkoop. Bijgevolg kan eiseres ook geen gewag maken van wilsgebreken (bedrog) aangezien haar "wil" zelfs niet in bet geding was bij de bewuste koop/verkoopovereenkomst.

Inzake de gevorderde nietigverklaring van de "notariële akte" dient nog overwogen dat, wat de akte zelf betreft (d.w.z. het instrumentum, gezien het negotium zijn neerslag vindt in de onderhandse overeenkomst of zgn. compromis, waaromtrent kan verwezen worden naar voorgaande alinea), van nietigheid slechts sprake kan zijn, indien de bepalingen van de Ventêsewet (Wet op het notarisambt) zouden geschonden zijn, hetgeen niet het geval is en overigens zelfs niet wordt aangevoerd door eiseres.

[ ... ]

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 26/06/2016 - 10:16
Laatst aangepast op: zo, 26/06/2016 - 10:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.