-A +A

Verkoop te goeder trouw van gestolen voertuig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Veurne
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/10/2015
A.R.: 
C.08.0183.N

Art. 1116 BW bepaalt dat bedrog een oorzaak is van nietigheid van de overeenkomst wanneer de kunstgrepen, door een van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Bedrog wordt niet vermoed, het moet worden bewezen.

Art. 1110, eerste lid BW bepaalt dat dwaling alleen dan een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst is, wanneer zij de zelfstandigheid van de zaak betreft die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.

Dwaling over de zelfstandigheid van de zaak moet worden beoordeeld op het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst. Als later bijzondere eigenschappen van de zaak aan het licht komen waarvan de partijen geen enkel vermoeden hadden en die aan iedereen onbekend waren, gaat het om toekomstige omstandigheden die in het leerstuk van dwaling buiten beschouwing blijven en geen weerslag hebben op de beoordeling van de geldigheid van de overeenkomst.

Art. 1641 BW bepaalt dat de verkoper gehouden is tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

Een gebrek in de zaak is niet het gevolg van het recht van een derde, maar schuilt in de afwezigheid van een of andere hoedanigheid in de zaak zelf die haar ongeschikt maakt voor haar gebruik.

Art. 1626 BW bepaalt dat de verkoper van rechtswege verplicht is de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven.

De vrijwaring voor uitwinning is enkel verschuldigd wegens rechtsstoornis. Feitelijke stoornis door derden geeft geen aanleiding tot vrijwaring.

De beslaglegging door de onderzoeksrechter of andere gerechtelijke overheden op voertuigen die vermoedelijk voortkomen van diefstal en vooralsnog worden behandeld als overtuigingsstukken in afwachting van de beslissing van de rechter over de zaak zelf, is in principe te beschouwen als een daad van de overheid en als een feitelijke stoornis.

Indien de wet zelf de koper voldoende middelen ter hand stelt om de stoornis af te weren, gaat het wel degelijk om een feitelijke stoornis en is er geen reden tot vrijwaring, tenzij de stoornis te wijten is aan de verkoper. Het is dus niet voldoende dat de overheid bij de bezitter te goeder trouw van een verloren of gestolen zaak beslag heeft gelegd, opdat hij de vrijwaring wegens uitwinning zou kunnen inroepen jegens zijn verkoper. Zolang de zaak niet door de verus dominus (vrije vertaling: werkelijke eigenaar) wordt gerevindiceerd (d.i. teruggevorderd), geldt het bezit als titel van eigendom tegenover iedereen en is de koper voldoende beschermd. Uiteraard is de revindicatie van de verus dominus of van wie zich als zodanig voordoet, een rechtsstoornis, zelfs als ze volkomen ongegrond is. De overheid treedt echter niet op als verus dominus .

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1312
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W.J. t/ BVBA B.M. e.a.

I. Procedure

De zaak werd op verzoek van de h. W.J. op 6 maart 2014 ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan BVBA B.M.

Op 14 april 2014 ging

BVBA

B.M. over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de h. A.T. en mevr. M.M.
Op 11 juli 2014 gingen de h. A.T. en mevr. M.M. over tot dagvaarding van de h. F.A.

...

II. In feite

1. De h. W.J. uit Nederland, die handel drijft onder de benaming “Autobedrijf W.J.”, kocht op 25 juni 2013 een geaccidenteerde personenwagen BMW 320 I bij BVBA B.M. De koop werd gesloten tegen de prijs van 14.800 euro.

BVBA B.M. had dat voertuig eerder in de maand juni 2013 via het Informex-systeem aangekocht bij de h. A.T. en mevr. M.M., die het voertuig te koop aanboden nadat het bij een ongeval beschadigd werd. Uit de gegevens van DIV blijkt dat de h. A.T. het voertuig in september 2011 had ingeschreven in België.

De h. A.T. en mevr. M.M. hadden het voertuig op hun beurt op 3 augustus 2011 aangekocht bij de h. F.A. in Duitsland tegen de som van 22.700 euro.

2. Toen de h. W.J. het aangekochte voertuig op 3 juli 2013 in Schiedam (Nederland) bij het keuringsstation van de Rijksdienst voor Wegverkeer aanbood, werd het in beslag genomen door de Nederlandse politie. De auto bleek geseind op verzoek van de overheden van Roemenië, met verwijzing naar het misdrijf van misbruik van vertrouwen.

Er volgde een e-mailcorrespondentie tussen de h. W.J. en BVBA B.M.

Op 6 augustus 2013 kreeg de h. W.J. het voertuig terug uit handen van de Nederlandse politie. Uit een attest dat het keuringsstation te Schiedam op 14 februari 2014 opmaakte, blijkt dat het voertuig op dat ogenblik in Nederland niet kon worden ingeschreven “i.v.m. de status gestolen”.

3. De h. W.J. heeft een “beklag” in verband met het inbeslaggenomen voorwerp ingediend bij de Rechtbank Rotterdam (Sector Strafrecht), op grond van art. 552a van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Uit een oproepingsbrief blijkt dat dit “beklag” voor de rechtbank zou worden behandeld op 18 december 2013.

4. Er volgde begin 2014 een briefwisseling tussen de advocaten van de h. W.J. en BVBA B.M.

Aangezien de beide partijen op hun standpunt bleven, ging de h. W.J. op 6 maart 2014 over tot dagvaardiging.

...

III. In rechte

...

B. Vordering van de h. W.J. tegen BVBA B.M.

a) Nietigverklaring van de koopovereenkomst

2. De h. W.J. vordert dat de koopovereenkomst die hij op 25 juni 2013 met BVBA B.M. sloot, nietig wordt verklaard wegens bedrog in de zin van art. 116 BW en/of dwaling in de zin van art. 1110 BW.

3. Art. 1116 BW bepaalt dat bedrog een oorzaak is van nietigheid van de overeenkomst wanneer de kunstgrepen, door een van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Bedrog wordt niet vermoed, het moet worden bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de h. W.J. in deze zaak niet bewijst dat BVBA B.M. bij de contractsluiting kunstgrepen heeft aangewend en hem bewust heeft doen dwalen. Meer bepaald bewijst hij niet dat (de zaakvoerders van) BVBA B.M. wist(en) dat het te koop gestelde voertuig het voorwerp uitmaakte van een seining en die informatie bewust heeft/hebben verzwegen ten aanzien van hem.

4. Art. 1110, eerste lid BW bepaalt dat dwaling alleen dan een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst is, wanneer zij de zelfstandigheid van de zaak betreft die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.

Dwaling over de zelfstandigheid van de zaak moet worden beoordeeld op het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst. Als later bijzondere eigenschappen van de zaak aan het licht komen waarvan de partijen geen enkel vermoeden hadden en die aan iedereen onbekend waren, gaat het om toekomstige omstandigheden die in het leerstuk van dwaling buiten beschouwing blijven en geen weerslag hebben op de beoordeling van de geldigheid van de overeenkomst (zie ook: Vred. Antwerpen 27 juni 1995, RW 1996-97, 1240, integraal bevestigd door Rb. Antwerpen 23 mei 1996, zoals blijkt uit de noot).

In deze zaak kwam pas na het tijdstip waarop de koopovereenkomst werd gesloten aan het licht dat het bewuste voertuig geseind stond. Op het ogenblik van de contractsluiting was geen van de partijen op de hoogte van die seining, zodat het leerstuk van dwaling niet van toepassing is.

5. De h. W.J. bewijst niet dat er sprake is van bedrog of dwaling, zodat de rechtbank niet kan ingaan op zijn verzoek om de koopovereenkomst nietig te verklaren.

b) Ontbinding van de koopovereenkomst

6. De h. W.J. argumenteert dat het gekochte voertuig minstens behept is met een verborgen gebrek omdat het voertuig gestolen blijkt te zijn, zodat het ongeschikt is voor een normaal gebruik, aangezien het niet kan worden ingeschreven.

7. Art. 1641 BW bepaalt dat de verkoper gehouden is tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

Een gebrek in de zaak is niet het gevolg van het recht van een derde, maar schuilt in de afwezigheid van een of andere hoedanigheid in de zaak zelf die haar ongeschikt maakt voor haar gebruik (zie ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, IV, Brussel, Bruylant, 1972, p. 160, nr. 126; A. Christiaens, “Commentaar bij art. 1641 BW” in Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Kluwer, 2000, p. 33, nr. 31).

In deze zaak is de seining het gevolg van het (beweerde) eigendomsrecht van een derde op dat voertuig. Aangezien de stoornis van de koper in casu een gevolg is van een (beweerd) recht van een derde op de zaak, moet de vordering van de h. W.J. geherkwalificeerd worden tot een vordering tot vrijwaring voor uitwinning. Een dergelijke herkwalificatie is mogelijk, omdat daarbij het voorwerp van de vordering niet wordt gewijzigd. Op de openbare zitting van 9 september 2015 van deze rechtbank werden de advocaten van de partijen uitgenodigd om standpunt in te nemen over de vordering tot vrijwaring voor uitwinning.

8. Art. 1626 BW bepaalt dat de verkoper van rechtswege verplicht is de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven.

De vrijwaring voor uitwinning is enkel verschuldigd wegens rechtsstoornis. Feitelijke stoornis door derden geeft geen aanleiding tot vrijwaring.

De beslaglegging door de onderzoeksrechter of andere gerechtelijke overheden op voertuigen die vermoedelijk voortkomen van diefstal en vooralsnog worden behandeld als overtuigingsstukken in afwachting van de beslissing van de rechter over de zaak zelf, is in principe te beschouwen als een daad van de overheid en als een feitelijke stoornis (zie ook: A. Christiaens, “Commentaar bij art. 1626 B.W.” in Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Kluwer, 2001, 8).

Indien de wet zelf de koper voldoende middelen ter hand stelt om de stoornis af te weren, gaat het wel degelijk om een feitelijke stoornis en is er geen reden tot vrijwaring, tenzij de stoornis te wijten is aan de verkoper. Het is dus niet voldoende dat de overheid bij de bezitter te goeder trouw van een verloren of gestolen zaak beslag heeft gelegd, opdat hij de vrijwaring wegens uitwinning zou kunnen inroepen jegens zijn verkoper. Zolang de zaak niet door de verus dominus (vrije vertaling: werkelijke eigenaar) wordt gerevindiceerd (d.i. teruggevorderd), geldt het bezit als titel van eigendom tegenover iedereen en is de koper voldoende beschermd. Uiteraard is de revindicatie van de verus dominus of van wie zich als zodanig voordoet, een rechtsstoornis, zelfs als ze volkomen ongegrond is. De overheid treedt echter niet op als verus dominus (zie ook: A. Christiaens, “Commentaar bij art. 1626 BW” in Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Kluwer, 2001, 9 en voetnoot 4).

9. De h. W.J. bewijst dat het bewuste aangekochte voertuig op 3 juli 2013 door de Nederlandse politie in beslag werd genomen omdat dat voertuig geseind stond op verzoek van de Roemeense overheden.

Uit de stukken blijkt dat de h. W.J. bij de Rechtbank Rotterdam “beklag” heeft gedaan over de inbeslagneming, op grond van het Nederlandse art. 552a Wetboek van Strafvordering. Volgens de oproepingsbrief die hij voorlegt, zou de zaak door die rechtbank behandeld worden op 18 december 2013. De h. W.J. geeft echter geen enkele informatie over het resultaat van de procedure van “beklag”. Hij legt evenmin de nodige bewijsstukken voor dat het voertuig daadwerkelijk werd gerevindiceerd door een derde die beweert eigenaar van dat voertuig te zijn.

Uit de stukken blijkt bovendien dat de h. W.J. het voertuig op 6 augustus 2013 terug heeft ontvangen uit handen van de politie.

Aangezien de h. W.J. geen enkele informatie verstrekt over het resultaat van de gerechtelijke procedure van “beklag” en hij niet bewijst dat het voertuig daadwerkelijk ten aanzien van hem werd opgevorderd door een derde die beweert eigenaar te zijn ervan, oordeelt de rechtbank dat het beslag door de Nederlandse politie in die omstandigheden slechts een feitelijke stoornis was waartegen de h. W.J. zichzelf kon verzetten door middel van de procedure van “beklag”.

Het enkele feit dat het Keuringsstation op 14 februari 2014 verklaarde dat het voertuig als gevolg van de seining niet kon worden ingeschreven, verantwoordt evenmin dat BVBA B.M. veroordeeld moet worden tot vrijwaring voor uitwinning. Er is bijgevolg geen reden om BVBA B.M. te veroordelen tot vrijwaring voor uitwinning.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/05/2017 - 12:37
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 12:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.