-A +A

Verkoop onder opschortende voorwaarde bodemattest is geldig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 22/03/2018
A.R.: 
C.17.0067.N

De verplichting om voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden een bodemattest aan te vragen en aan de verwerver mee te delen en om de inhoud van het bodemattest in de onderhandse akte op te nemen, strekt er in de eerste plaats toe de verwerver te beschermen tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond.

In het licht van deze doelstelling moet onder het begrip "overeenkomst betreffende de overdracht van gronden" ook elke overeenkomst of eenzijdige rechtshandeling worden begrepen waarbij de verwerver zich reeds verbindt tot het aankopen van een grond.

Krachtens artikel 1181 Burgerlijk Wetboek is een verbintenis onder op-schortende voorwaarde aangegaan die welke afhangt van een toekomstige en on-zekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

Gelet op de voormelde doelstelling van artikel 101, § 1 en § 2 Bodemdecreet, namelijk het beschermen van de verwerver tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond, kunnen de partijen niet rechtsgeldig een overeenkomst betreffende een overdracht van een grond sluiten onder de opschortende voorwaarde dat het overgedragen goed niet zal blijken te zijn aangetast door bodemverontreiniging die aanleiding geeft tot een saneringsverplichting ten laste van de eigenaar. In dergelijk geval verbindt de verwerver zich immers reeds tot de verwerving van een goed voordat hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van een bodemattest waaruit blijkt dat het goed vervuild is, hetgeen de decreetgever precies heeft willen vermijden.

In het licht van de voormelde doelstelling kunnen zij daarentegen wel een overeenkomst betreffende de overdracht van grond sluiten onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een blanco bodemattest of een bodemattest waaruit blijkt dat er geen bodemverontreiniging is.

De omstandigheid dat artikel 116, § 1, Bodemdecreet bepaalt dat de verwerver de nietigheid kan vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met artikel 101, staat hieraan niet in de weg. Het voorafgaand aan de overdracht opvragen en mee-delen van een bodemattest en het opnemen van de inhoud ervan in de onderhand-se akte zijn immers geen elementen die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.17.0067.N

E.A.

eiser,

1. G.K.,

2. J.K.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 oktober 2016.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 101, § 1 en § 2 Bodemdecreet moet, voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden, de overdrager of des-gevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de in-houd ervan meedelen aan de verwerver en bevat de onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd de inhoud van het bodemattest.

Krachtens artikel 116, § 1, eerste lid, Bodemdecreet kan de verwerver de nietig-heid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met artikel 101.

Krachtens artikel 2, 18°, Bodemdecreet moet onder "overdracht van gronden" onder meer worden verstaan de overdracht onder levenden van het eigendoms-recht op een grond.

Krachtens artikel 2, 19°, Bodemdecreet moet onder "overeenkomsten betreffende de overdracht van gronden" onder meer worden verstaan alle overeenkomsten die een overdracht van grond in de zin van het 18° tot voorwerp hebben.

2. De verplichting om voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden een bodemattest aan te vragen en aan de verwerver mee te delen en om de inhoud van het bodemattest in de onderhandse akte op te nemen, strekt er in de eerste plaats toe de verwerver te beschermen tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond.

In het licht van deze doelstelling moet onder het begrip "overeenkomst betreffende de overdracht van gronden" ook elke overeenkomst of eenzijdige rechtshandeling worden begrepen waarbij de verwerver zich reeds verbindt tot het aankopen van een grond.

3. Krachtens artikel 1181 Burgerlijk Wetboek is een verbintenis onder op-schortende voorwaarde aangegaan die welke afhangt van een toekomstige en on-zekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

Gelet op de voormelde doelstelling van artikel 101, § 1 en § 2 Bodemdecreet, na-melijk het beschermen van de verwerver tegen het onbewust aankopen van ver-vuilde grond, kunnen de partijen niet rechtsgeldig een overeenkomst betreffende een overdracht van een grond sluiten onder de opschortende voorwaarde dat het overgedragen goed niet zal blijken te zijn aangetast door bodemverontreiniging die aanleiding geeft tot een saneringsverplichting ten laste van de eigenaar. In dergelijk geval verbindt de verwerver zich immers reeds tot de verwerving van een goed voordat hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van een bodemattest waaruit blijkt dat het goed vervuild is, hetgeen de decreetgever precies heeft willen vermijden.

In het licht van de voormelde doelstelling kunnen zij daarentegen wel een over-eenkomst betreffende de overdracht van grond sluiten onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een blanco bodemattest of een bodemattest waaruit blijkt dat er geen bodemverontreiniging is.

De omstandigheid dat artikel 116, § 1, Bodemdecreet bepaalt dat de verwerver de nietigheid kan vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met artikel 101, staat hieraan niet in de weg. Het voorafgaand aan de overdracht opvragen en mee-delen van een bodemattest en het opnemen van de inhoud ervan in de onderhand-se akte zijn immers geen elementen die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst.



4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de partijen op 1 maart 2013 een onderhandse akte hebben ondertekend waarin de "hoofdinhoud van de overeenkomst" als volgt wordt omschreven:

"1. Verkoopbelofte van de kandidaat-verkoper (aankoop of call-optie)

De kandidaat verkoper verbindt er zich toe om gedurende een termijn van 4 maanden ingaand op heden, het hierboven beschreven onroerend goed enkel aan de kandidaat-koper te verkopen, tegen de hierna bepaalde voorwaarden.

De kandidaat-koper heeft dus het recht dit eigendom tegen die voorwaarden aan te kopen mits hij, voor het verstrijken van deze termijn, de hem verleende aan-koopoptie licht.

(...)

2. Hierop aansluitende aankoopbelofte van de kandidaat-koper (verkoop of put-optie)

Voor het geval hij niet (tijdig) zou ingaan op die verkoopbelofte en hij de hem ver-leende verkoopoptie dus niet licht, verbindt de kandidaat-koper er zich jegens de kandidaat-verkoper toe, gedurende een periode van één maand, die een aanvang neemt op het ogenblik van het verstrijken van de onder punt 1 vermelde termijn, het hierboven beschreven eigendom aan te kopen tegen zelfde voorwaarden, indien de kandidaat-verkoper aangeeft op deze aankoopbelofte te willen ingaan.

Tijdens deze periode heeft de kandidaat-verkoper dus het recht van de kandidaat-koper te eisen dat hij het eigendomsrecht aankoopt tegen zelfde voorwaarden.

(...)

3. De verkoop zelf komt pas tot stand door het verlijden van de authentieke akte

Partijen zijn, in afwijking van het gemeen recht, uitdrukkelijk overeengekomen dat de verkoop zelf pas tot stand komt door en op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte vaststellende die verkoop, zodat zij van deze verkoop een plechtig contract hebben gemaakt. Zolang de authentieke akte niet werd verleden, bestaat er dus nog geen verkoop maar enkel een verbintenis tot verkopen en/of een verbintenis tot kopen. Zelfs het lichten van de optie brengt de verkoop nog niet tot stand."

- de overeenkomst ook een opschortende voorwaarde in het voordeel van de kandidaat-koper bevat die als volgt werd geformuleerd:

"Het bekomen, voor het verstrijken van de termijn waarvoor de verkoopbelofte verleend werd, van de vereiste bodemattesten betreffende voorgeschreven eigen-dom waaruit blijkt dat voor dit eigendom geen gegevens beschikbaar zijn bij de OVAM of waaruit geen bodemverontreiniging blijkt die aanleiding geeft tot een saneringsverplichting ten laste van de eigenaar van deze grond (...)".

5. De appelrechters oordelen dat, anders dan de benaming daarvan laat ver-moeden, de overeenkomst van 1 maart 2013 in werkelijkheid meer is dan een "tij-delijke verkoop/aankoopbelofte", dat uit de aangehaalde clausules volgt dat de verweerders zich nadrukkelijk verbinden tot de aankoop van het betrokken goed zelfs indien zij de hen verleende aankoopoptie niet lichten en dat bijgevolg van een optieovereenkomst in werkelijkheid geen sprake is. Vervolgens stellen zij vast dat de eiser voor de totstandkoming van de overeenkomst geen bodemattest heeft aangevraagd en meegedeeld aan de verweerders en de onderhandse akte ook geen inhoud van een bodemattest vermeldt. Op grond hiervan oordelen zij dat de over-eenkomst tot stand kwam in strijd met het bepaalde in artikel 101, § 1 en § 2 Bodemdecreet en bijgevolg principieel nietig is.

6. Door aldus, bij de beoordeling van de geldigheid van de overeenkomst geen acht te slaan op de opschortende voorwaarde die in het voordeel van de verweerders was bedongen, althans in zoverre deze de overeenkomst afhankelijk stelde van het voorleggen van een blanco bodem-attest, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk heeft verklaard.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2018 uitgesproken

C.17.0067.N

Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier:

1. Feiten en procedure

Eiser en verweerders ondertekenden op 1 maart 2013 een onderhandse akte genaamd "overeenkomst inhoudende een tijdelijke verkoop/aankoop-belofte" betreffende een onroerend goed.

De hoofdinhoud van de overeenkomst voorzag een verkoopbelofte van de kandidaat-verkoper (aankoop- of call optie) waarbij deze zich er toe verbond gedurende een termijn van vier maanden ingaand op datum van ondertekening het onroerend goed enkel aan de kandidaat-koper te verkopen met een hierop aansluitende aankoopbelofte van de kandidaat-koper (verkoop-of put-optie) die inhield dat indien de kandidaat-koper niet (tijdig) zou ingaan op de verkoopbelofte hij er zich ten opzichte van de kandidaat-verkoper toe verbindt gedurende een periode van 1 maand vanaf het verstrijken van de termijn van de verkoopbelofte de eigendom aan te kopen voor zover de kandidaat-verkoper aangeeft op deze aankoopbelofte te willen ingaan. Er werd uitdrukkelijk bepaald dat de verkoop slechts tot stand komt door het verlijden van de authentieke akte, zodat zolang de authentieke akte niet werd verleden er geen verkoop bestaat maar enkel een verbintenis tot (ver)kopen.

Onder littera D van de overeenkomst werden diverse opschortende voorwaarden opgenomen. Relevant voor onderhavig casus voorzag de overeenkomst in dit verband dat "de bij onderhavige overeenkomst aangegane verbintenissen alsook de verbintenissen die ontstaan na lichting van één van de opties wat elk van de partijen betreft, afhankelijk worden gemaakt van de tijdige realisatie, dit wil zeggen vóór het verstrijken van de termijn van de aankoopoptie ( met dit voorbehoud kan de aankoopoptie toch gelicht worden, hangende de voorwaarden, mits vervulling ervan vóór het verstrijken van de termijn) van de opschortende voorwaarde tot het bekomen van de vereiste bodemattesten hetzij een attest waaruit blijkt dat geen gegevens beschikbaar zijn bij de OVAM, hetzij een attest waaruit geen bodemverontreiniging blijkt die aanleiding geeft tot een saneringsverplichting; bij niet tijdige realisatie van deze opschortende voorwaarde zijn partijen elkaar niets verschuldigd."

De overeenkomst voorzag in een optieprijs van 16.000 euro.

Gezien verweerders niet overgingen tot lichting van de aankoopoptie dagvaardde eiser hen in betaling van de optieprijs. Verweerders beriepen zich op de nietigheid van de overeenkomst wegens schending van de bepalingen van het Bodemdecreet en de niet-vervulling van de opschortende voorwaarde.

Bij vonnis van 12 december 2014 oordeelde de eerste rechter dat er te dezen geen sprake was van een overdracht van grond, maar slechts van een aankoop-verkoopbelofte zodat er op het ogenblik van de ondertekening geen verplichting bestond tot het voorleggen van een bodemattest overeenkomstig artikel 101 Bodemdecreet en de koper zich niet zal binden vooraleer de inhoud van het bodemattest te kennen gezien een opschortende voorwaarde in die zin werd voorzien.

De eerste rechter stelt vast dat tijdig een blanco bodemattest werd overgemaakt zodat de opschortende voorwaarde werd vervuld en de optieprijs aan eiser toekomt.

Op het hoger beroep van verweerders beslisten de appelrechters bij arrest van 10 oktober 2016 dat de overeenkomst wel te bestempelen is als een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden zoals bedoeld in artikel 101 van het Bodemdecreet en, anders dan de benaming laat vermoeden, meer is dan een "tijdelijke verkoop/aankoop-belofte" nu uit de hierin voorziene clausules blijkt dat verweerders zich nadrukkelijk verbinden tot de aankoop, zelfs indien zij de hen verleende aankoopoptie niet lichten.

Er blijkt dat vóór de totstandkoming van de onderhandse akte geen bodemattest was aangevraagd terwijl de akte ook geen inhoud van het bodemattest vermeldt zodat de overeenkomst tot stand kwam in strijd met het bepaalde in artikel 101,§§1 en 2 van het Bodemdecreet en de overeenkomst bijgevolg principieel nietig is. Het gaat hier immers om op straffe van nietigheid voorgeschreven vereisten van geldigheid en verweerders hebben nooit verzaakt aan de nietigheidsvordering maar weigerden hun medewerking aan het verlijden van de authentieke akte.

De vordering van eiser werd ongegrond verklaard.

Tegen dit arrest voert eiser 1 middel aan. In de derde grief van het eerste onderdeel voert eiser aan dat de appelrechters met hun oordeel de artikelen 1181 en 1182 BW schenden, nu een verbintenis, aangegaan onder een opschortende voorwaarde niet uitgevoerd kan worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad en krachtens dewelke de schuldenaar zich slechts verbonden heeft te presteren ingeval de voorwaarde vervuld wordt.

De vraag die voorliggende zaak opwerpt is of het voorleggen van de inhoud van het bodemattest als een opschortende voorwaarde kan opgenomen worden in een overeenkomst betreffende overdracht van gronden, in het licht van de verplichtingen opgelegd door het Bodemdecreet.

2. Bespreking.

2.1. Het aantal formaliteiten waarmee rekening moet worden gehouden bij de overdracht van onroerende goederen neemt gestaag toe. Deze voorschriften zijn doorgaans van bestuursrechtelijke aard en hebben in het bijzonder tot doel te verzekeren dat de kandidaat-koper voldoende wordt geïnformeerd over een aantal belangrijke eigenschappen van het goed(1). De verplichting voor de verkoper tot het voorleggen van een bodemattest vindt te dezen zijn grondslag in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de Bodemsanering en Bodembescherming (Bodemdecreet) en houdt in dat vóór het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden, waaronder verstaan wordt alle overeenkomsten die een overdracht onder levenden van het eigendomsrecht op een grond tot voorwerp hebben (artikel 2,18° en 19°), de overdrager bij OVAM een bodemattest moet aanvragen en de inhoud ervan moet meedelen aan de verwerver, en de onderhandse akte waarin de overdracht wordt vastgelegd de inhoud van het bodemattest bevat (artikel 101, §§1 en 2).

Met deze informatieverplichting, die grotendeels een overname is van artikel 36 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de Bodemsanering wenste de decreetgever vooral de verwerver te beschermen tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond(2) en hem te vrijwaren tegen iedere schade ingevolge een laattijdige mededeling(3).

De koper van onroerend goed is weliswaar niet zozeer een "economisch zwakke partij" maar wat de informatie met betrekking tot het onroerend goed betreft zal de verkoper logischerwijze wel in het voordeel zijn. Om dit onevenwicht te compenseren en te vermijden dat de koper later voor verrassingen zou komen te staan, werd deze informatieverplichting in het leven geroepen(4).

In het licht van deze doelstelling en rekening houdend met voormelde definities kan als "overeenkomst betreffende de overdracht van gronden" dan ook elke overeenkomst of eenzijdige rechtshandeling worden begrepen waarbij de verwerver zich reeds verbindt tot het aankopen van grond.

2.2. Krachtens artikel 1181 BW is een verbintenis onder opschortende voorwaarde aangegaan, die welke afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

Wanneer bij overeenkomst een verbintenis onder opschortende voorwaarde wordt aangegaan, bestaat de overeenkomst hangende de voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenis opgeschort. De overeenkomst onder opschortende voorwaarde veronderstelt dus een geldig tot stand gekomen overeenkomst.

Hieruit volgt dat de opschortende voorwaarde niet kan bestaan in een constitutief en per definitie noodzakelijk element van de overeenkomst(5) en de geldigheidsvoorwaarden voor een rechtshandeling geen modaliteit kunnen uitmaken van de rechten en verplichtingen die uit die rechtshandeling voortvloeien(6).

2.3. In de rechtsleer bestaat verdeeldheid of de verplichting tot het voorleggen van een bodemattest als een opschortende voorwaarde kan opgenomen worden in een overeenkomst betreffende overdracht van gronden.

Als bezwaar hiertegen wordt aangevoerd dat het voorafgaand opvragen en meedelen van een bodemattest een geldigheidsvoorwaarde is voor het tot stand komen van de koop, nu artikel 116 Bodemdecreet bepaalt dat de verwerver de nietigheid van de overeenkomst die in strijd met artikel 101 is tot stand gekomen, dit wil zeggen zonder attest, kan vorderen(7). Deze stelling houdt in dat zolang aan deze voorwaarde niet is voldaan, de overeenkomst niet geldig tot stand komt.

Tegen dit argument kan worden ingebracht dat de nietigheid als sanctie voor de miskenning van de informatieplicht van artikel 101 Bodemdecreet slechts een betrekkelijke en derhalve voor uitdrukkelijke of stilzwijgende bevestiging vatbare nietigheid is(8). Indien de overdracht plaatsvond in strijd met die bepaling kan de verwerver de nietigheid van de overdracht vorderen, zonder dat dit daarom rechtsmisbruik zou uitmaken(9), tenzij cumulatief voldaan is aan de voorwaarde dat de verwerver in bezit is gesteld van het meest recent afgeleverd bodemattest en de verwerver zijn verzaken aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk laat vaststellen in de authentieke akte. De koper is dus niet verplicht deze nietigheid in te roepen, en zolang hij de nietigheid niet inroept, bestaat de overeenkomst en wordt ze geacht geldig te zijn tot stand gekomen. Men mag zich dus niet laten misleiden door de nietigheidssanctie.

De miskenning van een geldigheidsvoorwaarde brengt weliswaar steeds de vernietigbaarheid van de verbintenis met zich mee, maar omgekeerd is het niet per definitie zo dat elke op straffe van nietigheid voorgeschreven bepaling ook een geldigheidsvoorwaarde uitmaakt, nu die vaak ter bescherming van de "zwakkere" contractpartijen wordt opgelegd(10). Het voorafgaand aan de overdracht opvragen en meedelen van een bodemattest en het opnemen van de inhoud ervan in een onderhandse akte zijn precies, zoals eerder vermeld, door de decreetgever bedoeld als informatie verplichtingen en niet als elementen die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst. Het verkrijgen van een bodemattest kan dan ook niet gezien worden als een bijkomende geldigheidsvoorwaarde van de overeenkomst(11).

2.4. Een tweede contra argument houdt in dat volgens de letterlijke lezing van artikel 101 Bodemdecreet de overdrager verplicht is om vóór het sluiten van de overeenkomst bij OVAM een bodemattest aan te vragen en de inhoud mee te delen aan de verkrijger. Aangezien een voorwaardelijke verkoop reeds onmiddellijk tot stand komt en enkel de opeisbaarheid van de rechten en verplichtingen die daaruit voortvloeien wordt opgeschort tot de verwezenlijking van de toekomstige gebeurtenis moet de inhoud van het bodemattest reeds op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst meegedeeld worden aan de koper zodat het de onmiddellijke totstandkoming van de overeenkomst is die verhindert dat het verkrijgen van een bodemattest als opschortende voorwaarde van de overeenkomst kan worden bedongen(12).

Hiertegen kan worden ingebracht dat eerder dan naar de letterlijke tekst moet worden gekeken naar de geest van het Bodemdecreet waarvan, zoals gezegd, de essentie erin bestaat dat de verwerver niet definitief verbonden mag worden vooraleer hij op de hoogte is van een eventuele verontreiniging. Bij een letterlijke lezing van artikel 101 Bodemdecreet, dat een attest vereist vóór het afsluiten van de overeenkomst, wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen het begrip "overeenkomst" en "overdracht van grond". "Bij een compromis onder opschortende voorwaarde wordt de overdracht slechts definitief na de vervulling van de voorwaarde. Pendente conditione bestaat er wel een overeenkomst maar deze overeenkomst realiseert als dusdanig nog geen overdracht(13)".

De door de decreetgever vooropgestelde doelstelling rond het verplicht voorleggen van het bodemattest vóór het ondertekenen van een onderhandse akte tot overdracht van grond, namelijk de koper informeren voor hij beslist het onroerend goed aan te kopen en hem te beschermen tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond, wordt ook bereikt indien de overeenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde van het voorleggen van een blanco bodemattest of een attest waarin is vermeld dat er geen (geen enkele) bodemverontreiniging is.

Niets staat er mijns inziens aan in de weg dat partijen rechtsgeldig dergelijke overeenkomst betreffende de overdracht van grond kunnen sluiten.

2.5. De appelrechters oordelen dat de overeenkomst van 1 maart 2003 te bestempelen is als een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden zoals bedoeld in artikel 101 van het Bodemdecreet waarbij verweerders zich nadrukkelijk verbinden tot de aankoop van het onroerend goed zelfs indien zij de hen verleende aankoopoptie niet lichten. Zij stellen vast dat eiser voor de totstandkoming van de overeenkomst geen bodemattest heeft aangevraagd en meegedeeld aan verweerders en de onderhandse akte ook geen inhoud van het bodemattest vermeldt, op grond waarvan zij oordelen dat deze overeenkomst die tot stand kwam in strijd met artikel 101, §§1 en 2 Bodemdecreet principieel nietig is. Zij slaan hierbij evenwel geen acht op de in de overeenkomst bedongen opschortende voorwaarde en miskennen in die zin de artikelen 1181 en 1182 BW zoals terecht door eiser aangevoerd.

Het eerste onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Conclusie: vernietiging met verwijzing.

_____________________

(1) F. VAN DE VELDE, Het aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed: een pleidooi voor het opwaarderen van de precontractuele fase, RW, 2017-2018, 526, nr. 10.

(2) Vlaams Parlement, Voorstel van decreet betreffende de bodemsanering en bodembescherming, stuk 867 (2005-2006), nr. 1-56.

(3) Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0065.N, AC 2010, nr. 454.

(4) F. VAN DE VELDE, o.c., nr. 12.

(5) J. DEL CORRAL, Voorwaardelijke verbintenissen, Kluwer, 17, nr. 18.

(6) J. DEL COrral, o.c. 18, nr. 18.

(7) Zie o.a; S. STIJNS, De opschortende voorwaarde in de onroerende koop: de notariële praktijk tegen het licht gehouden van de recente rechtsleer en rechtspraak, Not. Fisc. M. 2008, p. 86 met de aldaar vermelde verwijzingen.

(8) Cass. 25 maart 2011, AR C.09.0639.N, AC 2011, nr. 224.

(9) Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0065.N, AC 2010, nr. 454.

(10) F. VAN DE VELDE, o.c., nr. 12.

(11) Zie J. DEL CORRAL, o.c., 18, nr. 18.

(12) J. DEL CORRAL, o.c., 20, nr. 18.

(13) C. DE WULF, Het bodemsaneringsdecreet en de notariële praktijk, T.Not., 1996, (327), 383.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/07/2018 - 15:14
Laatst aangepast op: ma, 02/07/2018 - 15:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.