-A +A

Verkoop hond met waterhoofd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
don, 05/06/2014

Een hond verkopen die later een waterhoofd blijkt te hebben is een verkoop met een niet conforme levering. Kosten van herstel die buiten proportie staan en morele schadevergoeding kunnen niet gevorderd. Terugbetaling van de koopsom en de diagnosekosten wel.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2014
Pagina: 
950
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H.M.,[ ... ]

eisende partij, [ ... ]

tegen C.D.,[ ... ]

verwerende partij, [ ... ]

[ ... ]

2. DE FEITEN

Op 11 mei 2011 kocht eiseres bij verweerder een hond, meer bepaald een puppy van het ras mopshond voor een bedrag van 650,00 €.

De hond werd geboren op 24.02.2013 en werd door eiseres Juul genoemd. Volgens attest van Dr. D. dd. 27 juni 2013 werd op 19 juni 2013 geconstateerd dat Juul een aangeboren gebrek heeft, m.n. een hydrocephalus of waterhoofd. De dokter baseert zich hierbij op het verslag van het poliklinisch consult van de universiteitskliniek voor gezelschaps-

dieren te Utrecht dd. 19.06.2013 waarin wordt besloten tot ernstige hydrocephalus.

In een verslag van 24.06.2013 wordt door dezelfde instantie verduidelijkt dat 'het ras, de leeftijd, de afwijkend gevormde schedel, de bilaterale ventrolaterale strabismus en echobevindingen passend zijn bij congenitale (aangeboren) hydrocephalus. Operatief ingrijpen wordt voorgesteld.

Op 8 juli 2013 wordt verweerder in gebreke gesteld tot betaling van een bedrag van 3.347,57 €, omvattende terugbetaling van de koopprijs, vergoeding van de reeds gemaakte dierenartskosten en de kostprijs van de voorgenomen operatie, wat leidt tot een protest van verweerder op 16 juli 2013.

Op 18 juli 2013 stelt verweerder bereid te zijn de hond terug te nemen en de koopprijs terug te betalen, evenals de dierenartskosten te vergoeden tot aan de vaststelling van de aangeboren afwijking t.b.v. 550,10 €.

Tevens wordt eiseres aangemaand alle negatieve berichtgeving die zij op internetfora verspreidde over verweerder te staken en te verwijderen uiterlijk 5 augustus 2013.

Het voorstel om Juul terug te geven wordt geweigerd door eiseres (19 juli 2013), de vraag tot vergoeding blijft behouden.

Op 25 juli 2013 wordt dagvaarding betekend.

Op 6 augustus 2013 heeft eiseres Juul laten inslapen.

Op 3 december 2013 wordt eiseres opnieuw aangemaand te stoppen met het posten van negatieve uitlatingen op internet op vier verschillende links en deze onmiddellijk te verwijderen.

Op 5 december 2013 repliceert eiseres dat de geposte bijdragen noch recent zijn, noch afkomstig van haarzelf. Desondanks stelt zij te zullen trachten dat de vier bijdragen van het internet zullen worden verwijderd, opzet waarin zij naar eigen zeggen (9 december 2013) geslaagd is.

3. BEOORDELING

[ ... ]

B. Ten Gronde

1) Partijen zijn het erover eens dat de verkoop van Juul dient beschouwd als een verkoop van een consumptiegoed door een verkoper aan een consument en dat hierop artikel 1649 bis e.v. Burg. Wetb. van toepassing zijn.

Eiseres stelt dat Juul door verweerder aan haar werd verkocht met een gebrek aan overeenstemming.

Verweerder is van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek in de zin van de wet op de consumentenkoop, zodat hij meent niet garantieplichtig te zijn. Overeenkomstig artikel l649quater § 1 B.W. is de verkoper jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering.

§ 4 van voormeld artikel stelt verder dat indien een gebrek aan overeenstemming zich manifesteert binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed, tot bewijs van het tegendeel dan het vermoeden geldt dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming, door onder andere rekening te houden met het feit of het goed nieuw dan wel tweedehands is.

De levering van Juul vond plaats op 11 mei 2013.

Op basis van de voorgelegde medische attesten kan met zekerheid worden gesteld dat Juul leed aan hydrocephalus (waterhoofd).

Op basis hiervan stelt eiseres terecht dat het door haar aangekochte goed behept is met een gebrek aan overeenstemming.

Het voldoet immers niet aan de voorwaarden, gesteld in art. 1649 ter § 1 B.W., die cumulatief dienen voldaan te zijn. Het volstaat m.a.w. dat aan één van de voorwaarden niet is voldaan, opdat er sprake zou zijn van een gebrek aan overeenstemming.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de vastgestelde aandoening Juul ongeschikt maakte voor het normale gebruik waartoe een jonge gezelschapsdier (puppy) gewoonlijk wordt aangekocht (inbreuk op art. 1649 ter § l, 3° B.W.) en dat door de vastgestelde aandoening Juul niet de kwaliteit en prestaties bood die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die eiseres als consument redelijkerwijs mocht verwachten, gelet op de aard van het goed (inbreuk op art. 1649 ter§ l, 4° B.W.).

Gelet op het tijdsverloop tussen levering (11 mei 2013) en manifestering van het gebrek (19 juni 2013) wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering (artikel l649quater § 1, 4° B.W.). Verweerder tracht ten onrechte dit vermoeden te weerleggen door te stellen dat de voorgelegde verklaringen niet voldoen aan art. 961/2 Ger. Wetb. en dat de afwijking zich slechts heeft gemanifesteerd nadat ~ en dus is ontstaan doordat ~ eiseres zelf Juul heeft laten vallen op 20 mei 2013.

Het feit dat de medische verklaringen niet beantwoorden aan de vereisten van art. 961/2 Ger. Wetb. belet niet dat deze in overweging worden genomen in de beoordeling van de rechtbank omtrent de bewijslast en de bewijsvoering.

Het bewijs in handelszaken is immers vrij en kan met alle middelen van recht worden geleverd, getuigen en vermoedens inbegrepen.

De voorgelegde medische attesten, ook al werden deze opgesteld na eenzijdige onderzoekingen en vaststellingen, kun - nen door de rechtbank als inlichting worden weerhouden.

Uit de voorgelegde attesten worden volgende vaststellingen en overwegingen weerhouden:

~ De universiteitskliniek voor gezelschapsdieren te Utrecht, die op 19 juni 2013 een poliklinisch onderzoek van Juul verrichtte stelt vast bij lichamelijk onderzoek:

'Asymetrie schedel: rechterzijde schedel wat boller, linkeroog meer rastraal. Head tilt (afwisselend links en rechts). In de polikamer kreeg Juul een aanval: head tilt, cirkelen, geheven houden van één van de

voorpootjes, ataxie en omvallen. Juul verliest niet haar bewustzijn.

Bij neurologisch onderzoek zijn er geen verdere afwijkingen te zien.'

De vaststellingen leiden tot de diagnose: 'ernstige hydrocephalus.

~ Op basis van dit verslag van het poliklinisch onderzoek attesteert Dr. D., door wie Juul eerder werd onderzocht en behandeld, op 27 juni 2013 dat met behulp van een echo op 19 juni 2013 bij Juul het aangeboren gebrek hydrocephalus of waterhoofd werd vastgesteld door de diergeneeskundige faculteit te Utrecht op 19 juni 2013

~ In een brief van de universiteitskliniek voor gezelschapsdieren te Utrecht aan eiseres van 24 juni 2013, wordt deze persoonlijk geïnformeerd over het uitgevoerde onderzoek:

'lichamelijk onderzoek:

Asymetrie schedel: rechterzijde schedel wat boller, linkeroog meer in de richting van de neus verplaatst (rastraal). Beide ogen kijken te veel schuin naar opzij (bilaterale ventrolaterale strabismus). Scheef houden van de kop (head tilt), afwisselend links en rechts. In de polikamer kreeg Juul een aanval: head tilt, cirkelen, geheven houden van één van de voorpootjes, ataxie en omvallen. Juul verliest niet haar bewustzijn. Ook is er in de oren van Juul gekeken, waarbij geen bijzonderheden zijn gezien.

Echografie schedel: via een open fontanel is een ernstige vergroting van beide laterale ventrikels (structuren in de hersenen waarin hersenvocht zit) zichtbaar (links +- 3,5 cm in hoogte en rechts 4,6 cm). De laterale ventrikels nemen een groot deel van de schedelholte in beslag. Conclusie:

Ernstige bilaterale (beiderzijdse) ventriculomegalie (vergroting van de vetrikels) passend bij congenitale (aangeboren) hydrocephalus.

Conclusie/diagnose

Het ras, de leeftijd, de afwijkend gevormde schedel, de bilaterale ventrolaterale srabismus en echobevindingen zijn passend bij congenitale (aangeboren) hydrocephalus.'

Op 20 september 2013 attesteert dierenarts D. nogmaals uitdrukkelijk dat het bij Juul vastgestelde gebrek een aangeboren gebrek is en niet veroorzaakt is door de val van Juul op 20 mei 2013. Deze medische vaststellingen zijn formeel, duidelijk en éénduidig: Juul leed aan een aangeboren aandoening.

Deze medische vaststellingen worden in geen enkel opzicht weerlegd door verweerder.

Integendeel, in het officiële schrijven van de raadsman van verweerder dd. 18 juli 2013 wordt zelf melding gemaakt van de bereidheid van verweerder om over te gaan tot terugbetaling van 'de dierenartskosten tot aan de vaststelling van de aangeboren afwijking', waardoor verweerder impliciet deze vaststelling aanvaardt.

Tevergeefs verwijst verweerder in het kader van huidige procedure dan ook naar een e-mail van een zekere Dr. V. van 19 oktober 2013 met volgende inhoud:

'een waterhoofd op deze leeftijd en bij dit ras is bijna 100 % zeker een aangeboren afwijking.

Traumatische waterhoofdjes zien wij echt praktisch nooit. Dan moet er als sprake zijn van een erg trauma en dan zie je die letsels ook op de scan.

Ik snap niet waar die fokker zo moeilijk over doet, hij heeft een hondje afgeleverd met een verborgen gebrek en moet het gelag betalen. Hij moet bewijzen dat dit geen aangeboren waterhoofdje is. Vraag hem of we de ouders mogen testen ... Meestal zijn de ouders asymptomatische draggers (ze hebben een klein waterhoofd maar geen symptomen) en dan heb je direct bewijs. Je moet wel kunnen aantonen dat deze pup wel degelijk van die ouders is via DNA onderzoek.'

Dokter V. heeft Juul niet zelf onderzocht, zodat uit deze mail geenszins concrete gevolgtrekkingen voor de puppy in kwestie kunnen worden afgeleid. Bovendien bevestigt de mail dat traumatische waterhoofd jes quasi niet voorkomen. Het wettelijk vermoeden van artikel l649quater § 1, 4° B.W. wordt hierdoor geenszins weerlegd.

Op basis van de voorgelegde stukken besluit de rechtbank tot de aansprakelijkheid van verweerder overeenkomstig artikel I649quater § 1 B.W.

2) Eiseres vordert onder verwijzing naar art. I649quinquies B.W. terugbetaling van de koopprijs, terugbetaling van de medische kosten en betaling van een morele schadevergoeding.

Verweerder vraagt de herleiding van de vordering van eiseres wegens vermeend rechtsmisbruik.

Hij wijst erop dat hij van in het begin bereid is geweest (en nog steeds) om de koopprijs terug te betalen, alsmede een deel van de medische kosten.

Het rechtsmisbruik bestaat er volgens verweerder in te volharden in haar aanvankelijke vordering tot kosteloos herstel van de hond, thans vordering tot terugbetaling van alle kosten ondernomen om de hond te verzorgen, waarvan de kostprijs in wanverhouding staat met de koopprijs of de vervanging ervan.

Bovendien meent verweerder dat eiseres, wanneer zij zich beroept op de notie 'consumptiegoed', zij geen aanspraak kan maken op morele schade. De rechtbank stelt vooreerst vast dat verweerder nog steeds bereid is om de koopprijs terug te betalen, wat door eiseres wordt gevorderd, zodat hierover geen betwisting bestaat.

De door eiseres gevorderde gerechtelijke intresten op dit bedrag kunnen eveneens worden toegestaan.

Art. I649quinquies B.W. voorziet in een rechtsmiddelenhiërarchie of cascaderegeling van remedies met een marginale controle van de rechter op rechtsmisbruik in de keuze van de remedies.

In casu bood verweerder vervanging aan van het dier, alsmede terugbetaling van de kosten tot aan de vaststelling van de aangeboren aandoening (zie brief van de raadsman van verweerder van 17 juli 2013).

Eiser drong echter aan op terugbetaling van alle gemaakte en nog te maken herstellingskosten.

Als consument heeft eiseres in eerste instantie het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van het goed te verlangen, behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.

In principe heeft de consument de vrije keuze tussen deze twee remedies, tenzij de gekozen remedie onmogelijk dan wel buiten verhouding zou zijn tot de andere remedie.

Een remedie wordt geacht buiten verhouding te zijn, wanneer zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening, onredelijk zijn, gelet op de waarde die het goed zou hebben zonder het gebrek aan overeenstemming, de ernst van het gebrek aan overeenstemming of de vraag of de alternatieve vorm van genoegdoening concreet mogelijk is zonder enige overlast voor de consument.

De door verweerder voorgestelde vervanging werd door eiseres geweigerd, gelet op haar beweerde emotionele gehechtheid aan Juul en de onzekerheid van diens lot ingeval van teruggave aan verweerder.

Zoals reeds gezegd is dit haar recht. Anderzijds kan het eiseres niet worden verweten dat zij bepaalde medische kosten heeft gemaakt om de aard van het gebrek waarmee de verkochte puppy was behept, te doen onderzoeken, om op die grond haar standpunt te bepalen.

De kosten tot vaststelling van het gebrek, getuigen niet van enig rechtsmisbruik in hoofde van eiseres en komen voor vergoeding in aanmerking, waartoe verweerder zich eveneens bereid had verklaard.

Wanneer eiseres in de plaats hiervan ~ naast terugbetaling van de koopprijs ~ echter kiest voor de terugbetaling van alle medische kosten die zij heeft gemaakt, alsmede een morele schadevergoeding, gezamenlijke vordering die cijfermatig het dubbele bedraagt van de koopprijs van de puppy, dan is de rechtbank van oordeel dat eiseres in het licht van de hiervoor aangehaalde wettelijke regeling, haar rechten uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van haar recht door een normaal en voorzichtig persoon.

Rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, aard van het gebrek, koopprijs van het goed en gelet op de hiervoor uiteengezette regeling, meent de rechtbank dat de vordering tot schadevergoeding van eiseres inderdaad dient beperkt tot vergoeding van de kosten tot vaststelling van het gebrek, volgens niet tegengesproken bewering van verweerder te begroten op 550,10 euro.

3) Eiseres vordert daarnaast 1 euro schadevergoeding voor de misleidende marktpraktijk (art. 88,7° WMPC) waarvan zij stelt het voorwerp te hebben uitgemaakt.

Zij meent dat verweerder een inbreuk heeft gepleegd op art. 4 WMPC en art. 1 KB van 27 april 2007. Concreet is zij van oordeel dat het door verweerder aan haar afgeleverde garantiecertificaat onjuiste informatie verschaft over haar rechten als consument.

De inbreuk op art. 30§ 1 KB 27 april 2007 werd vastgesteld door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefimilieu in een P.V. van 10/10/2013.

Deze inbreuk maakt inderdaad naar het oordeel van de rechtbank, eveneens een inbreuk uit op art. 4 en art. 88,7° WMPC.

Tevergeefs wijst verweerder naar correspondentie tussen hem en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu i.v.m. een garantiecertificaat.

Het stuk zelf wordt niet meegedeeld door verweerder, zodat door de rechtbank niet kan beoordeeld worden of de argumentatie van verweerder gesteund is op een prototype garantiecertificaat dat identiek is aan het exemplaar dat destijds werd afgeleverd aan eiseres. Om te slagen in haar vordering tot schadevergoeding, dient eiseres evenwel aan te tonen naast de inbreuk op zich, dat zij schade heeft geleden die in oorzakelijk verband staat met de weerhouden inbreuk.

Bewijs van deze schade wordt niet geleverd, integendeel.

Door huidige procedure wordt het bewijs geleverd dat eiseres perfect op de hoogte is van de haar als consument toekomende rechten.

De vordering wordt op dit punt afgewezen als ongegrond.

4) Verweerder stelt dat hij schade heeft geleden door het verspreiden van negatieve berichtgeving door eiseres over verweerder op diverse internetfora tot op heden, niettegenstaande aanmaning tot verwijdering.

Eiseres heeft via internet op 28 juni 2013 een bericht verstuurd betreffende de ervaring die zij had gehad met de aankoop van de puppy Juul bij verweerder en het voorstel dat zij van verweerder had ontvangen.

Zij vraagt haar contacten dit bericht te delen, wat ook is gebeurd.

Verweerder stelt dat eiseres, niettegenstaande aanmaning, in gebreke is gebleven alle negatieve berichtgeving te staken en te verwijderen via de respectievelijke fora, waartoe hij thans veroordeling vraagt.

Eiseres betwist dat er vandaag nog post van haarzelf is terug te vinden op het internet. Zij stelt dat zij tot verwijdering hiervan overging.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt inderdaad niet dat vandaag nog post op het internet is terug te vinden, waarin eiseres zich negatief uitlaat over verweerder.

Het door verweerder voorgelegde stuk 14 bewijst dit evenmin.

Verweerder erkent dit trouwens uitdrukkelijk op p.26 van zijn conclusies waarin hij uitdrukkelijk stelt dat de posts door eiseres werden verwijderd, zij het enkel na hiertoe te zijn aangemaand.

De tegenvordering om eiseres te horen veroordelen tot staking en verwijdering heeft hierdoor geen voorwerp meer.

Anderzijds levert verweerder niet het bewijs dat hij effectief schade heeft geleden, zodat ook de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen als ongegrond.

5) Eiseres vraagt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te vellen vonnis, waartegen verweerder zich verzet omdat hiertoe geen gronden voorhanden zijn.

Gezien de voorlopige tenuitvoerlegging een afwijking vormt op de schorsende werking van het hoger beroep, moet de rechtbank nagaan of er concrete omstandigheden zijn die de hoogdringendheid en de noodzaak van een dergelijke maatregel verantwoorden en of het belang van eiseres zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij het behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist.

De rechtbank is in deze van oordeel dat deze concrete omstandigheden niet aanwezig zijn, zodat op het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging niet kan worden ingegaan.

BESLISSING

De rechtbank,

[ ... ]

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond als volgt:

Veroordeelt verwerende partij om te betalen aan eisende partij:

- de som van [1.200,10 euro], te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding tot de dag der algehele betaling aan het gewoon wettelijk percentage, actueel 2,75 %.

Wijst het meer en anders gevorderde af als ongegrond.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond.

[ ... ]

Noot: R. Steennot, consumentenkoop toepasselijk op dieren, NJW 2014,

Rechtspraak:

• Gent 2 mei 2012, DCCR 2012, afl. 97, 100

• Rb. Dinant 16 oktober 2013, JLMB 2014, 237).

• Bergen 15 december 2010, DCCR 2012, afl. 97, 117, noot S. MARYSSE).

 

Noot: 
Zie ook de publicatie van dit vonnis in RW 2016-2017, 830

Rechtsleer
 
Keuze van remedie voor consument moet redelijk blijven.
Nicki Leys, de juristenkrant, 19.11.2014.
 
De auteur bespreekt het gekende vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout van 05.06.2014 inzake de vordering van de koper van een hond met een waterhoofd.
 
De auteur bespreekt dit waterhoofdhondvonnis door aftoetsing van artikel 1649 bis ev B.W. aan het algemeen beginsel van redelijkheid bij de uitoefening van een recht.
 
Naar het recht is een hond inderdaad een roerend goed en valt deze dus onder de koopwet.  Wanneer het roerend goed in casu een hond een gebrek vertoont heeft de koper recht op vervanging dan wel op herstel.
 
Het is meer dan begrijpelijk dat de eigenaar van een hond die een gebrek vertoont niet zomaar een hond waarmee hij een emotionele band heeft opgebouwd wil omwisselen voor een andere hond.
 
Maar het herstel van het roerend goed, in casu de hond, kan dermate grote kosten met zich meebrengen waardoor deze kosten  in wanverhouding komen te staan tot de waarde van de hond, lees de aanschafwaarde.
 
Naar Belgisch recht wordt de morele schade voor het verlies van een hond vrij minimaal bepaald. 

 

In dit vonnis oordeelde de rechter dat slechts de aanschafprijs van de hond en een zeer beperkt aantal medische kosten konden vergoed en dat dus de koper van de hond geen aanspraak kon maken op alle medische verzorging of kosten van “herstel van het waterhoofdje van de hond.”

Rechtspraak:

• Vred. Antwerpen 11 december 2014, RW 2015-16, 1429.

• Grondwettelijk Hof, 13 februari 2014, RW 2014-2015, 180

Arrest nr. 28/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 11 maart 2013 heeft de Vrederechter van het kanton Thuin de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Zijn art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het koninklijk uitvoeringsbesluit ervan van (24) december (1987) in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW,

– doordat, inzake de verkoop van een huisdier van de paardensoort dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor elk ander gebruik zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen het instellen van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enkele gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden te beperken tot twee ziekten en door, op straffe van absoluut verval, een termijn van negen dagen op te leggen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen,

– terwijl inzake de verkoop van een huisdier van een andere soort dan die welke worden beoogd in de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper wordt onderworpen aan de voorwaarden van de regeling van het gemene recht van art. 1641 BW, zowel voor wat betreft de definitie van de toelaatbare koopvernietigende gebreken als wat betreft de termijn om die vordering in te stellen?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, bepaalt:

“Art. 1. Bij de verkopingen of ruilingen van paarden, ezels, muilezels en andere huisdieren die tot het schapen-, runder- of varkensras behoren, worden de ziekten of gebreken die door de regering vastgesteld worden, met de beperkingen en de voorwaarden die zij aangewezen acht, voor koopvernietigende gebreken gehouden en zullen zij alleen aanleiding geven tot de vordering voorzien bij artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek.

“Art. 2. De regering zal eveneens de termijn bepalen binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld op straf van verval.

“Deze termijn mag de dertig dagen niet overschrijden, de dag vastgesteld voor de levering niet inbegrepen.

“De termijn om voor de rechtsmacht te verschijnen voor dewelke de vordering in eerste aanleg ingeleid wordt, zal ten minste één dag zijn indien de partij haar woonplaats heeft binnen de vijf myriameter vanaf de plaats van verschijning. Indien haar woonplaats verder ligt, wordt deze termijn met één dag per vijf myriameter verlengd.

“Art. 3. Indien de levering van het dier buiten de woonplaats van de verkoper is geschied, zal de termijn om de vordering in te stellen verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de verkoper en deze van de koper.

“Indien de koper het dier heeft voortverkocht en zelf gedagvaard wordt tot ontbinding van de verkoop, kan hij zijn eigen verkoper in vrijwaring oproepen, zo ten minste de termijn gedurende dewelke hij bij hoofdvordering had kunnen optreden nog niet verstreken is.

“Deze termijn om in vrijwaring op te roepen zal, in dit geval, en ongeacht de plaats waar het dier zich bevindt, verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de oorspronkelijke koper en deze van de oorspronkelijke verkoper.

“Art. 4. Binnen de termijn die overeenkomstig artikel 2 zal bepaald worden om de vordering in te leiden, zal de koper, op straf van verval, ertoe gehouden zijn de aanstelling uit te lokken van deskundigen met tot opdracht het bestaan van het koopvernietigend gebrek te doen vaststellen en daarvan proces-verbaal op te maken.

“Dit verzoek zal hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij in de vorm van een telegram, gedaan worden aan de vrederechter van de plaats waar het dier zich bevindt; in elk geval zal het, op straf van nietigheid, het gebrek aanduiden waardoor het dier zogezegd aangetast is.

“De vrederechter zal er de datum van vaststellen in zijn beschikking; hij zal het gebrek, waarop de eis gesteund is, vermelden en onmiddellijk, naargelang van de eis van het geval, een of drie deskundigen aanstellen die hun taak binnen de kortste tijd zullen moeten aanvangen, na de eed voor deze magistraat te hebben afgelegd en zonder verdere procedureformaliteiten; hij zal per verzekerd telegram de verkoper op de hoogte brengen van de dag, het uur en de plaats van het deskundig onderzoek.

“Het proces-verbaal van het deskundig onderzoek zal gemotiveerd zijn en de minuut ervan overgemaakt worden aan de partij.

“Indien het deskundig onderzoek slechts aangevat of beëindigd wordt na het verstrijken van de termijnen, bepaald overeenkomstig artikel 2, zal het aangegeven worden of het geconstateerd gebrek gedurende deze termijnen heeft bestaan.

“Nochtans, wanneer het dier, binnen de termijn bepaald voor het instellen van de vordering, op bevel van de bevoegde overheid zal afgemaakt worden wegens een van de ziekten die tot koopvernietiging aanleiding geven, zal het proces-verbaal dat in dit geval opgemaakt wordt, en dat op dezelfde manier met redenen zal omkleed zijn, het proces-verbaal van het deskundig onderzoek vervangen.

“Art. 5. Wanneer het dier buiten het land is gebracht, moet de koper, op straffe van verval, het terug in het land doen terugkomen en het brengen, hetzij naar de woonplaats van de koper of naar de hoofdplaats van het kanton waar die woonplaats gevestigd is, hetzij naar de plaats waar het contract is gesloten, hetzij naar de plaats waar de levering is gedaan.

“De termijn voor het instellen van de rechtsvordering wordt in dat geval verlengd met één dag per vijftien myriameter afstand tussen de plaats waar het dier zich bevindt en de plaats waarnaar het moet worden teruggebracht.

“Het verzoek tot benoeming van deskundigen moet, op straffe van verval, worden ingediend bij de vrederechter van de plaats waarnaar het dier zal worden gebracht, en zulks binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 2, met een verlenging van twee dagen zonder meer.

“De vordering tot koopvernietiging moet insgelijks in dat geval altijd worden ingesteld vóór de bevoegde rechter van diezelfde plaats.

“De koper moet bewijzen naar welke plaats buiten het land het dier is gebracht.

“Wanneer het echter gaat om een koopvernietigend gebrek dat besmettelijk is, mag de koper in geen geval het dier in het land doen terugkomen of een vordering tot koopvernietiging instellen.

“Evenmin kan de koper zodanige vordering instellen wanneer het dier buiten het land is gestorven.

“Art. 6. De vreemde eiser is gehouden, op verzoek van de verweerder, de borg te stellen, waarvan melding wordt gemaakt in artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van in zijn vordering niet te worden toegelaten.

“De borgsom wordt reeds op de eerste zitting in geld vastgesteld door de rechter vóór wie de rechtsvordering aanhangig is.

“De door de rechter bepaalde som wordt aan de griffier ter hand gesteld.

“Het vonnis is uitvoerbaar zonder dat het vooraf moet worden betekend; het is niet vatbaar voor hoger beroep.

“Art. 7. De vorderingen tot koopvernietiging zullen als dringende zaken behandeld en gevonnist worden.

“Art. 8. Indien het dier binnen de termijn, bepaald overeenkomstig artikel 2, verloren gaat, zal de verkoper tot geen vrijwaring gehouden zijn tenzij de koper het bewijs levert dat het verlies van het dier te wijten is aan een van de koopvernietigende gebreken, voorzien bij toepassing van deze wet.

“Art. 9. De koopvernietigende gebreken die binnen de voorziene termijnen geconstateerd worden volgens de voorgeschreven pleegvormen, zullen, tot bewijs van het tegendeel, vermoed worden als hebbende bestaan op het ogenblik van de overeenkomst.

“Art. 10. De verkoper of de ruiler zal niet gehouden zijn tot vrijwaring wegens koopvernietigende gebreken van besmettelijke aard, indien hij bewijst dat het dier sedert de levering in aanraking is geweest met dieren, aangetast door dezelfde besmettelijke ziekte als degene die tot de koopvernietigende vordering aanleiding gegeven heeft.

“Art. 11. Het verval voorzien bij de artikels 2, 4 en 5, is volkomen en zal van ambtswege worden toegepast, behalve wanneer de verkoper of de ruiler eerst te goeder trouw voor een onbevoegde rechter zou zijn gedagvaard geworden.

“Art. 12. De vordering tot prijsvermindering, toegelaten bij artikel 1644 van het Burgerlijk Wetboek, zal niet mogen uitgeoefend worden ingeval van koop en ruil van dieren die onder deze wet vallen.

“Art. 13. De rechtsvordering tot vernietiging van verkoop of ruiling van huisdieren, bestemd om afgemaakt te worden voor het verbruik, is slechts ontvankelijk uit hoofde der gebreken die ze tot de voeding onverbruikbaar maken, op voorwaarde dat die rechtsvordering ingespannen worde binnen de vijf dagen der levering van het verkocht dier, dat dit dier niet op eenen afstand van meer dan 5 myriameters van de verkoopplaats vervoerd zij en dat het volkomen voor het verbruik ongeschikt worde verklaard”.

B.1.2. Zoals het van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalde het KB van 24 december 1987 betreffende de koopvernietigende gebreken bij de verkoop of ruiling van huisdieren, vóór de wijziging ervan bij de koninklijke besluiten van 11 januari 2009 en van 1 februari 2012:

“Artikel 1. Enkel volgende ziekten of gebreken worden als koopvernietigende gebreken beschouwd:

1o Bij paard, ezel, muilezel of muildier:

– malleus;

– chronische intermitterende kreupelheid.

(…)

“Art. 6. De termijn voor het instellen van een rechtsvordering wegens een koopvernietigend gebrek is, de voor de levering vastgestelde dag niet gerekend, dertig dagen in geval van besmettelijke pleuropneumonie, runderbrucellose of enzoötische runderleucose, vijftien dagen in geval van rundertuberculose of witte-vaarzenziekte en negen dagen in de andere gevallen”.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het uitvoeringsbesluit ervan van 24 december 1987 verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW.

De verwijzende rechter merkt op dat, inzake de verkoop van een huisdier van het paardenras dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden, maar voor elk ander gebruik, zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen de uitoefening van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enige gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden, te verminderen tot twee ziekten en door, op straffe van volkomen verval, een termijn van negen dagen op te leggen te rekenen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen, terwijl, inzake de verkoop van een huisdier van een ander ras dan die welke worden beoogd bij de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper onderworpen is aan de voorwaarden van de gemeenrechtelijke regeling van art. 1641 BW, zowel ten aanzien van de definitie van de aanvaardbare koopvernietigende gebreken als ten aanzien van de termijn om die vordering in te stellen.

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt derhalve dat aan het Hof alleen een vraag wordt gesteld over art. 1 en 2, eerste en tweede lid van de in het geding zijnde wet.

B.2.3. Noch art. 26, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een uitvoeringsbesluit verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet. Met toepassing van art. 159 van de Grondwet komt het de rechter toe de bepalingen van een uitvoeringsbesluit die niet in overeenstemming zouden zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet, buiten toepassing te laten.

Het Hof vermag zich enkel uit te spreken over het ten aanzien van art. 10 en 11 van de Grondwet al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling als dat verschil aan een wetskrachtige norm kan worden toegeschreven. In dat verband moet worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden, behoudens aanwijzingen in tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet.

Wanneer een wettelijke regeling verwijst naar de nadere uitwerking ervan in een uitvoeringsbesluit, dient te worden bepaald aan welk van beide normen het in het geding zijnde grondwettigheidsbezwaar kan worden toegeschreven.

B.2.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling vloeit rechtstreeks voort uit art. 1 en 2 van de wet van 25 augustus 1885, aangezien die bepalingen slechts betrekking hebben op bepaalde huisdierenrassen, aangezien zij het mogelijk maken om een onderscheid te maken naar gelang van de ziekte waaraan die huisdieren lijden en aangezien zij, in afwijking van art. 1641 BW, een termijn van maximum dertig dagen opleggen waarbinnen, op straffe van verval, de vordering dient te worden ingesteld.

B.3. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient het Hof de verenigbaarheid na te gaan, met art. 10 en 11 van de Grondwet, van art. 1 van de in het geding zijnde wet, in zoverre het bij de verkoop van paarden alleen de door de regering aangewezen ziekten of gebreken, met de beperkingen en voorwaarden die zij gepast zal achten, beschouwt als koopvernietigende gebreken die als enige de vordering doen ontstaan die voortvloeit uit art. 1641 BW, en van art. 2 van die wet, in zoverre het aan de regering de zorg toevertrouwt de termijn te bepalen waarin de vordering op straffe van verval zal worden ingesteld (eerste lid), waarbij die termijn niet meer mag bedragen dan dertig dagen, de dag van de levering niet inbegrepen (tweede lid).

B.4. Art. 1641 tot 1649 BW, die paragraaf II (“Vrijwaring voor gebreken van de verkochte zaak”) van afdeling III (“Vrijwaring”) van hoofdstuk IV (“Verplichtingen van de verkoper”) van titel VI (“Koop”) van boek III (“Op welke wijze eigendom verkregen wordt”) van dat Wetboek vormen, bepalen:

“Art. 1641. De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

“Art. 1642. De verkoper moet niet instaan voor de gebreken die zichtbaar zijn en die de koper zelf heeft kunnen waarnemen.

“Art. 1643. Hij moet instaan voor de verborgen gebreken, zelfs wanneer hij die niet gekend heeft, tenzij hij in dat geval bedongen heeft dat hij tot geen vrijwaring zal zijn gehouden.

“Art. 1644. In het geval van de artikelen 1641 en 1643, heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald.

“Art. 1645. Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper.

“Art. 1646. Indien de verkoper de gebreken van de zaak niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot teruggave van de prijs, en tot vergoeding aan de koper van de door de koop veroorzaakte kosten.

“Art. 1647. Indien de zaak welke gebreken had, is teniet gegaan ten gevolge van haar slechte hoedanigheid, is het verlies voor rekening van de verkoper, die jegens de koper gehouden is tot teruggave van de prijs, en tot de overige schadevergoedingen in de twee vorige artikelen bepaald.

“Maar het verlies door toeval veroorzaakt is voor rekening van de koper.

“Art. 1648. De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

“Art. 1649. Deze vordering kan niet worden ingesteld wat betreft verkopingen die op rechterlijk gezag geschieden”.

B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 januari 1850 betreffende de koopvernietigende gebreken en van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, blijkt dat de wetgever heeft willen afwijken van art. 1641 tot 1649 BW, voor de handel in sommige huisdieren, teneinde de rechtszekerheid te versterken.

Die parlementaire voorbereiding vermeldt het volgende:

“Door de oorzaken van de koopvernietiging noch de termijnen van de vordering te bepalen en zich te beperken tot een verwijzing naar gebruiken die kunnen variëren naar gelang van de plaatsen en waarvan het bestaan soms moeilijk vast te stellen is, doen die onvolledige bepalingen van het Wetboek, om weinig belangrijke belangen, kostbare betwistingen ontstaan; zij bezorgen de rechters vaak ernstige problemen.

“Wegens het gebrek aan eenvormigheid in de termijnen van de waarborg en in de specificatie van de gebreken die de ontbinding van de overeenkomst met zich meebrengen, kan een koper op een bepaalde plaats een koop laten vernietigen, koop die hij elders, onder identieke voorwaarden, zou moeten naleven, en kan de verkoper op zijn beurt het dier waarvan hij zich op een andere markt niet zou kunnen ontdoen, op een dergelijke markt onbevreesd aanbieden zonder gevaar voor de opzegging van de verkoop” (Parl.St. Kamer 1848-49, nr. 198, p. 1).

“De moeilijkheden voorkomen door vaste, in het hele land verplichte en publiekelijk bekende regels aan te nemen, eerlijk gemaakte overeenkomsten stabiel maken en hindernissen vermijden die de ontwikkeling van de landbouw en de handel in de weg kunnen staan, vormen een werk waarmee de wetgever, in het algemeen belang, zonder aarzeling moet instemmen” (Parl.St. Senaat 1849-50, nr. 15, p. 1).

“Een aantal betrokkenen, de handelaars en de dierenartsen vooral, pleiten voor het Engelse systeem, met andere woorden de afschaffing van elke wet betreffende de koopvernietigende gebreken. De regering heeft wijselijk gehandeld door die zienswijze af te wijzen en een wetgeving ter zake te handhaven. Zonder wet vallen de transacties inzake de verkoop van dieren onder het gemene recht en in dat geval hebben de bijzondere overeenkomsten kracht van wet. Die regeling laat de kwekers op het platteland volledig over aan de willekeur van de handelaars, die hun vaak voorwaarden opleggen waarvan zij de draagwijdte niet kunnen begrijpen.

“Een ander nadeel van die regeling is dat in alle transacties een derde optreedt, ofwel een dierenarts, ofwel een koopman; zowel voor de verkoper als voor de koper leidt de aanwezigheid van een derde echter steeds tot het verlies van het grootste deel van de winst.

“Zodra het beginsel van de wet werd behouden, moest een dubbele hindernis worden vermeden. Enerzijds moesten de rechten van de verkoper worden gevrijwaard en moest hij worden beschermd tegen de manoeuvres van een oneerlijke koper. Anderzijds moesten de koper alle nodige middelen worden geboden om zich te verdedigen tegen de misbruiken van een weinig scrupuleuze verkoper.

“De koper opofferen voor de verkoper, kwam erop neer de buitenlandse kopers van onze markten te weren en een van de voornaamste bronnen van de inkomsten van de landbouw droog te leggen.

“De maatregelen die de regering in het huidige wetsontwerp voorstelt, leveren dat dubbele resultaat op. (…)

“Door sommige termijnen voor het instellen van de vordering tot koopvernietiging in te korten, kan de verkoper niet meer aansprakelijk worden gesteld voor gebreken die zich voordoen na de verkoop.

“Anderzijds zijn de nieuwe termijnen wel nog toereikend om het de koper mogelijk te maken de gebreken vast te stellen die op het ogenblik van de verkoop werkelijk bestaan” (Parl.St. Senaat 1884-85, nr. 99, p. 1 en 2).

B.5.2. De wetgever heeft aldus, met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de handel in huisdieren, een juridische regeling ingevoerd die afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW. Die juridische regeling beperkt de koopvernietigende gebreken die de vordering openstellen die voortvloeit uit art. 1641 BW, tot de ziekten en gebreken die zijn bepaald bij koninklijk besluit, en voorziet in termijnen om de vordering in te stellen die eveneens bij koninklijk besluit worden vastgesteld naar gelang van de ziekte of het gebrek, en die zeer kort zijn omdat zij niet meer mogen bedragen dan dertig dagen. Wanneer is voldaan aan de bij de afwijkende wet bepaalde voorwaarden, wordt de bewijslast vergemakkelijkt voor de koper, aangezien, overeenkomstig art. 9 van de wet van 25 augustus 1885, de koopvernietigende gebreken die binnen de gespecificeerde termijnen en volgens de voorgeschreven vormen zijn vastgesteld, zullen worden geacht te hebben bestaan op het ogenblik van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs. De niet-naleving van de termijn om de vordering in te stellen, leidt daarentegen tot een “volkomen” verval dat “van ambtswege (zal) worden toegepast” (art. 11). Gelet op de korte termijnen kan de vordering tot prijsvermindering, toegestaan bij art. 1644 BW, overigens niet worden uitgeoefend (art. 12).

B.5.3. Die regeling behandelt de kopers en verkopers van paarden anders dan de andere kopers en verkopers.

B.6.1. Hoewel de afwijkende regeling inzake koopvernietigende gebreken die van toepassing is op de verkoop van paarden zowel de rechtszekerheid als de bescherming van de kopers en verkopers voor de bij koninklijk besluit bepaalde ziekten en gebreken bevordert, tast zij in aanzienlijke mate de rechten van de kopers aan voor de andere ziekten en gebreken, omdat zij hun elke vordering tot koopvernietiging op grond van die ziekte of dat gebrek ontneemt en geen rekening houdt met het gebruik waartoe het dier is bestemd.

B.6.2. Geen enkele wetsbepaling verbiedt de partijen evenwel de verplichtingen van de verkoper ten aanzien van de waarborg bij de verkoop van huisdieren te regelen zoals zij dat willen, waarbij de afwijkende regeling enkel bedoeld is om de privébelangen te vrijwaren.

B.6.3. Hoewel de bij de wet van 25 augustus 1885 bepaalde regeling afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW – behalve wanneer de partijen bij overeenkomst andere regelingen hebben getroffen -, wijkt zij overigens niet af van de andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de verkoop. De koper kan derhalve, op grond van art. 1110 BW, een vordering tot nietigheid instellen wegens dwaling met betrekking tot een wezenlijke kwaliteit van het verkochte voorwerp, of een vordering tot ontbinding op grond van art. 1184 en 1604 BW. Art. 1649bis tot 1649octies BW, die de richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen ten uitvoer leggen, bieden overigens eveneens een bescherming aan de consument die voorrang moet krijgen op de bij de in het geding zijnde wet bepaalde afwijkende regeling.

B.6.4. Bijgevolg beperkt de in het geding zijnde afwijkende regeling de rechten van de kopers niet op onevenredige wijze.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/03/2015 - 20:00
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 15:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.