-A +A

Verkavelingsvergunning onder de expliciete voorwaarde om de lasten m.b.t. het sociaal woonaanbod strikt na te leven bevoegdheid Raad voor Vergunningsbetwistingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/04/2017
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
993
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

III. In rechte

...

In de specifieke context van de vernietiging van de sociale last bij arrest nr. 145/2013 van het Grondwettelijk Hof, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen reeds geoordeeld dat de vergunningverlenende overheid de sociale last kon schrappen zonder wijziging van de rest van de vergunning of herbeoordeling van de bescheiden last (bv. RvVb/A/1617/0358 29 november 2016; RvVb/A.1617/0525 31 januari 2017). De andersluidende rechtspraak, aangehaald door de vrijwillig tussenkomende partij, dateert van vóór arrest nr. 145/2013.

Wat de wijze van adiëren van de deputatie betreft, motiveerde de deputatie dat het beroep van 5 augustus 2014 diende «te worden gezien als zijnde een verzoek tot intrekking van de sociale last aan de deputatie». Deze interpretatie was correct, omdat de verkavelingsvergunning met sociale last was verleend door de deputatie en bijgevolg het college van burgemeester en schepenen niet bevoegd was om hierover in welke zin ook te beslissen.

De vrijwillig tussenkomende partij stelt echter wel terecht dat G.E. en A.S. hun verzoek tot schrapping van de sociale last hadden moeten richten tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen, als administratief beroep zoals bedoeld in art. 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. De vergunning werd immers niet verleend door het college van burgemeester en schepenen, maar door de deputatie.

In werkelijkheid oordeelde de deputatie dus niet over een beroep van G.E. en A.S. tegen het nalaten om te beslissen van het college, maar over een verzoek om een deel van de door de deputatie verleende vergunning te schrappen.

Het beroep tegen het college van burgemeester en schepenen zou – zonder noodzaak van voorafgaand verzoek aan het college – de correcte methode zijn geweest indien de vergunning zou zijn verleend door het college.

De deputatie heeft evenwel art. 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 miskend door zelf de sociale last in haar eigen vroegere besluit in te trekken. Het besluit van de deputatie van 2 oktober 2014 is dus onwettig en kan krachtens art. 159 Gw. ten opzichte van vrijwillig tussenkomende partij niet worden toegepast.

Hieruit volgt dat verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij ten opzichte eisers nog steeds kunnen aanvoeren dat de sociale last deel uitmaakt van de verkavelingsvergunning.

...

Noot: 

opgelet nieuwe wetgeving: de WHPC werden overgenomen in de WMPC en thans in het wetboek van economisch recht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/02/2018 - 17:06
Laatst aangepast op: zo, 11/02/2018 - 17:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.