-A +A

Verjaring vordering tot vergoeding van buitencontractuele schade aanvangstermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 09/12/2010

Rechtsvorderingen ter vergoeding van schade op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van 5 jaar vanaf het ogenblik det de benadeelde kennis krijgt van de schade.

De kennis van het bestaan van een schade of van de verzwaring ervan impliceert niet de kennis van de omvang ervan; bijgevolg begint de verjaringstermijn niet te lopen op de datum waarop het verslag van het medisch deskundigenonderzoek wordt neergelegd.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
135
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.10.0306.F

V.,
Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
FRANSE GEMEENSCHAP,
Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 16 december 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dinant.
Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert twee middelen aan waarvan het eerste als volgt is gesteld.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1382, 1383 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 8 en 32bis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, laatstgenoemd artikel ingevoegd bij het koninklijk besluit van 24 maart 1986;
- algemeen beginsel van het recht van verdediging.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis stelt eerst vast dat de verweerster haar rechtsvordering - die strekte tot terugbetaling van de brutobedragen die zij aan de heer S. betaald heeft vanaf diens ongeval, op 22 februari 1999, tot 30 november 2001 - steunt op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en wijst vervolgens de exceptie van verjaring van de rechtsvordering af op de onderstaande gronden:
"Volgens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
De verjaringstermijn van de rechtsvordering moet bijgevolg worden berekend, niet vanaf de datum van het ongeval, zoals (de eiseres) aanvoert, maar wel vanaf de neerlegging van het verslag dat de administratieve gezondheidsdienst heeft uitgebracht.
(De verweerster) leidt daaruit terecht af dat ‘c'est la prise de connaissance des conclusions de l'expertise médicale du service de santé administratif qui doit constituer le point de départ, car c'est à partir de ce moment-là que le dommage naît tant dans son principe que dans son quantum et qu'il peut y avoir récupération' (S. Gilson, ‘Les recours de l'employeur public et des assureurs à l'égard du tiers responsable d'un dommage causé à un travailleur : entre droit propre et recours subrogatoire', chronique de jurisprudence des juridictions de fond, in ‘La rupture du lien causal ou l'avènement de l'action directe et le déclin du recours subrogatoire', Ed. du jeune barreau de Liège, 2007, p. 228 e.v..
Op 18 februari 2002 heeft de administratieve gezondheidsdienst haar definitieve bevindingen medegedeeld; de verjaringstermijn is vanaf de volgende dag, namelijk 19 februari 2002, ingegaan".
Grieven
Eerste onderdeel
Krachtens artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen, enerzijds, van de identiteit van de voor de schade aansprakelijke persoon, en, anderzijds, van het bestaan van de schade. De kennis van het bestaan van de schade kan niet worden gelijkgesteld met de kennis van de omvang ervan, anders gezegd, met de kennis van de percentages van tijdelijke ongeschiktheid, de datum van de consolidatie en het percentage van blijvende ongeschiktheid.
Krachtens artikel 8 van het in het middel vermelde koninklijk besluit van 24 januari 1969 bepaalt de administratieve gezondheidsdienst het percentage van de blijvende arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van het door het ongeval veroorzaakte fysiologisch letsel. Krachtens artikel 32bis van hetzelfde koninklijk besluit moet die dienst tevens nagaan of de getroffene geschikt is om zijn ambt weer op te nemen met verminderde prestaties. Door de kennisgeving van de conclusie van de administratieve gezondheidsdienst werd de verweerster op de hoogte gebracht van het voor haar bindend medisch standpunt van die dienst, van de duur van de tijdvakken van tijdelijke ongeschiktheid, van het eventuele percentage van blijvende ongeschiktheid en van de mogelijkheid om met verminderde prestaties weer aan het werk te worden gesteld, anders gezegd van gegevens die betrekking hebben op de omvang van de schade.
Daaruit valt af te leiden dat niets de verweerster, in afwachting van die conclusie, in de weg staat op te treden teneinde de wedden te recupereren die zonder tegenprestatie werden betaald en dat de kennisgeving van het eindverslag van de administratieve gezondheidsdienst de schade niet doet ontstaan, net zo min als zij tot gevolg heeft dat de verweerster kennis krijgt van het bestaan ervan.
Het bestreden vonnis dat beslist dat de verjaringstermijn pas is ingegaan vanaf 19 februari 2002, dus daags na de datum waarop de administratieve gezondheidsdienst zijn definitieve conclusie heeft medegedeeld, miskent het begrip schade en kennis van de schade in de zin van zowel de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek als van artikel 2262bis van dat wetboek, alsook de regels die de opdrachten van de administratieve gezondheidsdienst vastleggen (de artikelen 8 en 32bis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969).

 

 

Tweede onderdeel
(De verweerster) heeft in haar appelconclusie niet staande gehouden dat zij, tot op het ogenblik waarop zij het verslag van de administratieve gezondheidsdienst ontving, niet wist dat zij een bezoldiging betaalde zonder arbeid als tegenprestatie. Zij voerde aan dat zij, vóór de neerlegging van dat verslag niet wist "of de periodes van afwezigheid waarin zij een wedde heeft betaald waarvoor geen arbeid als tegenprestatie werd verricht, te wijten zou zijn aan de fout van de betrokkene en, bijgevolg, of zij een recht zou hebben om van hem de terugbetaling te vorderen van de weddes die zonder arbeid als tegenprestatie zijn betaald". Indien het arrest in die zin moet worden uitgelegd dat het beslist dat de verweerster pas via de conclusie van de administratieve gezondheidsdienst te weten is gekomen dat zij weddes betaalde zonder arbeid als tegenprestatie, werpt het een geschil op waarvan van de partijen in hun conclusie het bestaan uitsloten. Het miskent aldus het beschikkingsbeginsel dat onder meer is neergelegd in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, en het algemeen beginsel van het recht van verdediging.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan.
Wanneer die benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan impliceert dat niet dat hij kennis heeft van de omvang ervan.
De verweerster heeft kennis gekregen van haar schade zodra zij wist dat zij het slachtoffer van het ongeval weddetoelagen betaalde zonder dat laatstgenoemde daarvoor arbeid verrichtte als tegenprestatie.
Het bestreden vonnis dat beslist dat de verjaringstermijn begint te lopen op de datum waarop het verslag van het medisch deskundigenonderzoek wordt neergelegd, dat de schade van de verweerster wat het beginsel en de omvang betreft, doet ontstaan, schendt artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 9 december 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.
De griffier, De raadsheer,
 

 

Noot: 

IB, Kennis van schade als aanvangspunt van de vijfjarige verjaringstermijn

Cassatie 05/09/2014, AR C.12.0605.N, juridat

samenvatting

De wetgever heeft als uitgangspunt van de vijfjarige verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de dag beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft van alle gegevens die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering te kunnen instellen; de benadeelde moet werkelijk kennis hebben van de schade en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, hetgeen inhoudt dat de benadeelde in staat is een causaal verband te leggen tussen het schadeverwekkend feit en de schade; hierbij is niet vereist dat de benadeelde kennis heeft van een zeker en vaststaand oorzakelijk verband

tekst arrest

Nr. C.12.0605.N
AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,
eiseres,

tegen
1. ALGEMEEN ZIEKENHUIS MARIA MIDDELARES vzw, met zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 1026,
eerste verweerster,

2. E. C.,
tweede verweerder,
3. D. C.,
derde verweerder,
4. VERENIGING DER ARTSEN VAN HET ALGEMEEN ZIEKENHUIS MARIA MIDDELARES SINT JOZEF vzw, met zetel te 9000 Gent, Kort-rijksesteenweg 1026,
vierde verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 mei 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Met de redenen dat de eiseres niet alleen kennis had van de schade, maar ook van de identiteit van de mogelijk aansprakelijke personen die zij desgevallend aansprakelijk kon stellen, oordeelt het arrest niet dat een vermoede kennis van de identiteit van de aansprakelijke persoon de in artikel 2262bis, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalde verjaringstermijn doet lopen. Het geeft daarmee enkel aan dat over de aansprakelijkheid van deze personen nog geen uitspraak kan worden gedaan.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 2262bis Burgerlijk Wet-boek, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag.

2. Het arrest leidt zijn vaststelling dat de eiseres ten laatste op 19 oktober 2000 niet enkel kennis had van de schade, maar ook van de identiteit van de personen die zij hiervoor desgevallend aansprakelijk kon stellen, niet alleen af uit de vast-stellingen dat:

- het vonnis van de politierechtbank te Hoei van 29 maart 1999 aan een ge-rechtsdeskundige de opdracht gaf het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de schade van Y. V. te onderzoeken;

- de geneesheer van de eiseres aanwezig was op de expertisezitting van 19 okto-ber 2000 waarop het medisch dossier van Y. V. werd voorgelegd,
maar ook uit de vaststellingen dat:

- Y. V. aanvankelijk slechts een goedaardig letsel vertoonde, met name een kwetsuur aan de teen, en zij nadien zeer belangrijke verwikkelingen heeft ge-kend, met name meningitis en septicemie, die geresulteerd hebben in een ver-lamming;

- het causaal verband tussen de toestand van Y. V. ingevolge de opgelopen her-senvliesontsteking en het ongeval van 9 juli 1994 blijkens de overwegingen van het vonnis van de politierechtbank te Hoei van 29 maart 1999 voorwerp van discussie is geweest.

3. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van het wettelijk begrip "fei-telijk vermoeden", berust het op een onvolledige lezing van het arrest.
In zoverre mist het eveneens feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters met de bekritiseerde redenen niet over het causaal verband tussen de gebeurlijke fouten van de behandelende artsen en de schade, maar stellen zij slechts vast dat de identiteit van de mogelijk voor de schade aansprakelijke personen op dat ogenblik gekend was voor de rechtsvoorgangster van de eiseres.

Het onderdeel dat in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist fei-telijke grondslag.

5. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde kritiek.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

6. Het arrest doet met de bekritiseerde redenen geen uitspraak over de inhoud van het medisch dossier van Y. V.

7. In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van het expertise-verslag van de deskundige Matagne aanvoert, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat de inhoud van het medisch dossier de appelrechters onbekend was, vraagt het een onderzoek van feiten waar-voor het Hof niet bevoegd is.
Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

9. Voor het overige is de aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet af-geleid.
In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk.

Vierde onderdeel

10. Artikel 2262bis, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle rechtsvor-deringen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprake-lijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever als uitgangspunt van de bedoelde verjaring de dag heeft beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft van alle gegevens die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering te kunnen instellen.

De benadeelde moet daadwerkelijk kennis hebben van de schade en van de identi-teit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, hetgeen inhoudt dat de benadeelde in staat is een causaal verband te leggen tussen het schadeverwekkend feit en de schade.

Hierbij is niet vereist dat de benadeelde kennis heeft van een zeker en vaststaand oorzakelijk verband.

11. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

12. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat een zekere en vaststaande kennis van het oorzakelijk verband vereist is, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 700,86 euro, voor de eerste verweerster op 149,63 euro en voor de derde en vierde verweerders op 335,55 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.12.0605.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan heeft deze zaak betrekking op de vergoeding van de schade opgelopen door het slachtoffer van een verkeersongeval, met name de duo-zitster op een motorfiets, en met name op de vordering tot vrijwaring, minstens terugbetaling, ingesteld door eiseres, WAM-verzekeraar van de bestuurder van die motorfiets, die aansprakelijk werd gesteld voor het ongeval en met wie zij in solidum werd veroordeeld tot vergoeding van de schade van het slachtoffer.

Eiseres verweet de verweerders dat bij de medische onderzoeken die het slachtoffer onderging op de spoedgevallendienst van het A.Z. MARIA MIDDELARES ten onrechte geen rekening werd gehouden met een mogelijke besmetting met bacteriële meningitis, wat aan het licht kwam naar aanleiding van een deskundigenonderzoek bevolen in het kader van de strafrechtelijke vervolging tegen de bestuurder van de motorfiets. Zij verweet de betrokken geneesheren een foutieve, minstens laattijdige diagnose te hebben gesteld van de bacteriële meningitisbesmetting naar aanleiding van de opname van het slachtoffer in het ziekenhuis ingevolge complicaties van diens verwondingen.

2. Eiseres ging over tot dagvaarding van verweerders en vorderde dan ook dat verweerders zouden worden veroordeeld haar te vrijwaren voor alle veroordelingen die te haren laste zouden worden uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Eupen, minstens tot terugbetaling van alle bedragen die zij zou verplicht zou zijn te betalen aan het slachtoffer. Ondergeschikt vorderde eiseres een deskundigenonderzoek.

3. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 19 maart 2009 werd de vordering van eiseres onontvankelijk verklaard wegens verjaring.

4. Op het hoger beroep van eiseres verklaarde het hof van beroep te Gent bij arrest van 31 mei 2012 dit hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond, bevestigde het integraal het beroepen vonnis en verwees het eiseres in de kosten.

5. Het cassatieberoep van eiseres maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.
Het enig cassatiemiddel

6. In haar enig cassatiemiddel, ontwikkeld in vier onderdelen, voert eiseres schending aan van de artikelen 1315, 1319, 1320, 1322, 1349, 1353, 1382 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet.
(...)

10. In het vierde onderdeel voert eiseres vooreerst aan dat, anders dan door het hof van beroep aangenomen, de door artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek vereiste kennis zich eveneens uitstrekt tot de kennis van het oorzakelijk verband tussen het schadeverwekkende feit en de schade en niet enkel tot de kennis van de schade en de identiteit van de personen die hier desgevallend aansprakelijk voor kunnen gesteld worden.

Indien zou worden overwogen dat het hof van beroep van Gent wel de kennis van een oorzakelijk verband vereist tussen het schadeverwekkende feit en de schade om de verjaringstermijn van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek te doen lopen, dan nog miskent het bestreden arrest volgens eiseres het wettelijk begrip "oorzakelijk verband" van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek alsook het wettelijk begrip "kennis van de identiteit van de [voor de schade] aansprakelijke persoon" van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, door de kennis van en zekerheid over een oorzakelijk verband tussen de aan de artsen verweten fouten en de schade van het slachtoffer af te leiden uit de aanstelling, door de politierechtbank van Huy bij vonnis van 29 maart 2009, van een deskundige met als opdracht om, onder meer, na te gaan of en in welke mate de letsels van het slachtoffer het gevolg zijn van een verkeersongeval.
(...)

Bespreking van het vierde onderdeel van het enig cassatiemiddel

31. In het vierde onderdeel wordt de appelrechters verweten te oordelen dat de kennis van een "zeker en vaststaand oorzakelijk verband" niet vereist is om de verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek te doen lopen.

32. De tekst van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek spreekt enkel over de kennis van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, maar niet over de kennis van het oorzakelijk verband.

33. Het doel van de wetgever was echter om de verjaring slechts een aanvang te doen nemen wanneer de benadeelde over alle elementen beschikt om zijn aansprakelijkheidsvordering in te stellen. De kennis van de "daarvoor aansprakelijke persoon" lijkt mij kennis van een mogelijk causaal verband te impliceren; men kan immers maar aansprakelijk zijn zo er een causaal verband is(1). De vereiste van kennis van het causaal verband lijkt mij dan ook inherent besloten te liggen in de wel in dit wetsartikel expliciet opgenomen kennisvereiste van de identiteit van de voor de schade aansprakelijke persoon.

T. VANSWEEVELT stelt aldus dat het vereist is dat de benadeelde een verband kan leggen tussen de schade en het gedrag van de mogelijke aansprakelijke. Immers, slechts wanneer hij dit verband heeft gelegd, kan hij op zoek gaan naar de identiteit van de aansprakelijke persoon(2). De kennis van een mogelijke aansprakelijkheidsgrond gaat dus de zoektocht naar de identiteit van de aansprakelijke vooraf(3).

34. Ook in dit onderdeel stelt zich opnieuw de vraag naar de omvang van die kennis. Moet die causale band "zeker en vaststaand" zijn? Of is een kennis van een "waarschijnlijk" causaal verband voldoende?

35. T. VANSWEEVELT stelt daaromtrent: "Anderzijds kan niet worden gevergd dat de benadeelde een absolute zekerheid heeft over het causaal verband tussen de gekende schade en het gedrag van de schadeverwekker alvorens de verjaringstermijn zou beginnen lopen. Die zekerheid bestaat niet en zal pas ontstaan nadat een rechter zich daarover heeft uitgesproken. Het volstaat dat een normaal zorgvuldig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden als de benadeelde, het causaal verband als redelijk waarschijnlijk of voldoende zeker zou hebben beoordeeld"4. Het criterium van de "goede huisvader" wordt hier opnieuw als norm genomen.

36. Ik ben dan ook met deze auteur van mening dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de kennis van een "zeker en vaststaand" oorzakelijk verband niet is vereist is opdat de verjaringstermijn een aanvang zou nemen, maar enkel de kennis van een "voldoende waarschijnlijk" oorzakelijk verband.

37. Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij in zoverre naar recht te falen.

38. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters met de bekritiseerde redenen de kennis van zekerheid over het oorzakelijk verband tussen de aan de artsen verweten fouten en de schade afleiden uit de aanstelling van een deskundige door de politierechtbank te Huy met als opdracht te bepalen of en in welke mate de letsels van het slachtoffer het gevolg zijn van een verkeersongeval, berust het naar mijn mening op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

39. Het onderdeel lijkt mij in zoverre het schending aanvoert van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aldus feitelijke grondslag te missen.

Conclusie:

40. VERWERPING
_________________
(1) Zie in die zin I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname van schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer 2005, 57; T. VANSWEEVELT, "De verjaring van de buitencontractuele vordering (art. 2262bis BW)", in H. VUYE en Y. LEMENSE, Springlevend aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2011, (293) 311-313.
(2) T. VANSWEEVELT, "De verjaring van de buitencontractuele vordering (art. 2262bis BW): de kennis van de schade, de identiteit van de aansprakelijke persoon én van het causaal verband tussen fout en schade?", TGez 2008-09, (206) 208.
(3) I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname van schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer 2005, 57.
(4) T. VANSWEEVELT, "De verjaring van de buitencontractuele vordering (art. 2262bis BW): de kennis van de schade, de identiteit van de aansprakelijke persoon én van het causaal verband tussen fout en schade?", TGez 2008-09, (206) 209.
 

Rechtsleer: Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] VERJANS, Elisabeth; Noot 'Enkele verduidelijkingen omtrent het vertrekpunt van de vijfjarige verjaringstermijn voor buitencontractuele rechtsvorderingen uit artikel 2262bis BW' 2015, nr. 7, p. 379-388.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 14/03/2011 - 10:22
Laatst aangepast op: za, 02/04/2016 - 18:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.