-A +A

Verjaring vordering op de staat termijn aangifte of overlegging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/03/2004
A.R.: 
C010597N

 

Om betaling te verkrijgen van een schuldvordering ten laste van de Staat die gegrond is op art. 1382 B.W. dient de belanghebbende een aangifte, staat of rekening over te leggen; wanneer de overlegging niet geschiedt binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan, is de schuldvordering verjaard (1). (1) Zie Cass., 21 april 1994, AR C.93.0329.F, nr 190; 2 nov. 1995, AR C.94.0186.N, nr 469; 10 okt. 1996, AR C.95.0289.F, nr 372;

P.-J Defoort, 'Het toepassingsgebied van de vijfjarige termijn van schulvorderingen ten laste van de staat m.b.t. schuldvorderingen op grond van artikel 1382 B.W.', P & B, 1995, (29) nr 7 tot 9.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.01.0597.N
VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de minister van Onderwijs en Vorming, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Consciencegebouw, Koning Albert II-laan 15,
eiseres,

tegen
V.D.A. M.,
verweerster.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 januari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Middel

Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 10 en 11 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet ;
artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën ;
artikel 100, eerste lid, a, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit ;
de artikelen 68 en 100 van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende het algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, artikel 100 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juni 1966.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep willigt verweersters hoger beroep in en verklaart haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk, niet-verjaard en grotendeels gegrond met volgende motieven :

"De eerste rechter heeft de vordering van verweerster ten onrechte als verjaard beschouwd op grond van de overweging dat deze 'schuldvordering' onderworpen is aan artikel 1a van de wet van 6 februari 1970 op de verjaring van de schuldvorderingen van de Staat.

Dit artikel stelt enkel dat de schuldvorderingen verjaren, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde voorlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin zij ontstonden.

De huidige rechtsvordering strekt tot vergoeding van een schade die ontstaan is op grond van een onrechtmatige daad. Voor dergelijke schulden van de Staat is geen reglementaire of wettelijke wijze van voorlegging van de schuldvordering voorgeschreven. Bijgevolg is artikel 1a van de wet van 6 februari 1970 niet van toepassing op deze schulden. De gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar was op deze schuld van toepassing op het ogenblik dat de vordering werd ingeleid aan de rechtbank.

Indien de verjaringstermijn voor schade door onrechtmatige daad van de overheid beperkt zou zijn tot 5 jaar, zou dit een onredelijke discriminatie uitmaken in de behandeling van de schuldvorderingen van de Staat tegenover deze van particulieren (Arrest Arbitragehof 32/96 ; T.P.R. 3-98 : De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk Overzicht van de rechtspraak 1992-1997, F. Meersschaut, blz. 1036").

Grieven

De vordering van verweerster had te dezen betrekking op het bekomen van een schadevergoeding wegens het materieel en moreel nadeel dat zij geleden had ingevolge het verlies van een schooljaar te wijten aan een fout van de examencommissie of directie van de onderwijsinstelling.

Deze vordering in schadevergoeding was gestoeld op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zoals uitdrukkelijk vermeld in de dagvaarding.

Overeenkomstig de artikelen 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, en het gelijkluidende artikel 100, eerste lid, a, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en bepaald vervallen, ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : a) de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden.

Het hof van beroep sluit de toepassing van deze aldus bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar uit op een dubbele grond, te weten 1) dat bedoeld artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 niet van toepassing is op schulden voor dewelke geen reglementaire of wettelijke wijze van voorlegging is voorgeschreven en 2) dat een beperking van de verjaringstermijn voor het bekomen van een vergoeding ingevolge schade door onrechtmatige daad van de overheid, tot vijf jaar een onredelijke discriminatie zou uitmaken in de behandeling van de schuldvorderingen van de Staat tegenover deze van particulieren.

Het slachtoffer van een onrechtmatige daad van de overheid, dient de vordering tot vergoeding van de door deze onrechtmatige daad geleden schade over te leggen in de zin van genoemd artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 of van het gelijkluidend artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, door het indienen van een schuldvordering.

Uit de artikelen 68 en 100 van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende het algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit, zoals dit laatste gewijzigd werd bij koninklijk besluit van 20 juni 1966, volgt dat alle schuldvorderingen ten laste van de Staat, die geen vaste uitgaven zijn, zoals bezoldigingen of pensioenen, het voorwerp moeten uitmaken van een aangifte, staat of rekening.

Het hof van beroep kon derhalve niet wettig oordelen dat voor een vordering in schadevergoeding lastens de Staat, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de wet van 6 februari 1970 niet van toepassing was bij gebrek aan wettelijke of reglementaire wijze van voorlegging van de schuldvordering.

Deze schuldvordering dient te worden ingediend binnen de vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstond.

Het hof van beroep stelt te dezen vast dat "de examencommissie een fout beging toen zij aan (verweerster) weigerde om haar scriptie in tweede zittijd (september 1982) opnieuw te verdedigen (waardoor) (verweerster) een ernstige en bijna zekere kans om te slagen in september 1982 (verloor)". Het hof van beroep omschreef de voor vergoeding in aanmerking komende schade als het verlies van een mogelijkheid van tewerkstelling van oktober 1982 tot en met juni 1983, benevens de morele schade.

De schade deed zich aldus ten laatste in juni 1983 voor, zodat de schuldvordering diende te worden ingediend binnen de vijf jaar na 1 januari 1983.

Zoals door eiseres omstandig in conclusie aangevoerd, maakte verweerster voor het eerst aanspraak op vergoeding lastens eiseres door de dagvaarding van 10 oktober 1989, te weten meer dan vijf jaar na de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de schade was ontstaan.

Deze vordering diende vervolgens verjaard te worden verklaard.

De gemeenrechtelijke termijn voor het inleiden van een vordering in schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bedroeg 30 jaar, en sinds het van kracht worden van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, en in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

De bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet gestelde regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie, sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Door de vorderingen gericht tegen de Staat of de provincie aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Dergelijke maatregel was immers noodzakelijk omdat de Staat of de provincie op een bepaald ogenblik zijn of haar rekeningen moet kunnen afsluiten.

In het arrest van 15 mei 1996 (nr. 32/96) van het Arbitragehof, waarnaar het hof van beroep verwijst, werd ten aanzien van de toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn op vorderingen die waren ingediend door personen wier onroerende goederen werden beschadigd door werken uitgevoerd door de Staat, geoordeeld dat die maatregel niet redelijk verantwoord was nu het "immers om schuldvorderingen (gaat) die zijn ontstaan uit een nadeel dat pas aan de oppervlakte kan komen talrijke jaren nadat de werken werden uitgevoerd (en) de laattijdige klachten hun verklaring meestal niet (vinden) in de nalatigheid van de schuldeiser, maar in het feit dat de schade zich laattijdig manifesteert".

Deze redenering, zoals door het Arbitragehof zelf weergegeven in zijn arrest van 20 januari 1999 (nr.
5/99), kan niet worden toegepast op schuldvorderingen die tot doel hebben een nadeel te herstellen dat wordt veroorzaakt door een als foutief gekwalificeerde beslissing (zoals in de onterechte weigering een scriptie in tweede zittijd te verdedigen). In dit geval betreft het immers een vordering die voortvloeit uit een welbepaalde beslissing die een onmiddellijk nadeel berokkent. Door dergelijke vorderingen aan de vijfjarige verjaringstermijn te onderwerpen, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet onevenredig is met het nagestreefde doel.

Het hof van beroep kon dienvolgens niet wettig oordelen dat de vordering van verweerster, strekkend tot het bekomen van schadevergoeding voor het nadeel dat zij had ondervonden door een onterechte weigering haar scriptie te verdedigen in een tweede zittijd, niet onderworpen was aan de verjaringstermijn van artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, en het gelijkluidende artikel 100, eerste lid, a, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit, omdat deze bepalingen een onredelijke discriminatie zouden opleveren.

Hieruit volgt dat het hof van beroep zijn beslissing niet wettig rechtvaardigt (schending van de artikelen 10 en 11 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, 100, eerste lid, a, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, 68 en 100 van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende het algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, artikel 100 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juni 1966).

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat, krachtens artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, thans artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, verjaard zijn en bepaald vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan ;

Overwegende dat, krachtens de artikelen 68 en 100 van het koninklijk besluit inhoudende het algemeen reglement op 's Lands rekenschap, artikel 100 gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juni 1966 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit, voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave zijn, de belanghebbenden om de betaling van hun vorderingen te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dienen over te leggen ;

Overwegende dat een schuldvordering die gegrond is op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geen vaste uitgave is in de zin van artikel 68 van voormeld koninklijk besluit ;

Overwegende dat het arrest oordeelt dat voor de schuldvordering, ontstaan uit een onrechtmatige daad, geen reglementaire of wettelijke wijze van voorlegging van de schuldvordering is voorgeschreven ;

Dat het beslist dat bijgevolg artikel 1, a, van de wet van 6 februari 1970 niet van toepassing is op deze schuld en dat op deze schuld, op het ogenblik dat de vordering voor de rechtbank werd ingeleid, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar van toepassing is ;

Dat het arrest zodoende de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt ;

Dat het middel gegrond is ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/05/2016 - 12:25
Laatst aangepast op: vr, 27/05/2016 - 12:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.