-A +A

Verjaring vordering deskundige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 29/06/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1651
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. Eiser leverde voor werweerster prestaties op vennootschapsrechtelijk, boekhoudkundig en fiscaal vlak.

2. De (aangepaste) vordering strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van de som van 17.533,34 euro, zijnde het saldo openstaande facturen, vermeerderd met de gerechtelijke interesten op de som van 13.533,15 euro.

...

Nopens de verjaring

3. Onterecht werpt verweerster de exceptie van verjaring van de vordering op. Zij beroept zich ter zake op art. 2276ter, § 2, B.W.

De korte verjaringstermijn van art. 2276ter B.W. betreft aanspraken tegen en van deskundigen.

De wetgever liet na te omschrijven wie in deze bepaling als deskundige kan worden beschouwd. Het is raadzaam het begrip «deskundige» in de context van deze wetsbepaling in zijn gangbare betekenis te gebruiken. De deskundige is dan ook een persoon op wie men een beroep doet wegens zijn bijzondere beroeps- of technische kennis. Deze bijzondere kennis stelt hem in staat de feitelijke elementen van een zaak deskundig te ontleden en technische inlichtingen of adviezen te verstrekken die nodig zijn voor de voorkoming of oplossing van het geschil (Ph. Colle, «Eerste commentaar bij het nieuwe art. 2276ter B.W.: de verjaring van de aansprakelijkheid van deskundigen en van hun vordering tot betaling van kosten en ereloon», R.W. 1990-91, p. 115, nr. 5). Voor wat het toepassingsgebied van art. 2276ter B.W. betreft, dient geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de deskundige al dan niet optrad in een gerechtelijke procedure.

Eiser is in casu niet opgetreden als deskundige in de voornoemde betekenis. Hij verrichtte geen deskundig onderzoek in het raam van een technische aangelegenheid, dit ter voorlichting van partijen en/of de rechtbank. Hij presteerde daarentegen prestaties op vennootschapsrechtelijk, boekhoudkundig en fiscaal vlak.

Nopens de grond van het geschil

4. In handelszaken wordt algemeen aanvaard dat het niet protesteren van de factuur het vermoeden oplevert dat de geadresseerde het met de factuur en de inhoud ervan eens is. Wie beweert dat een factuur niet beantwoordt aan wat is overeengekomen, moet tijdig en concreet protesteren. Doet hij dit niet, dan wordt daaruit afgeleid dat de geadresseerde stilzwijgend heeft aanvaard dat wat in de factuur door de opsteller ervan wordt geaffirmeerd, overeenstemt met de overeenkomst, zodat ze geldt als bewijs van wat aan de opsteller van de factuur toekomt en van de overeenstemmende betalingsverbintenis van de geadresseerde (Kh. Brussel 14 juni 1991, T. Aann. 1995, 80; Kh. Kortrijk 20 april 1995, A.J.T. 1994-1995, 575; Kh. Antwerpen 6 januari 1998, R.W. 1999-2000, 443).

Hoewel de regel van art. 25, tweede lid, W. Kh. dat de aanvaarde factuur de overeenkomst bewijst, betrekking heeft op de (ver)koop, wordt aangenomen dat, voor andere handelsverrichtingen, zoals aannemingen, de rechter uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs in kan vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis (Cass. 1 december 1967, Pas. 1968, I, 440; Cass. 29 januari 1996, Pas. 1996, I, 59; Cass. 27 januari 2000, R.W. 2000-01, 353).

Op de handelaar rust bijgevolg de verplichting om een onjuiste factuur te protesteren binnen een korte termijn, d.w.z. de termijn die daartoe redelijkerwijze nodig is, gelet de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de gegevens van de factuur (E. Dirix en G.L. Ballon, De factuur, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1993, nr. 213).

De rechtbank stelt vast dat geen van de litigieuze facturen door verweerster tijdig werd betwist, minstens dat zij het bewijs van een dergelijke betwisting niet levert. Wanneer verweerster meende dat zij niet tot betaling gehouden was, dan diende zij deze facturen tijdig te protesteren. Het eerste aanwijsbare protest dateert van 23 maart 2006, dit is meer dan vijf maanden na de laatste factuur. Het werd pas geformuleerd nadat eiser verweerster diverse malen in gebreke had gesteld om tot betaling over te gaan en is te laat geformuleerd.

Aangezien eiser nooit een tijdig protest mocht ontvangen met betrekking tot de litigieuze facturen, met duidelijke vermelding van wat en hoeveel er precies onjuist werd gefactureerd, dienen de thans door deze partij ingevorderde facturen dan ook bij gebrek aan tijdig en voldoende concreet protest als volstrekt gekend en aanvaard te worden beschouwd door verweerster.

Alle post factum door de laatstgenoemde partij geformuleerde bezwaren moeten worden beschouwd als te laat ingediend, niet meer ter zake dienend en bijgevolg ongegrond.

...
 

Noot: 

Hof van Beroep Gent 25/06/2010, Juridat:

samenvatting

Alleen aansprakelijkheidsvorderingen met betrekking tot fouten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de opdracht van een gerechtsdeskundige vallen onder de verkorte verjaringen van artikel 2276 ter § 1, eerste lid B.W. ; bijvoorbeeld inbreuken op de regelen van de kunst en op de pleegvormen.

Buitencontractuele rechtsvorderingen met betrekking tot fouten die slechts naar aanleiding van de uitvoering van de opdracht gepleegd zijn, worden beheerst door de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen.

tekst van het arrest:

2004/AR/1789 - In de zaak van:

H. C., wonende te ...................................., appellante,hebbende als raadsman mr. BLOMME Koen, advocaat te 8820 TORHOUT, Vredelaan 25, tegen:
D. C., wonende te .............................................................., geïntimeerde,hebbende als raadsman mr. LUST Antoon, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27,

velt het hof het volgend arrest:

Kennis werd genomen van het op 8 juli 2004 bij verzoekschrift door de appellante ter griffie ingesteld hoger beroep tegen het vonnis op 4 februari 2004 uitgesproken door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge; vonnis dat, bij gebreke aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig naar de vorm werd ingesteld.

Bestreden vonnis waarbij ook de vordering van de appellante onontvankelijk werd verklaard wegens verjaring, de tegenvordering van de geïntimeerde als ongegrond werd afgewezen, en de appellante veroordeeld werd tot de kosten, aan de zijde van de geïntimeerde nader begroot.

De appellante kan zich niet verzoenen met het bestreden vonnis, en streeft het volledig teniet doen ervan na.

Tevens vordert zij in haar beroepsakte en daaropvolgende conclusies dat het hof, daarna dienaangaande opnieuw beslissend, haar initiële vordering ontvankelijk en dermate gegrond verklaart dat de geïntimeerde veroordeeld wordt om haar provisioneel 3.500 EUR schadevergoeding te betalen, meer de vergoedende en de gerechtelijke rente.

Desgevallend vraagt zij dat zijzelf of G. H. onder ede door het hof zouden worden verhoord omtrent de aanwezigheid ten tijde van de plaatsbezoeken van de ‘Plaatsebeek'.

Tenslotte vordert zij de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide instanties, aan haar zijde nader begroot.

Bij conclusies besluit de geïntimeerde tot de afwijzing van het principaal hoger beroep als ongegrond.

Tevens stelt hij incidenteel beroep in voor zover de eerste rechter zijn tegeneis tot het bekomen van een schadevergoeding van 3.100 EUR wegens foutieve, tergende en roekeloze vordering heeft afgewezen als ongegrond.

Tenslotte vordert hij de veroordeling van de appellante tot de kosten van de beide instanties, aan zijn zijde nader begroot.

De partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 7 mei 2009 in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

BEOORDELING

1. Op de openbare terechtzitting van 7 mei 2009 heeft de geïntimeerde het weren uit de debatten gevorderd van de laatste conclusies van de appellante, ter griffie neergelegd op 1 april 2009.

Het hof stelt vast dat deze conclusies inderdaad werden neergelegd op een ogenblik dat de appellante niet meer over de mogelijkheid daartoe beschikte op grond van de conclusiekalender opgelegd aan de partijen bij beschikking van 8 mei 2008; beschikking aan de partijen ter kennis gebracht op 15 mei 2009.

De appellante heeft ook niet overeenkomstig art. 748 §2 Ger.W. verlof gevraagd om aanvullende conclusies te mogen neerleggen.

In de gegeven omstandigheden dienen die desbetreffende conclusies derhalve overeenkomstig art. 747§2, zesde lid Ger.W. zelfs ambtshalve uit de debatten te worden geweerd.

De vraag van de geïntimeerde tot wering moet derhalve worden ingewilligd.

2. Ter zake van de beroepsaansprakelijkheid van gerechtsdeskundigen bepaalt art. 2276 ter §1, eerste lid B.W. dat deskundigen ontlast zijn van hun beroepsaansprakelijkheid tien jaar na het beëindigen van hun taak, of als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na het indienen van hun verslag.

Voornoemd wetsartikel werd in het burgerlijk wetboek ingevoegd bij art.1 W.19 februari 1990, met publicatie in het Belgisch Staatsblad op 30 mei 1990.

Waar voormeld wetsartikel zowel de contractuele als de buitencontractuele aansprakelijkheid van een deskundige viseert, is een contractuele aansprakelijk-heid ten aanzien van een gerechtsdeskundige nochtans ondenkbaar.

Een contractuele band tussen partijen en deskundige bestaat niet, aangezien deze laatste door de rechtbank werd aangesteld, en hij alleen op buiten-contractuele grond in rechte kan worden aangesproken voor begane fouten of nalatigheden, met name voor de schadelijke gevolgen die derden ondergaan ten gevolge van de hem verwijtbare onregelmatigheden in zijn verslag.

Er bestaat dan ook geen twijfel over dat in casu de geïntimeerde enkel op buitencontractuele gronden door de appellante voor de eerste rechter werd gedaagd teneinde een schadevergoeding te bekomen, aangezien niet wordt betwist dat hij eertijds bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 9 maart 1981 werd aangesteld in het kader van een vereffeningsprocedure waarin de appellante partij was.

Een gerechtsdeskundige is weliswaar bekleed met een opdracht van openbare dienst, doch als ‘helper van het gerecht' geniet hij geenszins van welkdanige immuniteit zoals een magistraat of openbaar ambtenaar.

En zelfs indien de geïntimeerde lid zou hebben uitgemaakt van een college van deskundigen (volgens de appellante zou de geïntimeerde door het voornoemd doch thans niet overgelegd vonnis van 9 maart 1981 samen met twee notarissen als deskundigen zijn aangesteld), kan hij desniettemin alleen in rechte door de appellante worden aangesproken, aangezien dient aangenomen dat elk lid van een college van deskundigen in solidum aansprakelijk kan worden gesteld voor de fouten die één van hen begaat, doordat zij toch worden geacht aan alle verrichtingen te hebben deelgenomen of die ten minste te hebben gecontroleerd.

3. Gelet op de beperkende interpretatie van verjaringstermijnen die van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen afwijken, moet worden aangenomen dat alleen aansprakelijkheidsvorderingen met betrekking tot fouten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de opdracht van een gerechtsdeskundige, onder de verkorte verjaringen van art. 2276ter §1, eerste lid B.W. vallen.

Buitencontractuele rechtsvorderingen met betrekking tot fouten die slechts naar aanleiding van de uitvoering van de opdracht gepleegd zijn worden echter beheerst door de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen.

Met betrekking tot rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid geldt thans art. 2262 bis §1, tweede lid B.W. sinds de invoeging in het Burgerlijk Wetboek van deze wetbepaling door art. 5 van de Wet van 10 juni 1998 (B.S. 17.07.1998).

Doch inbreuken op de regelen van de kunst en op de pleegvormen geven in beginsel ongetwijfeld aanleiding tot een zgn. beroepsaansprakelijkheid, waarvan de regelen worden beheerst door art. 2276ter §1, eerste lid B.W..

De fout of nalatigheid die een gerechtsdeskundige zou begaan in de uitoefening van de vaardigheid of techniek waarin hij als expert specifiek beslagen is, houdt immers rechtstreeks verband met de uitoefening van zijn opdracht.

Wanneer de ten laste gelegde fout naast de schending van de zorgvuldigheids-norm in een bepaald geval ook of evengoed een beroepsfout uitmaakt, dan dient ongetwijfeld art. 2276ter §1, eerste lid B.W. en niet art. 2262bis §1, tweede lid B.W., toegepast voor wat betreft de verjaringstermijn, ongeacht of in andere omstandigheden dergelijke inbreuk ook een algemene inbreuk op de zorgvuldig-heidsplicht zou inhouden.

Waar de appellante voorhoudt dat de beroepsaansprakelijkheid van de geïntimeerde in het gedrang komt, doordat hij als gerechtsdeskundige bij het opmeten alsmede opstellen van een opmetingsplan en deskundig verslag, tot stand gekomen ter uitvoering van het voornoemd vonnis van 9 maart 1981, een voor haar nadelige vergissing heeft begaan, namelijk het bestaan van de ‘Plaatsebeek', die eigendom zou zijn van de gemeente Koekelare, niet te hebben opgetekend en vermeld, klaagt zij ontegensprekelijk een fout of nalatigheid van de geïntimeerde aan die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn opdracht.

Met die bewuste beek zou in het opmetingsplan en het deskundig verslag, dat nadien door de rechtbank werd bekrachtigd, immers geen rekening zijn gehouden en a fortiori ook niet in de daaropvolgende definitieve notariële vereffeningstaat en de lottrekkingsakte, waardoor de beweerde schade voor de appellante zou zijn ontstaan.

De andersluidende bewering van de appellante dat de gewraakte fout of nalatig-heid van de geïntimeerde integendeel uitsluitend onder het regime van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen valt kan geenszins worden gevolgd.

De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat de vordering van de appellante verjaard is.

4. tergend en roekeloos gedingHet is niet omdat de vordering van de appellante verjaard is dat het tergend en/of roekeloos karakter zou blijken van haar handelwijze.

Het instellen van een vordering is de uitoefening van een recht dat slechts een ongeoorloofde daad wordt en aldus recht geeft op schadevergoeding indien dit gebeurt met roekeloosheid, boosaardigheid of kwade trouw die niet wordt vermoed doch bewezen moet worden.

Dergelijk bewijs ligt niet voor zodat de eerste rechter, weze het om andere redenen, de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding terecht als niet gegrond heeft afgewezen.

Het gaat niet op dat de geïntimeerde een tergend en roekeloos geding ontwaart in het louter feit dat de appellante de draagwijdte van haar rechten verkeerd heeft ingeschat.

5. de kosten.

De eerste rechter heeft juist beslist over de kosten in eerste aanleg.

De rechtsplegingsvergoeding toekomend aan de geïntimeerde bedroeg op het ogenblik van zijn uitspraak 342,09 EUR en niet 334,66 EUR zoals thans door de appellante gevorderd.

Als verliezende partij in deze instantie vallen de kosten van het geding ten laste van de appellante.

In hoger beroep heeft de appellante haar voor de eerste rechter gestelde vordering om een schadevergoeding van 7.000 EUR, meer rente, te bekomen, gewijzigd naar een vraag tot het bekomen van een provisionele vergoeding van 3.500 EUR, meer rente.

Het bedrag van de rechtsvordering in deze instantie wordt bepaald op grond van de waarde van de vordering van de appellante gesteld in haar laatste conclusie. Deze bedraagt provisioneel 3.500 EUR. De afwijzing van deze provisie in deze instantie brengt mede dat de geïntimeerde slechts aanspraak kan maken op de basisvergoeding van 650 EUR voor geschillen tussen 2.500,01 EUR tot 5.000 EUR , en niet 1.200, zijnde de basisvergoeding voor niet in geld waardeerbare geschillen zoals door de appellante gevorderd.

OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Weert uit de debatten de op 1 april 2009 ter griffie neergelegde conclusies voor de appellante.

Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de appellante in de kosten van deze instantie, en begroot die aan de zijde van de geïntimeerde op 650 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 11° kamer, op 25 juni tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Alexander Deene, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;mevr. Nadia De Turck, raadsheer;mevr. Kristin Vandenberghe, raadsheer;dhr. Yves Henderickx, griffier.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/05/2010 - 03:40
Laatst aangepast op: vr, 27/05/2011 - 19:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.