-A +A

Verjaring voortdurend misdrijf zoals instandhouden bouwmisdrijf vangt pas aan bij einde wederrechtelijke toestand

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/10/2014
A.R.: 
P.13.0986.N

De verjaring van de strafvordering bij een voortdurend misdrijf, zoals de instandhouding van zonder stedenbouwkundige vergunning opgetrokken vergunningsplichtige constructies, neemt slechts een aanvang op de dag van het beëindigen van de wederrechtelijke toestand (1). (1) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 214

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.13.0986.N
L P P,
beklaagde,
eiser,

tegen
1. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Executieve van de Vlaamse Gemeenschap, voor wie optreedt de minister bevoegd voor Monumenten en Landschappen, met kantoor te 1040 Brussel, Trierstraat 92,
burgerlijke partij,

 

2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, in naam van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestse-poort 6 bus 93,
eiser tot herstel,
3. GEMACHTIGD AMBTENAAR ONROEREND ERFGOED, met kan-toor te 1210 Brussel, Koning Albert-II laan 19 bus 22,
eiser tot herstel,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 april 2013.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

1. De eiser doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in de mate dat:

- het arrest ten aanzien van de verweerder 1 bij verstek is gewezen;

- het arrest de beslissing over kosten aanhoudt en die beslissing niet definitief is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin uitspraak doet in een van de gevallen bepaald in het tweede lid van die bepaling;
- het arrest wat betreft de op het Landschapszorgdecreet gesteunde herstelvorde-ring het debat heropent.

2. Het arrest veroordeelt de eiser tot alle kosten van de strafvordering in beide aanleggen. Dit is een eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, ook al worden die kosten niet begroot.

In zoverre kan de afstand niet worden verleend.

3. Voor het overige kan de afstand worden verleend.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastlegging B van de zaak II (on-derdeel oprichting van het overdekken van drie tennisterreinen met een luchthal en het oprichtingsmisdrijf van het plaatsen van verlichtingspalen en de instand-houding van deze palen) en voor de telastlegging D van de zaak II.

Het verklaart de herstelvordering van de verweerder 2 met betrekking tot de houten constructie type sauna van de telastlegging A van de zaak II zonder voorwerp en het verklaart die herstelvordering met betrekking tot de afbraak van de verlichtingspalen in zoverre geënt op de telastlegging B van de zaak II en die herstelvordering met be-trekking tot de afbraak van alle aangelegde tennisterreinen in zoverre geënt op de telastlegging D van de zaak II ongegrond gelet op de verleende vrijspraken.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 778, 785 en 1042 Gerech-telijk Wetboek en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt niet vast dat raadsheer Ph. Soetaert die het bij eenparigheid gewezen arrest niet heeft ondertekend, zich in de onmogelijkheid bevond om dit arrest te ondertekenen, hoewel zulks is vereist.

6. Artikel 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de voorzit-ter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te onderte-kenen, de griffier daarvan onderaan de akte melding maakt en de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die het hebben uitgesproken.

7. Het arrest, dat is ondertekend door raadsheer, dienstdoende voorzitter A. Papen, plaatsvervangend raadsheer Ph. De Clippel en door griffier Gilloen, stelt vast dat:

- de zaak eenparig werd gevonnist door raadsheer A. Papen, dienstdoende voor-zitter, raadsheer Ph. Soetaert en plaatsvervangend raadsheer Ph. De Clippel, die aan het beraad hebben deelgenomen overeenkomstig artikel 778 Gerechtelijk Wetboek;

- het beraad was beëindigd;

- raadsheer Ph. Soetaert wettig verhinderd was de uitspraak bij te wonen.

Daaruit volgt dat de griffier heeft vermeld dat raadsheer Ph. Soetaert in de onmo-gelijkheid verkeerde om het arrest te ondertekenen en is het door de andere raads-heren en de griffier ondertekende arrest geldig.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 21, 22, 23, 24, eerste lid, 1° (in de versie tot stand gebracht bij wet van 11 december 1998, de wet van 16 juli 2002 en de programmawet van 5 augustus 2003) en 25 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat op de datum van het arrest de verjaring van de strafvordering niet is bereikt; de eiser werd in de zaak I vervolgd wegens feiten die in de tijd beperkt waren tot uiterlijk 17 decem-ber 1997 (telastlegging A3) en in de zaak II voor feiten die in de tijd beperkt waren tot uiterlijk 14 februari 2000 (instandhoudingsmisdrijf van de telastleggingen A en B; dit is de datum waarop de zaak bij de strafrechter werd aanhangig gemaakt);

de laatst mogelijke nuttige stuitingsdatum voor die feiten had bij afwezig-heid van enige andere oorzaak van schorsing van de verjaring van de strafvorde-ring op 14 februari 2006 moeten worden gesteld, dit is vijf jaar na het in de tijd beperkt aanhangig gemaakt voortgezet misdrijf, te verlengen met een periode van schorsing van maximaal één jaar ingevolge artikel 24, eerste lid, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de hier toepasselijke versie.

9. De verjaring van de strafvordering bij een voortdurend misdrijf, zoals de in-standhouding van zonder stedenbouwkundige vergunning opgetrokken vergun-ningsplichtige constructies, neemt slechts een aanvang op de dag van het beëindi-gen van de wederrechtelijke toestand.

10. De saisine van de rechter die kennis neemt van feiten die een voortdurend misdrijf opleveren:

- is evenwel beperkt tot de in de akte van aanhangigmaking vermelde tijdsperi-ode, behoudens aanpassing van die tijdsperiode door de rechter met respect van het recht van verdediging en zonder zich nochtans te mogen uitspreken over andere feitelijke gedragingen dan die welke aanhangig werden gemaakt;
- kan zich niet uitstrekken na de datum van de akte van aanhangigmaking, be-houdens een aanvullende akte van aanhangigmaking, wat in hoger beroep e-venwel niet is toegelaten.

11. Bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering kan de rechter en-kel tot zijn saisine behorende feiten in aanmerking nemen.

12. In de te beoordelen zaak wordt in de akten van aanhangigmaking als uiterste einddatum van de aanhangig gemaakte feiten de datum van de betekening van de dagvaarding in de zaak II vermeld, namelijk 14 februari 2000.

13. De appelrechters verwerpen de door de eiser ingeroepen verjaring van de strafvordering op de volgende gronden:

- de eiser wordt vervolgd voor twee reeksen van misdrijven, namelijk in de zaak I voor feiten die strafbaar zijn op grond van artikel 41 Landschapszorgdecreet en op grond van de Stedenbouwwet, thans de Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening, en in de zaak II voor feiten die strafbaar zijn op grond van de Steden-bouwwet;

- voor al de misdrijven inzake de ruimtelijke ordeningswetgeving de eiser ook wordt vervolgd voor de instandhouding van niet-vergunde werken;

- de aanhangig gemaakte feiten in de zaken I en II onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en een complexe gedraging op-leveren en dus een voortgezet misdrijf uitmaken, zonder dat die feiten onderling gescheiden zijn door een verjaringstermijn van vijf jaar;

- de ten laste gelegde misdrijven van instandhouding betrekking hebben op ruim-telijk kwetsbaar gebied en dus nog strafbaar zijn;

- de verjaring van de strafvordering voor de instandhoudingsmisdrijven als voortdurende misdrijven slechts begint te lopen als de delictuele toestand op-houdt en dus geen aanvang neemt zolang aan die onwettige toestand een einde werd gemaakt, hetgeen niet gebeurde behalve wat de sauna (houten construc-tie) en de stenen barbecue betreft.

Aldus nemen de appelrechters, die de data van de in de akten van aanhangigma-king vermelde en uiteindelijk bewezen verklaarde feiten niet aanpassen noch mel-ding maken van een in eerste aanleg gedane aanvullende akte van aanhangigmaking, als aanvangsdatum voor de berekening van de verjaring van de strafvorde-ring een andere datum in aanmerking dan de in de akten van aanhangigmakingen bepaalde uiterste einddatum van 14 februari 2000, meer bepaald 4 februari 2013, zijnde de datum van behandeling voor het appelgerecht. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

14. Rekening houdend met:

- de in de akten van aanhangigmaking vermelde einddatum van 14 februari 2000 als aanvangsdatum voor de verjaring van de strafvordering;

- de krachtens artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaar;

- de periode van schorsing van die verjaring als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie, vanaf de inleiding voor de eerste rechter met de dagvaarding in de zaak II, namelijk vanaf vanaf 28 februari 2000 en dit gedurende maximaal een jaar;

- de daden van stuiting van de verjaring van de strafvordering tijdens die peri-ode van schorsing, die uitwerking hebben bij het einde van de schorsing;

- de afwezigheid van enige andere daad van stuiting of grond van schorsing van de verjaring van de strafvordering, werd de verjaring van de strafvordering voor de in hoofde van de eiser bewezen verklaarde feiten in elk geval bereikt op 28 februari 2006.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen

15. De overige onderdelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen antwoord.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de herstelvordering van de verweerder 2

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Omvang van de cassatie

17. Aangezien uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de herstelvordering van de verweerder 2 voor de eerste rechter werd aanhangig gemaakt met de straf-vordering en dus in elk geval voordat de strafvordering is komen te vervallen door verjaring, is er geen grond om de cassatie van de beslissing op de strafvordering uit te breiden tot de beslissing waarbij de herstelvordering van de verweerder 2 wordt ingewilligd.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand zoals hiervoor bepaald.
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet op de beslissing op de strafvordering, behoudens wat betreft de beslissingen waaromtrent het cassatieberoep niet ontvankelijk is.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.
Bepaalt de kosten op 150,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 14/04/2016 - 11:54
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2016 - 10:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.