-A +A

Verjaring van de vordering van de gerechtsdeurwaarder tegen advocaat tot betaling van zijn kosten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 01/04/2010
A.R.: 
2008/AR/50

De relatie tussen een gerechtsdeurwaarder en een advocaat (die hem als tussenpersoon opdrachten heeft verstrekt) is niet van contractuele aard, maar is gesteund op de deontologische norm van de advocaten. Als zodanig is een dergelijke vordering niet onderworpen aan de korte verjaringstermijn, voorzien in artikel 2272, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, maar aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar, zoals bepaald in artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk Wetboek.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HOF VAN BEROEP TE GENT1e kamer
terechtzitting van 01 april 2010 2008/AR/50

in de zaak van:

V. K. J., jurist,
wonende te .....................................,

appellant,
tegen:

1. W. P., gerechtsdeurwaarder,

eerste geïntimeerde,

2. M. P., gerechtsdeurwaarder,

tweede geïntimeerde,

beiden kantoor houdende te ................................................

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 9 januari 2008 heeft J. V. K. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 december 2007, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

1. Met dagvaarding van 14 februari 2007 vorderen gerechtsdeurwaarders P. W. en P. M. (geïntimeerden) van (toenmalig) advocaat J. V. K. (appellant) betaling van euro 2.779,46 (waarvan euro 1.633,32 in hoofdsom en euro 1.146,14 aan intresten) uit hoofde van openstaande kostenstaten die betrekking hebben op prestaties uit de jaren 1994 en 1995.

Appellant betwist deze vordering, voorhoudend dat P. M. geen hoedanigheid heeft om deze vordering in te stellen, die overigens zou verjaard zijn, overeenkomstig artikel 2272, lid 1 van het burgerlijk wetboek.

Hij vordert bij tegeneis een schadevergoeding van euro 1.000,00 wegens tergend en roekeloos geding.

2. De eerste rechter is van oordeel dat P. M. over de vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering in te stellen, nu hij gerechtsdeurwaarder J. M. is opgevolgd en de overdracht van schuldvordering regelmatig is tot stand gekomen. Ook de exceptie van verjaring wordt verworpen.

Dienvolgens wordt appellant veroordeeld tot betaling van euro 1.633,32, meer de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 augustus 2006 (datum van de eerste bewezen ingebrekestelling). De tegeneis wordt afgewezen.

3. Met het door hem ingesteld hoger beroep beoogt appellant de afwijzing van de vordering van geïntimeerden en hun veroordeling tot betaling van euro 1.000,00 wegens tergend en roekeloos geding.

Hij volhardt in de exceptie van verjaring en vraagt, in ondergeschikte orde, dat desbetreffend twee prejudiciële vragen zouden worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

4. Geïntimeerden besluiten tot de afwijzing van het hoger beroep. Zij stellen incidenteel hoger beroep in, strekkende tot de integrale toekenning van hun initiële vordering.

beoordeling

1. exceptie van verjaring

De door appellant ingeroepen exceptie van verjaring is gesteund op artikel 2272, lid 1 van het burgerlijk wetboek, waarin wordt bepaald dat de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen en voor de opdrachten die zij uitvoeren, verjaart na verloop van één jaar.

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 maart 2004 (T.B.B.R. 2004, 430), waarin wordt beslist dat deze (korte) verjaringstermijn niet toepasselijk is wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënten verzoekt ambtstaken te verrichten, heeft de eerste rechter aangenomen dat in casu de tienjarige verjaringstermijn van toepassing is (artikel 2262bis, § 1 van het burgerlijk wetboek).

Appellant acht deze interpretatie discriminerend en vraagt het hof, voor zover niet zou worden ingegaan op de exceptie van verjaring, de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"1. Of, indien van de algemene draagwijdte van artikel 2272, eerste lid, BW wordt afgeweken door de rechtsvordering van de gerechtsdeurwaarder tot betaling van zijn loon voor de akten die hij betekent en de opdrachten die hij uitvoert niet te laten verjaren door verloop van een jaar gebaseerd op de hoedanigheid van de opdrachtgever, aanzien als tussenpersoon i.p.v. lastgever, er geen discriminatie is tussen de soorten opdrachtgevers en aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met art. 6 van het EVRM geschonden worden.";

"2. Of artikel 2262 bis § 1, lid 1 BW dat toepasselijk is op de relatie advocaat-gerechtsdeurwaarder (waar de advocaat als tussenpersoon fungeert) geen discriminatie inhoudt t.a.v. de bewijslast vermits artikel 2276 bis, § 1 BW de advocaten van hun beroepsaansprakelijkheid ontlast en ze niet meer verantwoordelijk stelt voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak, en derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met artikel 6 van het EVRM schendt.".

De eerste rechter, aan wie ook was gevraagd de eerste hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, is hierop niet ingegaan, op de overweging dat de korte verjaringstermijn van artikel 2272 van het burgerlijk wetboek gesteund is op een vermoeden van betaling, hetgeen een contractuele relatie veronderstelt tussen schuldeiser en schuldenaar. Nu de relatie tussen de gerechtsdeurwaarder en de advocaat (optredend als tussenpersoon) niet van contractuele aard is (maar gebaseerd op de deontologische norm van de advocaten), is volgens de eerste rechter de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing.

Het hof treedt deze zienswijze bij. Het onderscheid is verantwoord door de vaststelling dat de vordering van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt een contractuele basis heeft, daar waar de vordering tegen de advocaat steunt op een deontologische verplichting in hoofde van de advocaat. Om die reden is het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet geschonden en dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof (artikel 26, § 2, lid 3 Bijzondere wet Arbitragehof).

Er is evenmin aanleiding om de tweede gesuggereerde vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. In de mate een advocaat slechts gedurende vijf jaar na het beëindigen van zijn opdracht aansprakelijk is en gedurende een zelfde termijn de stukken dient te bewaren (artikel 2276bis, § 1 van het burgerlijk wetboek), terwijl hij langere tijd kan worden aangesproken in de betaling van het loon van de gerechtsdeurwaarders, kan weliswaar sprake zijn van een ongerijmdheid in de wetgeving, maar niet van enige ongrondwettigheid.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht besloten dat de gemeenrechtelijk verjaringstermijn van 10 jaar ter zake van toepassing is (artikel 2262bis, § 1 van het burgerlijk wetboek). Deze termijn werd ingevoerd bij de wet van 10 juni 1998, waarvan de overgangsbepalingen voorzien dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijn begint te lopen vanaf de inwerkingtreding ervan. Hieruit volgt dat op datum van dagvaarding (14 februari 2007) de verjaring niet was ingetreden.

Conclusie: de vordering van geïntimeerden is niet verjaard en er is geen aanleiding om in verband met deze door appellant opgeworpen exceptie prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

2. Dat gerechtsdeurwaarder M. op 2 mei 2006 in opdracht van appellant drie exploten heeft betekend, houdt geenszins in dat op dat ogenblik alle achterstallige kosten vereffend waren. Uit de voorgelegde rekeningen blijkt trouwens dat het twee verzetsakten en een beroepsakte betrof, die dringend dienden te worden betekend. Dit blijkt uit de brief van appellant van 9 september 2006, waarin hij zelf benadrukt dat hij zich op de laatst nuttige dag heeft gewend tot geïntimeerden, die in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk hun medewerking konden weigeren.

De eerste rechter heeft appellant terecht veroordeeld tot betaling van de gevorderde hoofdsom, meer de intresten vanaf de datum van de eerste ingebrekestelling, waarvan aangetoond wordt dat deze effectief aangetekend aan appellant werd verstuurd.

3. Aangezien de vordering van geïntimeerden gegrond is, kan er geen sprake zijn van een tergend en roekeloos geding.

4. Het bestreden vonnis dient integraal te worden bevestigd, ook waar het heeft beslist over de kosten.

Tevergeefs vorderen geïntimeerden een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 1.500,00 voor de procedure in eerste aanleg. Aangezien de wet van 21 april 2007 pas op 1 januari 2008 in werking is getreden en het bestreden vonnis werd gewezen op 4 december 2007, zijn de nieuwe tarieven niet van toepassing op de procedure in eerste aanleg.

Rekening houdend met het bedrag van de vordering ( euro 1.633,32), bedraagt het basisbedrag van rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep euro 400,00.

Geïntimeerden vorderen een bedrag van euro 1.500,00 omwille van het onredelijk karakter van het hoger beroep en de daartoe aangevoerde irrelevante of verkeerde argumenten. Deze redenen zijn evenwel geen grond tot verhoging van het basisbedrag.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst appellant in de kosten van de beroepsinstantie, die aan zijn zijde niet dienen te worden begroot daar zij hem ten laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerden vereffend worden op euro 400,00 rechtsplegingsvergoeding.

Noot: 

HOF VAN CASSATIE


1e KAMER – 25 MAART 2004, RW 2004-2005, 25 maart 2004,856

samenvatting

Krachtens art. 2272, eerste lid, B.W. verjaart de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren, door verloop van één jaar. Deze verjaringstermijn is niet van toepassing wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënten verzoekt ambtstaken te verrichten. Die advocaat kan zich niet beroepen op het vermoeden van betaling.

V. t/ D. e.a.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 februari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat krachtens art. 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren, verjaart door verloop van één jaar;

Dat deze verjaringstermijn niet van toepassing is wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënten verzoekt ambtstaken te verrichten;

Dat die advocaat zich niet kan beroepen op het vermoeden van betaling;

Overwegende dat de appèlrechters door te beslissen dat art. 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek enkel de rechtsvordering betreft van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt, deze wetsbepaling niet schenden;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

...

3. Derde onderdeel

Overwegende dat, zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, art. 2272, eerste lid, B.W. enkel de rechtsvordering betreft van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt;

Overwegende dat de appèlrechters in die zin oordelen;

Dat zij hierbij ook overwegen dat, ook in geval een advocaat optreedt, «een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen de cliënt en de gerechtsdeurwaarder», zodat deze laatste de mogelijkheid heeft «om een rechtstreekse contractuele vordering in te stellen tegen de cliënt» en voorts dat de gerechtsdeurwaarder (even)wel een vordering heeft tegen de advocaat, zij het «op grond van de gewoonte en van de deontologische norm van de advocaten, waardoor dezen gehouden zijn om de openstaande staten van gerechtsdeurwaarders te voldoen»;

Dat zij aldus de vermelde bepaling correct toepassen;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

...

NOOT – Gerechtsdeurwaarders en advocaten in de clinch: perikelen over het toepassingsgebied van art. 2272 B.W. I. Clays.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 23/06/2014 - 16:49
Laatst aangepast op: za, 21/05/2016 - 19:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.