-A +A

Verjaring van de aansprakelijkheidsvordering tegen de nalatige bestuurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/03/2010

De aansprakelijkheidsvordering tegen bestuurders verjaart na 5 jaar art. 198 §1 vierde lid W. Venn, vanaf de ontdekking van de laatste foutieve daad.

Het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing gedurende meer dan 2 jaar is een zware fout die de bestuurdersaansprakelijkheid meebrengt.

ZElfs een individuele arbeider kan de vordering tot aansprakelijkheid van een bestuurder instellen (art 530 §1 W. Venn.)

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1048
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgische Staat, minister van Financiën t/ V.L., V.M., V.G. en V.J.

A. Voorwerp van de vordering

Eiseres vordert de betaling van verweerders van de som van 100.000 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf dagvaarding en met de gerechtskosten, bij een uitvoerbaar vonnis, met uitsluiting van het recht tot kantonnement.

B. Middelen van de vordering

De vordering heeft betrekking op de niet-betaling van bedrijfsvoorheffing ten bedrage van 103.546,03 euro (accessoria incluis) door de failliete NV G.V. (failliet verklaard op bekentenis bij vonnis van 12 januari 1999 met deficitaire afsluiting bij vonnis van 26 juni 2001) voor de periode december 1996-1997-1998.

Eiseres ontving ter zake geen dividend uit het faillissement en tracht thans vooralsnog betaling te verkrijgen van de bestuurders.

Dagvaarding daartoe werd uitgebracht op 12 augustus 2003 (d.i. na afsluiting van het faillissement).

In essentie argumenteert eiseres dat het een kennelijk grove fout van de bestuurders van de gefailleerde vennootschap betrof om gedurende méér dan twee jaren deze fiscale schuld onbetaald te laten en daarenboven voorrang te geven aan de betaling van private schulden, zich aldus een zekere vorm van krediet opbouwend ten kosten van Schatkist. Deze fout zou hebben bijgedragen tot het faillissement. Bijkomend gingen verweerders in de fout door de zgn. alarmbelprocedure van art. 633 W.Venn. niet correct te hebben toegepast en werden “de boeken” te laat neergelegd.

Verweerders zijn, volgens eiseres, verplicht tot schadeloosstelling op grond van hetzij art. 530 W.Venn., hetzij art. 633 W.Venn., hetzij art. 1382-1383 BW.

C. Verweer op de vordering

Verweerders betwisten de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing niet, noch de begroting van de vordering.

Wel voeren zij, samengevat, aan dat de vordering verjaard is, minstens ongegrond is bij gebreke van een door hen begane fout (met het oog op het redden van de zaak verkozen zij de leveranciers van de gefailleerde te betalen boven de bedrijfsvoorheffing), c.q. het voorliggen van een rechtvaardigingsgrond, namelijk het zich voordoen van een waterschade in september 1998 die de gefailleerde heeft getroffen in haar exploitatie.

...

D. Beoordeling van vorderingen en verweer

D.1. Verjaring

De vordering is niet verjaard.

De niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing gaat terug tot december 1996 en eindigde (met het faillissement) in december 1998.

Er werd gedagvaard op 12 augustus 2003.

Art. 198, § 1, vierde lid W.Venn. voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor de aansprakelijkheidsvordering ten laste van vennootschapsbestuurders, “wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking”.

De rechtbank is van mening dat, daar de niet-betalingen van de bedrijfsvoorheffingen over de betrokken periode één geheel uitmaken, de verjaring pas begint te lopen vanaf het laatste beweerde foutieve feit, namelijk de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing van december 1998 (zie: Cass. 14 februari 1935, Pas. 1935, I, 159; Gent 8 juni 2009, RABG 2010, 183; M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, 42).

Het laatste als bestuursfout omschreven feit wordt gesitueerd minder dan vijf jaren vóór dagvaarding, zodat de vordering niet verjaard is.

D.2. Bestuursfouten

De rechtbank acht het niet doorstorten gedurende méér dan twee jaar van de bedrijfsvoorheffing een kennelijke grove fout van de zijde van de bestuurders van de vennootschap in kwestie die heeft bijgedragen tot het faillissement, temeer daar er naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier geen redenen blijken die konden doen veronderstellen dat de financiële moeilijkheden waaronder het familiebedrijf diende te opereren van tijdelijke aard waren.

In conclusies van verweerders wordt aangegeven dat het ging om een bewuste keuze van de bestuurders (...).

De rechtbank acht de hoofdelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders betrokken op grond van art. 530, § 1 W.Venn.

De wateroverlast van september 1998 die één winkel trof, acht de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond; het voorval leunde enorm dicht aan bij het faillissement en het grootste deel van de bedrijfsvoorheffing was toen al verschuldigd.

Rest de vraag of de vordering op grond van art. 530, § 1 W.Venn. openstaat voor de schuldeiser, ook al, zoals hier het geval is, is het faillissement al afgesloten op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld.

Met de wet van 4 september 2002 (BS 21 september 2002) werd de mogelijkheid voor de individuele schuldeiser ingevoerd om de vordering van art. 530 W.Venn. in te stellen (art. 530, § 1 W.Venn.).

Dat het faillissement daarbij nog niet mag zijn afgesloten, staat niet in de wet. Dit afleiden uit het gegeven dat de schuldeiser die deze vordering instelt de curator op de hoogte dient te brengen, gaat naar mening van de rechtbank niet op. Is er een curator, dan moet hij op de hoogte worden gebracht; is hij er niet meer, dan niet; de niet-mededeling van de vordering blijft ten andere zonder sanctie.

Voorts is het zo dat het hier om een bestuurdersaansprakelijkheid gaat waarbij de kennelijk grove fout moet hebben bijgedragen tot het faillissement, iets wat perfect na afsluiting van het faillissement kan worden beoordeeld.

De enige limiet lijkt die van de verjaring te zijn, maar die werd hier niet bereikt (zie supra).

Het bovenstaande klemt des te meer nu faillissementen soms snel worden afgesloten en de individuele schuldeiser, in het geval dat de vordering van art. 530, § 1 W.Venn. hangende het faillissement moet worden ingesteld, daardoor verrast kan worden, c.q. zijn vordering gefnuikt ziet.

Daarenboven kan het voor de schuldeiser onder omstandigheden interessant zijn het al dan niet ageren van de curator op basis van art. 530, § 1 W.Venn. ten laste van de bestuurders af te wachten, welke praktijk evenzeer zou worden gehypothekeerd door een interpretatie van art. 530, § 1 W.Venn. in voormelde, enge zin.

Tot slot spoort het toelaten van de vordering op grond van art. 530, § 1 W.Venn. na faillissementssluiting ook met de mogelijkheid voor de schuldeiser om alsdan zijn individueel nadeel gemakkelijker te kunnen becijferen, omdat alsdan alleszins de omvang van een eventueel door de curator toebedeeld dividend gekend zal zijn.

Daar de vordering op grond van art. 530 W.Venn. gegrond is, is het niet nodig de andere rechtsgronden, die niet tot een hogere vergoeding kunnen leiden, door eiseres opgeworpen te onderzoeken (Gent 6 november 2006, DAOR 2007, 208).

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/01/2012 - 15:23
Laatst aangepast op: zo, 12/02/2012 - 09:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.