-A +A

Verjaring regresvordering 3 jaar vanaf dag betaling door verzekering zelfs indien grond regres dan nog niet vaststaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 01/03/2013
A.R.: 
C.12.0188.N

De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog; deze bepaling doet de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een grond van verhaal tegen de verzekerde beschikt.

De regresvordering van de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, ook wanneer zij gericht is tegen de verzekeringnemer.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0188.N
AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,
eiseres,
tegen
T.D.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 21 maart 2011.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 34, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regres-vordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens be-drog.

Deze bepaling doet de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een grond van verhaal tegen de verzekerde beschikt.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de zoon van de verweerder op 6 juli 2004 een ongeval veroorzaakte met een quad;
- de eiseres de benadeelden in 2004 en 2005 vergoedde aangezien er geen be-twisting was over de aansprakelijkheid;
- de zoon van de verweerder bij vonnis van 4 april 2007 van de correctionele rechtbank te Hasselt werd veroordeeld wegens het sturen zonder rijbewijs;
- het cassatieberoep tegen dit vonnis werd verworpen bij arrest van het Hof van 6 november 2007;
- de eiseres de verweerder op 13 maart 2009 dagvaardde in terugbetaling van haar uitgaven op grond van artikel 25, 3°, b), Modelovereenkomst.

3. De appelrechters die oordelen dat de vordering van de eiseres verjaard is omdat op het ogenblik van de dagvaarding meer dan drie jaar verlopen is sedert de betalingen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Met de redenen die het vonnis vermeldt, beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseres over de wetsbepaling die op de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde van toepassing is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Krachtens artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbe-houden tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Artikel 34, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regresvorde-ring van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog.

6. Uit de samenhang tussen deze wetsbepalingen volgt dat de regresvordering van de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, ook wanneer zij gericht is tegen de verzeke-ringnemer.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 535,80 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 1 maart 2013 uitgesproken

C.12.0188.N
Conclusie van procureur-generaal J.F. Leclercq:

1. De zaak vindt haar oorsprong in een verkeersongeval op 6 juli 2004, waarin zoon van de verweerder betrokken was als bestuurder van een quad(1), waarvoor de verweerder als eigenaar een WAM-verzekeringsovereenkomst gesloten had met de eiseres.

Na een definitieve strafrechtelijke veroordeling (door verwerping van het cassatieberoep bij arrest van het Hof van 6 november 2007) van deze zoon wegens A (onopzettelijke toebrenging van slagen of verwondingen) en C (besturen zonder rijbewijs) vorderde de eiseres van de verweerder, op grond van artikel 25.3.b van de modelpolis (besturen zonder rijbewijs) de bedragen terug die ze aan de benadeelde derden betaald had.

Het bestreden vonnis verklaart deze vordering ongegrond wegens verjaring, op deze aangevochten gronden:
(...)

"Conform artikel 34, §3 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst verjaart de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde door verloop van 3 jaar, te rekenen vanaf de betaling door de verzekeraar behoudens bedrog.

"Art. 34, §3, dat uitdrukkelijk gewag maakt van de dag van betaling, sluit uit dat er een ander vertrekpunt dan de betaling in aanmerking wordt genomen.

‘Als de wetgever in 1992, bij de invoering van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst gewild zou hebben dat de oude rechtspraak van toepassing zou blijven, dan zou hij die rechtspraak in de wet hebben verwerkt. Door juist het begrip ‘de gebeurtenis waarop ze gegrond is' te vervangen door ‘de dag der betaling', heeft de wetgever juist te kennen gegeven dat de oude rechtspraak niet van toepassing zou moeten blijven'.(2)

"Art. 34, §3 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst waarvan de tekst klaar en duidelijk is, sluit dan ook uit dat de verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf het ogenblik dat de oorzaak van het regres vaststaat.

"[Eiseres tot cassatie] is ten onrechte van mening dat de verjaring in casu pas een aanvang nam vanaf het ogenblik dat er definitief vaststond dat de verzekerde zonder geldig rijbewijs reed, namelijk vanaf het cassatiearrest d.d. 6 november 2007.

"Uit de stukken van het dossier blijkt duidelijk dat [eiseres tot cassatie] betalingen heeft gedaan in 2004 en 2005.
"Sedert deze betalingen is er meer dan 3 jaar verlopen, alvorens op 13 maart 2009, over te gaan tot dagvaarding in tussenkomst.
"De regresvordering is derhalve verjaard.
"De eerste rechter heeft echter ten onrechte uit deze verjaring afgeleid dat de vordering onontvankelijk is.
"De verjaring raakt de grond van de zaak zodat de vordering niet onontvankelijk is doch ongegrond is.
(Répertoire Pratique du Droit Belge, deel X ‘Prescription', p. 17 nr. 46).
"Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.
"Het eerste vonnis wordt bevestigd weliswaar op andere gronden".

2. Het eerste cassatiemiddel voert de schending aan van artikel 34, §3 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst. Het middel is als volgt gesteld.

"1. "De wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst bepaalt in artikel 34, §3:
"De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog".
"De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde en verzekeringsnemer verjaart aldus in de regel door verloop van drie jaar.

2. Deze driejarige termijn gaat - overeenkomstig artikel 34, §3 - in vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar en nadat vaststaat dat de verzekeraar over een rechtsvordering beschikt om de verzekerde en/of verzekeringsnemer tot terugbetaling te dwingen.

3. Stelt de verzekeraar op grond van artikel 25.3.b van de modelpolis (wegens het besturen zonder rijbewijs door de verzekerde die het ongeval en de schade veroorzaakte) een regresvordering in tegen de verzekerde en/of verzekeringsnemer, dan kan de verjaring van deze vordering conform artikel 34, §3 bijgevolg niet ingaan vooraleer de verzekeraar die de getroffenen vergoedde, over een rechtsvordering beschikt om de verzekerde en/of verzekeringsnemer tot terugbetaling te dwingen.

In geval van betwisting over de vraag of de verzekerde die geen rijbewijs had, al of niet een rijbewijs nodig had en het openbaar ministerie hem strafrechtelijk vervolgt wegens het besturen zonder rijbewijs, dan komt vast te staan dat de verzekeraar die de getroffenen vergoedde, over een rechtsvordering op grond van artikel 25.3.b van de modelpolis beschikt, op het ogenblik dat de strafrechtelijke veroordeling wegens besturen zonder rijbewijs in kracht van gewijsde is gegaan.

4. Het aangevochten vonnis van 21 maart 2011 stelt vast:
- dat er op 6 juli 2004 een ongeval was met een Quad bestuurd door T. D., zoon van verweerder in cassatie;
- dat eiseres tot cassatie de BA verzekeraar motorrijtuigen van de Quad was;
- dat eiseres tot cassatie de benadeelde derden vergoedde in 2004 en 2005 aangezien er geen betwisting was over de verantwoordelijkheid van T. D.;
- dat eiseres tot cassatie bij aangetekende brief d.d. 2 december 2004 verweerder in kennis stelde van haar intentie verhaal uit te oefenen conform artikel 88 WLVO omdat de bestuurder van de Quad niet in het bezit was van een geldig rijbewijs;
- dat in de strafrechtelijke procedure T. D. vervolgd werd onder meer wegens het niet in het bezit zijn van een geldig rijbewijs (art. 21, al. 1, art. 28, art. 30 par. 1.1 en art. 38.1.5 KB 16.03.1968);
- dat het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank van 4 april 2007 T. D. hiervoor veroordeelde en oordeelde dat hij als bestuurder van de Quad in het bezit diende te zijn van minstens een rijbewijs categorie B om de Quad op de openbare weg te besturen;
- dat het cassatieberoep tegen dit vonnis van 4 april 2007 verworpen werd door het arrest van Uw Hof van 6 november 2007;
- dat eiseres tot cassatie als WAM-verzekeraar van de Quad van verweerder in cassatie op 13 maart 2009 laatstgenoemde verweerder in cassatie liet dagvaarden op grond van artikel 25.3.b van de modelpolis en van de algemene polisvoorwaarden.

5. Op grond van deze vaststellingen en i.h.b. enerzijds, de vaststelling dat het arrest van 6 november 2007 het cassatieberoep verwierp tegen het vonnis in hoger beroep van 4 april 2007 waarin bestuurder T. D. als beklaagde veroordeeld was wegens het besturen van de Quad zonder geldig rijbewijs, en anderzijds, de vaststelling dat eiseres die de getroffenen in 2004 en 2005 vergoed had, verweerder op 13 maart 2009 gedagvaard had, kon het aangevochten vonnis niet wettig besluiten dat de regresvordering van eiseres tegen verweerder verjaard was omdat er sedert de betalingen door eiseres in 2004 en 2005 meer dan drie jaar verlopen waren alvorens eiseres op 13 maart 2009 verweerder liet dagvaarden.

Het aangevochten vonnis kon evenmin wettig oordelen dat - behoudens bedrog - alleen de data van de betalingen door de verzekeraar het vertrekpunt van de driejarige verjaringstermijn van artikel 34, §3 vormden zonder dat rekening kon gehouden worden met het tijdstip waarop de oorzaak van het regres vaststond.
Het aangevochten vonnis is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 34, §3 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst."

3. De vraag die door het middel gesteld wordt is te weten of de aanvang van de verjaringstermijn van de regresvordering van de verzekeraar "te rekenen vanaf de betaling" die hij deed, zoals bepaald bij artikel 34, §3 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, ook geldt in het geval dat, na die betaling, nog niet vaststaat of hij daartoe wel over een rechtsgrond beschikt.

De verzekeraar kan inderdaad de regresvordering instellen zodra hij de benadeelde betaald heeft (en die betaling is uiteraard een voorwaarde). Maar moet hij dat doen binnen de drie jaar om de verjaring te vermijden, ook al staat zijn rechtsgrond helemaal niet vast? Wordt hij dus gedwongen tot een "bewarende" dagvaarding van de verzekeringnemer of de verzekerde en de eraan verbonden kosten over te gaan om de verjaring te stuiten, terwijl hij nog niet kan weten of hij tegen de gedaagde een rechtsgrond kan aanvoeren waarop zijn regres kan steunen, bv. omdat, zoals in de actuele zaak, de verzekerde "mogelijk" een verkeersinbreuk (rijden zonder rijbewijs) heeft begaan, die het regres zou kunnen verantwoorden, wat evenwel slechts door de definitieve uitspraak van de strafrechter zal komen vast te staan?

4. Artikel 32, alinea 1 van de oude verzekeringswet, de wet van 11 juni 1874, houdende titel X, Verzekeringen in het algemeen, van het Wetboek van Koophandel, waaraan het regresrecht van de WAM-verzekeraar toen was onderworpen, bepaalde:

"Elke rechtsvordering die uit een verzekeringspolis ontstaat, verjaart door verloop van drie jaren, te rekenen van de gebeurtenis waarop ze gegrond is".
In zijn arresten van 13 januari 1983(3) en 29 mei 1986(4) stelt het Hof dat die gebeurtenis is: de uitkering die de verzekeraar heeft gedaan, nadat is uitgemaakt dat hij wettelijk verplicht is tot schadeloosstelling van de benadeelde persoon.

In het arrest van 30 september 1982(5) oordeelde het Hof dat de verjaring van de vordering niet kan ingaan vooraleer de verzekeraar over een rechtsvordering beschikt om de verzekerde tot terugbetaling te dwingen, zodat, in het geval waarin de verzekeraar betaald heeft vóór de beslissing waarbij de verzekerde veroordeeld werd en aansprakelijk verklaard werd, de verjaring eerst ingaat op het ogenblik dat die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan(6).

In de arresten van 10 januari 1992(7), 14 mei 1999(8) en 26 februari 2007(9) oordeelt het Hof dat, zo de verzekeraar de terugbetaling vordert van bedragen die hij gespreid in de tijd heeft uitgekeerd aan de door de fout van de verzekerde benadeelde partij, de driejarige termijn moet worden geacht in te gaan vanaf de datum van elke uitkering, die de verzekeraar heeft gedaan, nadat is uitgemaakt dat hij wettelijk verplicht is tot schadeloosstelling van de benadeelde derde; dat bij een uitkering gedaan vóór dit uitgemaakt is, de verjaringstermijn slechts aanvang neemt op het ogenblik dat die verplichting tot schadeloosstelling vaststaat.

Het betrof zaken waarin de verantwoordelijkheid van de verzekerde voor het ongeval en de schade nog niet vaststond.

5. De vraag die thans door het middel gesteld wordt is echter niet of die verplichting tot schadeloosstelling (als begin van de verjaringstermijn) vaststaat - nu de verantwoordelijkheid van de verzekerde voor het ongeval vaststond en de bestreden beslissing namelijk vaststelt "dat eiseres tot cassatie de benadeelde derden vergoedde in 2004 en 2005 aangezien er geen betwisting was over de verantwoordelijkheid van T. D.", zonder dat het middel dit bekritiseert - dan wel enkel of de grond voor het regres vaststaat en dus of de verzekeraar over een rechtsvordering beschikt om de verzekeringnemer of de verzekerde tot terugbetaling van de betaalde schadevergoeding te dwingen.

In deze zaak was dit op het ogenblik dat de strafrechtelijke veroordeling wegens het besturen van de quad zonder rijbewijs definitief werd.

Onder de oude verzekeringswet van 1874 was het regresrecht van de WAM-verzekeraar wegens een grove fout van de verzekerde gegrond op de contractuele verbintenis van de verzekerde(10).

Dit is niet anders onder de wet van 25 juni 1992(11). Artikel 25.3.b van de modelpolis (besturen zonder rijbewijs) impliceert zulke verbintenis.

Ook al zegt deze wet inderdaad enkel letterlijk "te rekenen vanaf de dag van de betaling" en betreft de rechtsgrond vanzelfsprekend de gegrondheid van de regresvordering, die rechtsgrond moet toch bestaan en in de dagvaarding geformuleerd worden.

6. Daar de voorbereidende werken daaromtrent geen verduidelijking brengen is het begrijpelijk dat de rechtsleer verdeeld is, wat het vertrekpunt betreft van de verjaring waarvan sprake is in artikel 34, §3 WLVO(12).

Volgens een meerderheid kan de verjaring niet beginnen lopen vóór het ogenblik waarop de beslissing die de verzekerde veroordeelt en waarbij is komen vast te staan dat de voorwaarden om het regresrecht te kunnen uitoefenen, vervuld zijn, in kracht van gewijsde is getreden(13).

Volgens anderen primeert de duidelijke tekst van artikel 34, §3 en geldt enkel de datum van de betaling(14).

Om de hierboven vermelde reden lijkt me die meerderheidsopvatting te moeten worden gevolgd.

Het middel komt me derhalve gegrond voor, terwijl de overige grieven niet tot ruimere cassatie leiden.

7. Conclusie: vernietiging en verwijzing.
_______________________
(1) Volgens van Dale (2005): "klein vierwielig motorrijtuig met brede banden en een motorstuur".
(2) E. Brewaeys en I. Baele, Verjaring in verzekeringsrecht, in Recht en Praktijk, nr. 15 p. 30, nr. 32; C. VAN SCHOUBROECK, e.a., o.c. p. 258, nr. 84, 3; Pol. Charleroi 18 januari 2005, V.A.V. 2007/1, 37; Pol. Brugge 11 april 2003, A.R. nr. 02 A 392, Pol. Brugge, 13 januari 1998, Verkeersrecht 2000, 87
(3) AR nr. 6727, AC 1982-83, nr. 283.
(4) AR nr. 7489, AC 1985-86, nr. 611.
(5) AR nr. 6638, Arr. Cass. 1982-83, 166.
(6) Zie ook Cass. 8 december 1988, AR nr. 8210, AC 1988-89, nr. 211.
(7) AR nr. 7585, AC 1991-92, nr. 237.
(8) AR nr. C.95.0249.N, AC 1995, nr. 282.
(9) AR nr. C.05.0004.F, AC 2007, nr. 112.
(10) Cass. 25 april 1991, AR 8892, AC 1990-91, nr. 445; VAN SCHOUBROECK C., JOCQUE G., VANDERSPIKKEN A. en COUSY H., "Overzicht van rechtspraak verzekering motorrijtuigen 1980-1997", T.P.R. 1998 (p.53) p.254 nr. 80). Zie ook Cass. 4 juni 1993, AR 8097, AC 1993, nr. 270.
(11) Cass., 19 juni 2009, A.R. C.08.0362.N, AC 2009, nr. 425, met concl. van advocaat-generaal met opdracht Van Ingelgem.
(12) TINANT J., "Le point de départ de la prescription de l'action récursoire", J.L.M.B. 2008, afl. 22, 958, 959; FONTAINE M., Verzekeringsrecht, Gent, Larcier, 2011, p. 381; PETITAT J.B., Regres in de WAM, Mechelen, Kluwer, 2008, p. 181 e.v.
(13) DUBUISSON B., L'action directe et l'action récursoire, in La loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre. Dix années d'application, Louvain-la-Neuve, Bruylant, 2003, p. 204; COLLE Ph., Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2006, p. 194; BREWAEYS E. en BAELE I., Verjaring in het verzekeringsrecht, Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 29 en 30; JOCQUE G., Verjaring en verzekering, in Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 219; VAN DROOGHENBROECK J.F., "La prescription de l'action récursoire à l'aune de la loi du 25 juin 1992", noot onder Mons, 3 november 1994, R.G.A.R. 1996, 12 640.
(14) BERNAUW K., Het verhaalsrecht van de WAM-verzekeraar, in Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2011, Brugge, die Keure, 2011, p. 178.

Noot: 

• Cass., 22 juni 1972, A.C., 1972,

Wettelijke basis Wet 25/06/1992, art. 34 §1.

Dit artikel stelt dat verjaringstermijn van art. 34, § 1, derde lid Wet Landverzekeringsovereenkomst van de vordering van de verzekerde tegen de verzekeraar begint te lopen zodra de benadeelde van de aansprakelijke verzekerde vergoeding vordert van de door hem geleden schade. Daar de verzekerde in dit geval tot vrijwillige vergoeding van de benadeelden is overgegaan, houdt dit in dat hij door deze benadeelden tot betaling van vergoeding werd aangesproken en begon de verjaringstermijn van de regresvordering te lopen vanaf de daaraan voorafgaande vraag tot vergoeding.

Noch de polis, noch art. 28 van de wet op de landverzekering verschaft de leidende verzekeraar enig mandaat om de uitgaven van de medeverzekeraars op te vorderen tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar.

Een stuiting van de verjaring van de rechtstreekse vordering van de gesubrogeerde leidende verzekeraar heeft geen stuitende werking ten aanzien van zijn medeverzekeraars.

Indien de verzekerde geen fout treft in de zin van art. 1382 BW bij afwezigheid van schuldbekwaamheid, kan hem ook geen grove fout worden verweten en kan al evenmin gesteld worden dat de schade opzettelijk door hem veroorzaakt werd in de zin van art. 8 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Een aansprakelijkheid op grond van art. 1386bis BW verzekerd resulteert in een integrale vergoedingsplicht.

Zie Hof van Beroep te Gent, 1e Kamer – 20 maart 2008, RW 2011-2012, 1650.

NV G.B. t/ V.F. e.a.

...

4.1. De vordering van V. tegen de NV G.B. tot terugbetaling van de door hem gedane betalingen aan de diverse slachtoffers, betreft een regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar zoals bedoeld in art. 34, § 1, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst. Overeenkomstig deze bepaling begint de verjaring van deze regresvordering te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering door de benadeelde.

V. werd op 27 oktober 1998 gedagvaard door C.V. P.&V.V. en D.K. tot vergoeding van de door hen bij de brand van 1 mei 1996 geleden schade. De verjaring van zijn regresvordering tegen de NV G.B. begon aldus overeenkomstig art. 34, § 1, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst te lopen vanaf deze datum.

De aangifte van het schadegeval bij de NV G.B. gebeurde op 22 februari 2000 door de makelaar van V. De NV G.B. liet op 17 oktober 2000 aan de raadsman van V. weten dat zij geen tussenkomst verleende.

Door de aangifte van 22 februari 2000, dit is binnen de termijn van drie jaar na 27 oktober 1998, was de verjaring tijdig gestuit op grond van art. 35, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst. Daar de NV G.B. op 17 oktober 2000 schriftelijk kennis gaf van haar beslissing en bijgevolg pas vanaf dan een nieuwe termijn van drie jaar begon te lopen, is de regresvordering ingesteld bij de dagvaarding van 4 april 2003 niet verjaard wat betreft de vergoedingen toekomende aan de C.V. P.&V. V. en D.

4.2. Voor de overige betalingen werden door de schadelijders geen rechtsvorderingen ingesteld. V. ging blijkbaar vrijwillig over tot betaling van afkortingen.

Het instellen van de rechtsvordering zoals bedoeld in art. 34, § 1, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst is niet aan vormvereisten verbonden. Aldus kan worden aangenomen dat de verjaringstermijn van de regresvordering begint te lopen van zodra de benadeelde van de aansprakelijke verzekerde vergoeding vordert van de door hem geleden schade. Daar V. tot vrijwillige vergoeding van de benadeelden is overgegaan, houdt dit in dat hij door deze benadeelden tot betaling van vergoeding werd aangesproken en begon de verjaring van de regresvordering te lopen vanaf de daaraan voorafgaande vraag tot vergoeding.

Uit het overzicht van de door V. gedane betalingen blijkt dat deze plaatshadden in de periode van 29 juli 1996 tot en met 25 juli 2001. Ook al dient rekening te worden gehouden met de stuiting door de aangifte van 22 februari 2000, is de regresvordering met betrekking tot de betalingen gedaan in 1996 verjaard. Deze betalingen dateren van meer dan drie jaar vóór 22 februari 2000, zodat vaststaat dat de aanspraken van de schadelijders tegen V. eveneens dateren van meer dan drie jaar voor deze datum.

Wat de overige betalingen betreft kan worden aangenomen dat de aanspraken dateren van minder dan drie jaar vóór 22 februari 2000. Deze betalingen hadden immers plaats in de periode van 8 november 1999 tot en met 25 juli 2001. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de schadelijders betaling zouden hebben gevraagd vóór 22 februari 1997 en dat V. pas tot een eerste betaling zou zijn overgegaan op 8 november 1999.

De dagvaarding uitgaande van P.&V. V. en D. kan geen stuitende werking hebben ten aanzien van de vorderingen van andere benadeelden, ook al komen zij uit hetzelfde schadegeval voort. Art. 34, § 1, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst betreft enkel de verjaring van de regresvordering met betrekking tot de vergoedingen die door een benadeelde worden gevorderd, in casu C.V. P.&V. V. en D.

Het blijkt voorts niet dat V. zich in een toestand van overmacht bevond zoals bedoeld in art. 35, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst. Zijn geestestoestand op het ogenblik van de feiten bewijst op zichzelf niet dat hij zich nadien in de onmogelijkheid bevond tijdig een regresvordering tegen zijn aansprakelijkheidsverzekeraar in te stellen. Op het ogenblik van de beschikking van de Raadkamer te Antwerpen van 13 november 1997 bevond hij zich trouwens niet meer in een staat van ernstige geestesstoornis.

...

5.1. De NV G.B. roept eveneens de verjaring in van de rechtstreekse vordering van de NV I.I., Aktiengesellschaft A.U.M.V.

De voormelde verzekeraars hebben hun vordering tegen de NV G.B. ingesteld met hun conclusies neergelegd op 11 juli 2003. Deze vordering is een rechtstreekse vordering in de zin van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Op de rechtstreekse vordering is de verjaring bepaald in art. 34, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst van toepassing, namelijk vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

De feiten waarvoor de verzekeraars vergoeding vorderen werden gepleegd in de periode mei-juni 1996. Het laatste feit dateert van 21 juni 1996. Rekening houdend met de eenheid van opzet tussen de feiten, dienden de verzekeraars hun vordering ten laatste op 21 juni 2001 in te stellen voor zover er geen grond van stuiting of schorsing voorhanden is.

De verjaring van de rechtstreekse vordering wordt op grond van art. 35, § 4 Wet Landverzekeringsovereenkomst gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

De verzekeraars verwijzen naar een brief van de NV G.B. van 20 maart 2000 gericht aan NV De V., thans NV I.I., waarbij zij laat weten de zaak nog grondig te moeten onderzoeken. De NV G.B. gaf kennis van haar weigering om dekking te verlenen met de brief van 17 oktober 2000.

De NV G.B. voert aan dat zij de brief van 20 maart 2000 spontaan heeft geschreven als gevolg aan de aangifte van 22 februari 2000 van V. De NV I.I. legt geen brief voor waarop de brief van 20 maart 2000 een antwoord zou vormen. De inhoud van de brief van 20 maart 2000 verwijst evenmin naar een voorafgaande vraag tot vergoeding.

De NV De V. vroeg op 5 mei 2000 echter wel naar de regelingsinzichten van de NV G.B. Het summiere computerbericht gericht aan de NV G.B. vermeldt: “intenties meedelen”, wat enkel kan worden begrepen als een vraag naar vergoeding. Vanaf 5 mei 2000, dit is binnen de termijn van vijf jaar vanaf 21 juni 1996, liep bijgevolg een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar, zodat de vordering van de NV De V., thans NV I.I., tijdig werd ingesteld.

5.2. Wat betreft de Aktiengesellschaft A.U.M.V. en de NV A.B. ligt geen enkele brief voor waaruit blijkt dat zij vóór het verstrijken van de verjaringstermijn aan de NV G.B. hun wil tot vergoeding hebben kenbaar gemaakt.

Deze verzekeraars kunnen niet worden gevolgd als zij beweren dat de stuiting van de verjaring van de vordering van de NV I.I. ook de stuiting van hun vordering tot gevolg heeft.

De NV I.I., de A.U.M.V. en de NV A.B. waren medeverzekeraars, zoals blijkt uit de voorliggende bijzondere polisvoorwaarden. De NV De V., thans NV I.I., fungeerde als leidende verzekeraar. De bevoegdheden van de leidende verzekeraar zijn evenwel beperkt tot wat in art. 28 Wet Landverzekeringsovereenkomst en in de verzekeringsovereenkomst is bepaald.

Overeenkomstig art. 28 Wet Landverzekeringsovereenkomst wordt de eerste verzekeraar enkel geacht de lasthebber van de overige verzekeraars te zijn “voor het ontvangen van de kennisgevingen bepaald in de overeenkomst en om het nodige te doen om de schadegevallen te regelen, met inbegrip van de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding”. De bijzondere polisvoorwaarden geven verder aan de leidende verzekeraar ook nog mandaat met betrekking tot de inning van de premies. Noch op grond van art. 28 Wet Landverzekeringsovereenkomst, noch op grond van de polis had de NV I.I. als leidende verzekeraar enig mandaat om de uitgaven van de andere verzekeraars op te vorderen tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar.

De A.U.M.V. en de NV A.B. kunnen zich niet beroepen op enige bekrachtiging die zij naderhand gedaan zouden hebben. De NV I.I. heeft geen handelingen gesteld buiten het mandaat. Zij heeft enkel terugbetaling gevraagd van haar eigen uitgaven en is bijgevolg enkel in eigen naam en voor eigen rekening opgetreden.

De stuiting van de vordering van de NV De V., thans NV I.I., heeft dan ook geen stuitende werking ten aanzien van de vordering van de Aktiengesellschaft A.U.M.V. en de NV A.B. De rechtstreekse vordering van deze verzekeraars is dan ook verjaard.

6.1. De NV G. betwist dat zij tot dekking van de schade gehouden is ingevolge een grove fout en/of opzet van V.

Vooraleer een eventuele grove fout of opzet van V. beoordeeld kan worden, dient te worden nagegaan of hij op grond van een fout in de zin van art. 1382-1383 BW aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade. Een dergelijke fout houdt in dat V. op het ogenblik van de feiten schuldbekwaam was.

Er bestaat geen betwisting over dat V. de diverse brandstichtingen heeft gepleegd. Neuropsychiater C.T., aangesteld door de onderzoeksrechter, kwam evenwel tot het besluit dat V. zich op het ogenblik van de feiten bevond in een ernstige staat van geestesstoornis die hem ongeschikt maakte tot het controleren van zijn daden. Bij beschikking van de raadkamer van 13 november 1997 werd hij op grond van art. 71 Sw. buiten vervolging gesteld.

Ook al heeft de beschikking van 13 november 1997 geen gezag van gewijsde ten aanzien van de NV G.B. en kan zij de staat van niet toerekeningsvatbaarheid van V. op het ogenblik van de feiten nog betwisten, dan staat het op grond van de voorliggende stukken toch op afdoende wijze vast dat V. bij het plegen van de brandstichtingen geen controle had over zijn daden. Het verslag van dr. T. kwam weliswaar niet op tegenspraak tot stand, maar de inhoud ervan geldt als inlichting en kan als bewijs van de geestestoestand van V. in die zin mede in aanmerking worden genomen.

Uit het strafdossier blijkt dat V. ten overstaan van de verbalisanten een verwarde indruk gaf. V. gaf aan de verbalisanten als reden van zijn aanwezigheid in de kelder in het appartementsgebouw dat er aldaar de laatste tijd “eigenaardige dingen” zouden gebeuren. Wanneer de verbalisanten vroegen waarom hij de feiten had gepleegd, dan kon hij daaromtrent geen zinnige uitleg geven. Hij voegde eraan toe: “Wanneer u me de vraag stelt wat mijn bedoeling hedennacht was in de kelder, dan kan ik daar ook niet op antwoorden. Ik was zeker niet de kelder ingegaan met de bedoeling brand te stichten. Dat was de vorige keren tevens niet het geval, maar de drang om het wel te doen blijkt dan plots op te komen”. V. verklaarde ook nog: “De feiten zijn gebeurd nadat ik gedronken had en dat ik nog wat in het gebouw rondliep. Ik hou niet speciaal van vlammen. Eigenlijk kan ik er geen rationele uitleg aan geven... Ik zit eigenlijk met een alcoholprobleem. De laatste drie maanden voel ik mij depressief. Vorig jaar rond deze tijd werd ik ook depressief. Ik ben toen in behandeling geweest”.

Neuropsychiater T. stelde vast: “De verdachte was depressief van aard, met vorig jaar, en nu, een meer uitgesproken depressietoestand, en wat gepaard ging met toenemend alcoholgebruik. De feiten, die hij in dronken toestand gepleegd heeft, kunnen worden beschouwd als een ontlading van niet meer te dragen innerlijke spanningen en als verkapte zelfmoordpogingen en met eveneens de uiting van opgekropte agressiviteit. Wij staan hier dan ook, naar onze mening, voor een ziekelijke toestand die behandeld moet worden. De verdachte hoort best thuis in een psychiatrisch ziekenhuis waar ernstig werk kan worden gemaakt van zijn complexe problematiek”. En verder: “Vorig jaar heeft de verdachte een onmiskenbare en ernstige depressietoestand doorgemaakt, die met Prozac werd behandeld en waarna hij, zoals klassiek het geval kan zijn, een hypomane toestand heeft vertoond. De laatste weken was hij opnieuw, en in toenemende mate, in een depressietoestand verzeild geraakt (...). De feiten beantwoorden, naar onze mening, aan een depressietoestand met vanzelfsprekend de ontremmende werking van alcohol”.

Uit de gegevens van het strafdossier en de inlichtingen verschaft door neuropsychiater T. blijkt dat V. op het ogenblik van de brandstichtingen niet wetens en willens heeft gehandeld en dat hij geen controle had over zijn daden waardoor hij schuldonbekwaam is. V. kan bijgevolg niet aansprakelijk worden gesteld voor de door hem veroorzaakte schade op grond van art. 1382-1383 BW.

De afwezigheid van schuldbekwaamheid belet evenwel niet dat hij door de schadelijders kan worden aangesproken op grond van art. 1386bis BW. Deze aansprakelijkheid wordt eveneens gedekt door de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar, waarbij deze, in geval van dekking, geen aanspraak kan maken op de billijkheidsbeoordeling die deze bepaling toelaat.

6.2. Zowel het plegen van een grove fout als opzettelijk handelen vereisen schuldbekwaamheid. Wanneer de verzekerde geen fout begaat bij afwezigheid van schuldbekwaamheid, volgt hieruit noodzakelijkerwijze dat hij evenmin een grove fout kan hebben begaan, noch de schade opzettelijk kan hebben veroorzaakt. De hiervoor vastgestelde feiten waarvoor V. aansprakelijk is op grond van art. 1386bis BW, maken het niet mogelijk te besluiten dat hij wetens en willens heeft gehandeld en dat hij hierbij redelijkerwijze moest weten dat zijn handelingen schade zouden veroorzaken.

Dat ten aanzien van de grove fout enkel dient te worden nagegaan of de handeling van de verzekerde beantwoordt aan de grove fout zoals omschreven in de polis, doet hier niet aan af. Het gebrek aan inzicht in het handelen impliceert dat de betrokkene niet wist wat hij deed, noch dat hij op dat ogenblik een vrije wil had. Ook van een wetens en willens handelen in de zin van art. 8 Wet Landverzekeringsovereenkomst is dan geen sprake. In deze omstandigheden kan hij ook geen grove fout hebben begaan.

De vaststelling dat V. zich op het ogenblik van zijn verschijning voor de raadkamer niet meer in staat van een ernstige geestesstoornis bevond, doet geen afbreuk aan zijn schuldonbekwaamheid op het ogenblik van de feiten.

Het blijkt voorts niet dat de dronkenschap aan de basis lag van de geestesstoornis van V., noch dat zijn periodes van dronkenschap te wijten zouden zijn aan een fout waarbij hij wel willens en wetens handelde. Het alcoholgebruik is het gevolg van de geestesstoornis, namelijk een sterke depressieve toestand met neiging tot zelfdestructie. De besluitvorming van de neuropsychiater laat hierover geen twijfel bestaan als hij schreef: “De feiten beantwoorden, naar onze mening, aan een depressietoestand met vanzelfsprekend de ontremmende werking van alcohol”.

...

7. Ten onrechte voert V. aan dat hij niet samen met de NV G.B. kan worden veroordeeld tegenover de schadelijders. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, is V. op grond van art. 1386bis BW aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade.

Gelet op de eigen aansprakelijkheid is V. in solidum gehouden ten aanzien van de derde benadeelden. Daar V. verzekerd is voor zijn aansprakelijkheid op grond van art. 1386bis BW, is hij tot integrale vergoeding van de schade gehouden en zijn er geen redenen voorhanden om de vergoeding in billijkheid te herleiden. Zijn beperkte levensmiddelen kunnen hieraan geen afbreuk doen.

Evenmin zijn er op dezelfde grond redenen om aan V. een gemak van betaling toe te staan. Bovendien dient in dit verband opgemerkt te worden dat V. sedert 2001 geen betalingen meer heeft gedaan, zodat hij niet als ongelukkig en te goeder trouw kan worden beschouwd.

...


• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 1 maart 2013, RW 2014-2015, 183

AR nr. C.12.0188.N

NV A.B. t/ T.D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 21 maart 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 34, § 3 Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behalve in geval van bedrog.

Deze bepaling doet de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een regresvordering tegen de verzekerde beschikt.

2. De appelrechters stellen vast dat:

– de zoon van de verweerder op 6 juli 2004 een ongeval veroorzaakte met een quad;

– de eiseres de benadeelden in 2004 en 2005 vergoedde, aangezien er geen betwisting was over de aansprakelijkheid;

– de zoon van de verweerder bij vonnis van 4 april 2007 van de Correctionele Rechtbank te Hasselt werd veroordeeld wegens het sturen zonder rijbewijs;

– het cassatieberoep tegen dit vonnis werd verworpen bij arrest van het Hof van 6 november 2007;

– de eiseres de verweerder op 13 maart 2009 dagvaardde in terugbetaling van haar uitgaven op grond van art. 25, 3o, b) Modelovereenkomst.

3. De appelrechters die oordelen dat de vordering van de eiseres verjaard is omdat op het ogenblik van de dagvaarding meer dan drie jaar verlopen is sedert de betalingen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

...

Tweede onderdeel

5. Krachtens art. 88, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Art. 34, § 3 Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behalve in geval van bedrog.

6. Uit de samenhang tussen deze wetsbepalingen volgt dat de regresvordering van de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, ook wanneer zij gericht is tegen de verzekeringnemer.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

• Pol. Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent, 15 november 2016, RW 2016-2017, 874

Krachtens art. 88, § 3 Verzekeringswet verjaart de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van betaling door de verzekeraar, behalve in geval van bedrog. Als de verzekeraar verschillende bedragen achtereenvolgens heeft uitgekeerd, loopt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugbetaling van elk van die bedragen vanaf de dag van uitkering van dat bedrag (zie: Cass. 13 januari 1983, RW 1983-84, 2396; Cass. 29 mei 1986, RW 1986-87, 1026).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/09/2017 - 06:07
Laatst aangepast op: ma, 11/09/2017 - 06:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.