-A +A

Verjaring medische kosten termijn van twee jaar niet voor externe diensten voor preventie en bescherming op het werk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 10/04/2015
Publicatie
tijdschrift: 
Rectskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1472
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VZW P. t/ D.

...

2. Relevante feitelijke gegevens en standpunt van de partijen

2.1. P. zet uiteen dat zij een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk is waarbij D. reeds sinds 5 mei 1992 is aangesloten.

Zij voert aan dat D. nalaat om de volgende facturen te betalen:

– Factuur 200900149304 van 16 maart 2009 557,09 euro – CN 201000125863 van 8 februari 2010 - 185,70 euro – Factuur 201100112448 van 31 januari 2011 14,00 euro – Factuur 201100117016 van 7 februari 2011 274,41 euro – Factuur 201100154324 van 25 maart 2011 227,28 euro – Factuur 201100191772 van 12 september 2011 32,50 euro – Factuur 201200132496 van 17 februari 2012 64,92 euro – Factuur 201200159387 van 23 maart 2012 447,12 euro – Factuur 201300122152 van 12 februari 2013 115,92 euro – Factuur 201300158187 van 21 maart 2013 344,57 euro Totaal 1892,11 euro
Zij vordert in deze procedure de betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de moratoire rente en een schadebeding.

Zij stelt dat zij D. bij aangetekende brief van 10 september 2013 vergeefs in gebreke heeft gesteld.

Op 13 januari 2014 ging zij over tot dagvaarding.

2.2. D. betwist de vordering. Deze is volgens hem onontvankelijk, minstens ongegrond. Hij voert hiertoe de volgende argumenten aan:

– Hij heeft de facturen nooit ontvangen, aangezien deze naar een fout adres werden verstuurd.

...

– Alle prestaties die dateren van vóór 12 januari 2012 zijn verjaard (art. 2277bis, eerste lid BW).

...

3. De vorderingen

3.1. In haar conclusies van 5 december 2014, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert P. de veroordeling van D. tot het betalen van een bedrag van 1.892,11 euro en van 189,21 euro, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid: verjaring

4.1.1. D. voert aan dat de vordering van P. onderworpen is aan de korte verjaringstermijn van art. 2277bis BW en dat alle prestaties en bijkomende kosten van vóór 1 januari 2012 verjaard zijn. Hij verwijst hiervoor o.m. naar een vonnis van de vrederechter van het vierde kanton te Brugge van 24 oktober 2013.

P. betwist dat de korte verjaringstermijn van toepassing is.

4.1.2. Art. 2277bis BW luidt als volgt: “De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van twee jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten welke door de verplegings- en verzorgingsinstelling of door derden werden geleverd of gefactureerd”.

D. voert terecht aan dat de omschrijving van de volgende begrippen bepaalt of een prestatie al dan onder het toepassingsgebied van art. 2277bis BW valt:

– het begrip “patiënt”;

– het begrip “geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen”;

– het begrip “verzorgingsverstrekkers”.

P. betwist blijkbaar niet dat er aan het begrip “patiënt” een ruime interpretatie moet worden gegeven en dat ook D. hieronder valt. Zij betwist wel dat zij een “verzorgingsverstrekker” is en dat haar prestaties onder het begrip “geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen vallen”.

4.1.3. Teneinde na te gaan of art. 2277bis BW van toepassing is, moet eerst worden nagegaan wat de precieze taken zijn van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (hierna een “EDPBW”).

Deze taken worden beschreven in art. 5-7 van het KB van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk (hierna: “IDPBW”). Op grond van art. 8, eerste lid KB IDPBW kunnen de opdrachten en taken bedoeld in art. 5-7 immers uitgeoefend worden door de interne of externe dienst.

Art. 5 KB IDPBW bepaalt dat de interne dienst (en dus ook de externe dienst) de opdracht heeft om de werkgever bij te staan in de uitwerking en uitvoering van het “beleid bepaald door het dynamisch risicobeheersingssysteem”. In het kader hiervan dient de interne dienst o.m. in te staan voor de risicoanalyse, bij te dragen tot en mee te werken aan het onderzoek van de fysieke en mentale belasting op het werk, advies te verlenen over de organisatie van de arbeidsplaats en over de hygiëne op de arbeidsplaats, enz.

Art. 6 KB IDPBW bepaalt dat het gezondheidstoezicht op de werknemers voorbehouden is aan de preventieadviseurs die behoren tot het departement belast met het gezondheidstoezicht. Op grond van art. 22, § 1, 2o van het KB van 27 maart 1998 betreffende de EDPBW’s moeten de preventieadviseurs die met het gezondheidstoezicht belast zijn, houder zijn van een diploma arbeidsgeneeskunde.

Op grond van art. 7 KB IDPBW zijn de preventieadviseurs er o.m. toe gehouden om systematische onderzoeken te verrichten op de arbeidsplaats.

Voorts bepaalt art. 19, § 1 KB EDPBW dat de externe dienst bestaat uit twee afdelingen, namelijk een afdeling belast met risicobeheersing die multidisciplinair is samengesteld en een afdeling belast met medisch toezicht. De afdeling belast met risicobeheersing bestaat uit preventieadviseurs die deskundig zijn op het gebied van de arbeidsveiligheid, de arbeidsgeneeskunde, de ergonomie, de bedrijfshygiëne en de psychosociale aspecten van de arbeid (art. 21). De afdeling belast met medisch toezicht bestaat uit preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren (art. 25).

Afdeling 4 van het KB van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers (hierna: “KB Gezondheidstoezicht”) omschrijft de preventieve handelingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. Deze omvatten de preventieve medische onderzoeken, het samenstellen van een geneeskundig dossier en de inentingen en tuberculinetests. Art. 20, § 2 KB Gezondheidstoezicht bepaalt dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer de werknemer bij wie hij een aantasting van de gezondheid vaststelt verzoekt zijn behandelende arts te raadplegen.

Art. 13ter KB EDPBW bepaalt dat de werkgever aan de EDPBW een forfaitaire bijdrage verschuldigd is voor de opdrachten en taken die bepaald worden in art. 5-7 KB IDPBW. Individuele medische onderzoeken horen daar niet bij.

4.1.4. De rechtsleer is van oordeel dat het begrip “verzorgingsverstrekker” moet worden ingevuld in de zin van de gecoördineerde ZIV-Wet van 14 juli 1994 (I. Claeys en M. Rosiers, “Enkele min of meer specifieke verjaringstermijnen: grenzeloos arbitrair?” in CBR (ed.), De verjaring – Vierde Antwerps Juristencongres, Antwerpen, Intersentia, 2007, (141), p. 162, nr. 32).

Overeenkomstig art. 2, n) van deze wet wordt onder “zorgverleners” verstaan: “de beoefenaars van de geneeskunst, de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen, de paramedische medewerkers, de verplegingsrichtingen, de inrichtingen voor revalidatie en herscholing en de andere diensten en instellingen”.

Onder de “andere diensten en instellingen” vallen onder meer de bijzondere diensten zoals gedefinieerd in art. 2, f) van dezelfde wet, waarvan de tekst tot de wetswijziging van 19 maart 2013 als volgt luidde: ““Bijzondere diensten”: de Diensten voor geneeskundige verzorging, voor uitkeringen, voor geneeskundige evaluatie en controle en voor administratieve controle”.

De “Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle” wordt omschreven in art. 139 van de ZIV-Wet.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in hun onderlinge samenhang gelezen art. 2, f), 2, n) en 139 van de ZIV-Wet volgt dat een EDPBW niet als een verzorgingsverstrekker kan worden beschouwd door de prestaties waarvoor hij een forfaitaire jaarlijkse vergoeding aanrekent. Een geneesheer, kinesitherapeut, verpleegkundige, enz. verstrekt immers zorg aan een individuele patiënt. De taken van een EDPBW zijn daarentegen eerder gericht op de organisatie van de werkomstandigheden in het algemeen. Dit blijkt o.m. uit de nadruk op de risicoanalyse waarvoor een EDPBW moet instaan. De rechtbank houdt daarbij tevens rekening met het feit dat de afdeling van een EDPBW belast met risicobeheersing multidisciplinair is samengesteld en dus bestaat uit preventieadviseurs die ook deskundig zijn in andere domeinen dan de bedrijfsgeneeskunde.

Deze stelling vindt ook steun in de verslagen die P. voorlegt. Hieruit blijkt dat zij bij de bezoeken aan D. o.m. nazicht deed naar de aanwezigheid van blusmateriaal. Hieraan kan geen afbreuk worden gedaan doordat P. inderdaad ook effectief medische onderzoeken uitvoert van werknemers. Deze medische onderzoeken maken immers slechts een deel uit van de prestaties van P. waarvoor zij een jaarlijks forfait aanrekent.

Om te besluiten dat de verkorte verjaringstermijn van art. 2277bis BW niet van toepassing is op de forfaitaire jaarbijdrage die een EDPBW aanrekent, houdt de rechtbank tevens rekening met de beperkende interpretatie die moet worden gegeven aan een bepaling die afwijkt van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Indien het de bedoeling van de wetgever was geweest om ook de forfaitaire bijdragen verschuldigd aan een EDPBW onder het toepassingsgebied van de korte verjaringstermijn te brengen, had hij dit uitdrukkelijk moeten bepalen, omdat een EDPBW niet uitdrukkelijk vermeld wordt bij de “zorgverleners” noch bij de “Bijzondere diensten” uit respectievelijk art. 2, n) en 2, f) van de ZIV-wet van 9 augustus 1993, zoals gecoördineerd bij de wet van 14 juli 1994.

De rechtbank kan zich dan ook niet aansluiten bij de andersluidende vonnissen van de vrederechter van het vierde kanton te Brugge van 24 oktober 2013 en van de vrederechter van het zevende kanton te Gent van 20 december 1999 (Vred. Gent 20 december 1999, TBBR 2000, 265). Aan dit alles kan evenmin afbreuk worden gedaan doordat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 17 juni 2013 beslist heeft dat ziekenvervoer wel is onderworpen aan art. 2277bis BW (Cass. 17 juni 2013, RW 2013-14, 227, noot C.I.). De diensten van een EDPBW zijn immers fundamenteel verschillend van die van een ziekenvervoerder.

4.1.5. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de door P. aangerekende medische onderzoeken wel onder de verkorte verjaringstermijn vallen. Deze onderzoeken gebeuren door een arts. Het zijn dus geneeskundige verstrekkingen. Voor deze prestaties dient P. wel als een verzorgingsverstrekker beschouwd te worden.

De rechtbank is van oordeel dat niet alleen de bijdragen voor de medische onderzoeken zelf onder de verkorte verjaringstermijn vallen, maar ook de bedragen die P. aanrekent voor de afwezigheid op een medisch onderzoek zonder verwittiging.

Nu de dagvaarding dateert van 13 januari 2014, betekent dit dat alle bijdragen voor medische onderzoeken die dateren van 2012 of vroeger verjaard zijn. In concreto gaat het om de volgende bedragen: 37,14 euro + 14 euro + 59,55 euro + 71,62 euro + 14,50 euro = 196,81 euro.

De vordering is dus verjaard voor een bedrag van 196,81 euro.

4.2. Grond van de zaak

4.2.1. D. voert aan dat hij de facturen van P. nooit heeft ontvangen. Hij wijst er immers op dat deze facturen een verkeerd adres vermelden.

De rechtbank stelt vast dat alle facturen zijn uitgeschreven aan het adres dat het sociaal secretariaat van D. aan P. heeft meegedeeld bij brief van 10 november 2004.

Dit toont uiteraard nog niet aan dat D. deze facturen ook effectief heeft ontvangen.

De leverancier draagt de bewijslast van het verzenden van de factuur en van de datum van ontvangst door de geadresseerde (Cass. 6 november 2003, RW 2006-07, 1777; E. Dirix en G.L. Ballon, De factuur in APR, Mechelen, Wolters Kluwer, 2012, p. 37, nr. 50).

P. levert dit bewijs evenmin aan de hand van haar aangetekende brief van 10 september 2013. D. betwist immers dat hij deze brief ontvangen heeft en P. toont het tegendeel niet aan. Indien deze brief effectief aan D. werd uitgereikt, zou B-Post P. immers moeten kunnen bevestigen dat de brief werd aangeboden dan wel afgetekend voor ontvangst. P. legt een dergelijk attest van B-Post niet voor. De rechtbank heeft overigens zelf ook eens de streepjescode van deze brief ingegeven op het “track & trace”-deel van de website van B-Post, zonder dat dit tot enig positief resultaat heeft geleid (http://www.bpost.be/track).

P. kan zich bijgevolg niet beroepen op de aanvaarding van haar facturen.

Dit neemt evenwel niet weg dat de vordering van P. gebaseerd is op haar overeenkomst met D. Er moet dus worden nagegaan of zij de aangerekende prestaties heeft uitgevoerd en of de hiervoor aangerekende bedragen correct zijn.

4.2.2. D. voert aan dat de toetredingsakte van 5 mei 1992 uiterst summier is en dat P. hem nooit op voorhand de aangerekende prestaties heeft meegedeeld.

Dit verweer kan niet worden bijgevallen. D. blijkt immers reeds meer dan twintig jaar aangesloten bij P. Indien hij van oordeel was dat er onduidelijkheid bestond over zijn precieze rechten en plichten t.a.v. P., had hij dit reeds gedurende vele jaren kunnen melden. Het is tekenend voor zijn houding dat hij dit argument pas voor het eerst aanvoert wanneer hij wordt aangesproken tot betaling. Zijn handelwijze is in strijd met de goede trouw. Hij kan hieruit ook geen enkel recht putten, te meer nu de rechten en plichten van P. niet zozeer door de toetredingsakte worden bepaald als wel door het wettelijk kader (zie o.m. art. 13quater KB EDPBW).

P. voert verder aan dat zij D. herhaaldelijk heeft geïnformeerd over haar dienstverlening en tarieven. D. betwist dit. P. legt als stukken folders en bijlagen voor die zij zou hebben meegestuurd met haar facturen. Zij legt evenwel geen bewijs voor dat D. deze documenten ook effectief heeft ontvangen. Dit is ook logisch, omdat facturen en dergelijke documenten uiteraard niet aangetekend verzonden worden.

Dit alles is evenwel irrelevant, omdat de tarieven die P. aanrekent wettelijk bepaald zijn en zij bovendien de minimumtarieven hanteert. D. lijkt dit gegeven ook niet te betwisten, aangezien hij zijn verweer ertoe beperkt te stellen dat P. hem deze tarieven nooit op voorhand heeft meegedeeld. Voorafgaande kennisgeving van deze tarieven was eigenlijk overbodig, omdat D. hier zelf kennis van kon nemen, zowel door raadpleging van het KB EDPBW als op de website van P.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/05/2017 - 09:10
Laatst aangepast op: zo, 14/05/2017 - 09:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.