-A +A

Verjaring kan in pleidooi worden ingeroepen zonder de verjaring in conclusie aan te voeren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 14/09/2017
A.R.: 
S950050F

Krachtens artikel 2224 Burgerlijk Wetboek kan men zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding.

Krachtens artikel 756bis Gerechtelijk Wetboek betekent het ontbreken of het ambtshalve weren van conclusies geen verbod tot pleiten, geldt dat pleidooi niet als conclusie en kan de tegenpartij na dat pleidooi antwoordconclusie indienen.

Die bepalingen verhinderen dat de rechter die vaststelt dat in een pleidooi een middel van verjaring wordt opgeworpen dat niet in de conclusie was aangevoerd, het mondeling opgeworpen middel louter op die grond kan verwerpen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1340
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0247.N
R. R.,
eiser,
tegen
ONZE-LIEVE-VROUWZIEKENHUIS vzw, met zetel te 9300 Aalst, Moorsel-baan 164,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het tweede kanton Aalst van 19 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt enerzijds dat:

- de partijen op de inleidingszitting van 27 november 2013 conclusietermijnen hebben afgesproken, met 26 februari 2014 als vooropgestelde nuttige rechtsdag;

- bij beschikking van 28 november 2013, in toepassing van artikel 747, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, de conclusietermijnen werden bekrachtigd en de rechtsdag werd bepaald op 26 februari 2014;

- de voormelde beschikking conform artikel 747, § 2, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek ter kennis van de partijen werd gebracht bij gerechtsbrief, respectie-velijk gewone brief van 29 november 2013;

- de beide partijen binnen de hun toegestane termijn hebben geconcludeerd;

- op 31 januari 2014 aan de partijen ter kennis werd gebracht dat de rechtsdag ambtshalve werd uitgesteld naar de terechtzitting van 12 maart 2014;

- de partijen op de terechtzitting van 12 maart 2014 werden gehoord in hun mid-delen en gezegdes, waarbij de eiser mondeling stelde dat de vordering verjaard is en de raadsman van de verweerster antwoordde dat daarmee geen rekening kon worden gehouden omdat de exceptie buiten de conclusietermijnen werd opgeworpen, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd geno-men.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt anderzijds niet dat de partijen na hun stukken en conclusies te hebben overgelegd, die gebundeld ter griffie hebben neergelegd en er hun een ontvangstbewijs werd gegeven dat de da-tum van neerleggen vermeldt.

2. Uit de processtukken blijkt aldus dat er in dezen geen toepassing is gemaakt van de schriftelijke procedure zoals bedoeld in artikel 755 Gerechtelijk Wetboek, maar de zaak volledig in gereedheid is gebracht en behandeld werd met toepas-sing van artikel 747, § 1 en § 2, Gerechtelijk Wetboek, ook al hebben de partijen op de inleidingszitting van 27 november 2013 kennelijk ook verklaard de schrifte-lijke procedure te verkiezen.

3. Het vonnis stelt vast dat de vordering in beginsel verjaard is, maar oordeelt dat met de mondeling opgeworpen verjaring procedurieel geen rekening kan wor-den gehouden omdat de partijen op de inleidingszitting de schriftelijke procedure hebben gekozen en er in toepassing van artikel 755 Gerechtelijk Wetboek dus niet kon gepleit worden.

Het verantwoordt op die grond zijn beslissing dat de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

4. Krachtens artikel 2224 Burgerlijk Wetboek kan men zich op verjaring be-roepen in elke staat van het geding.

Krachtens artikel 756bis Gerechtelijk Wetboek betekent het ontbreken of het ambtshalve weren van conclusies geen verbod tot pleiten, geldt dat pleidooi niet als conclusie en kan de tegenpartij na dat pleidooi antwoordconclusie indienen.

Die bepalingen verhinderen dat de rechter die vaststelt dat in een pleidooi een middel van verjaring wordt opgeworpen dat niet in de conclusie was aangevoerd, het mondeling opgeworpen middel louter op die grond kan verwerpen.

5. Het vonnis stelt vast dat de vordering in beginsel verjaard is, maar oordeelt dat met de mondeling opgeworpen verjaring procedurieel geen rekening kan wor-den gehouden omdat de verweerder de verjaring niet heeft ingeroepen in zijn con-clusie, alhoewel hij dit op dat ogenblik reeds kon doen, en hij na het verstrijken van zijn conclusietermijn dit middel van verjaring niet meer kon aanvoeren.

Het verantwoordt op die grond zijn beslissing dat de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het eerste kanton Aalst.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 14 september 2017 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De heer R. R.,

Eiser tot cassatie, aan wie het voordeel van de rechtsbij-stand bij beschikking van 26 maart 2015 werd toegestaan (P.D. nr. G.14.0204.N.), 

TEGEN: De vereniging zonder winstoogmerk Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, met zetel te 9300 Aalst, Moorselbaan 164, met ondernemingsnum-mer 0410.424.222,

Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie heeft de eer het vonnis, gewezen in laatste aan-leg op 19 maart 2014 door de Vrederechter van het tweede kanton Aalst (AR: 13A59618), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Eiser werd op 18 november 2013 gedagvaard ten verzoeke van de vzw Onze Lieve Vrouwziekenhuis in betaling van een totaal bedrag van 293,58 euro uit hoofde van een factuur van 5 december 2011, een scha-debeding en reeds verval-len intresten, te vermeerderen met de gerech-telijke intresten en de kosten van het geding, daaronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding van 220,00 euro.

De factuur betrof in oktober 2011 geleverde prestaties.

Bij "beschikking dagbepaling" van 28 november 2013 werden bij toe-passing van artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek conclusieter-mijnen en een rechtsdag bepaald.

Bij gerechtsbrief van 29 november 2013 werd in toepassing van arti-kel 747, § 2, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan eiser mee-gedeeld dat de zaak was vastgesteld om behandeld te worden op de zit-ting van 26 februari 2014 in openbare terechtzitting. In bijlage werd een ongetekend afschrift van voor-noemde beschikking gevoegd.

Bij schrijven van 31 januari 2014 werd aan eiser meegedeeld dat de zaak werd verdaagd naar de zitting van 12 maart 2014.

Bij vonnis van 19 maart 2014 verklaarde de Vrederechter van het tweede kanton Aalst de herleide vordering van verweerster ontvankelijk en ge-grond, veroordeelde eiser tot betaling van de som van 242,05 euro, meer de ge-rechtelijke intresten, evenals tot de gedingkosten, begroot op 71,49 euro dagvaar-dingskosten en rolrechten.

Tegen deze beslissing meent eiser volgend middel tot cassatie te kun-nen aanvoeren.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen en algemene rechtsbeginselen

-artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
-artikelen 740, 744, 747, 748bis, 755, 756bis, 756ter, 758, 769 en 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek,
-artikelen 2224 en 2277bis van het Burgerlijk Wetboek,
-algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verde-diging voorschrijft,
-algemeen rechtsbeginsel dat de rechter oplegt om op de voor hem door de partij-en ingeroepen feiten de juiste rechtsregel toe te passen.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden vonnis van 19 maart 2014 verklaart de Vrede-rechter van het tweede kanton Aalst verweersters vordering ontvanke-lijk en gegrond, ver-oordeelt eiser tot betaling van de som van 242,05 euro, meer de gerechtelijke in-tresten, evenals tot de gedingkosten, be-groot op 71,49 euro dagvaardingskosten en rolrechten, zulks na onder meer te hebben overwogen:

"Op de inleidingszitting dd. 27/11/2013 verkozen de partijen de schrifte-lijke pro-cedure en werden de volgende conclusietermijnen overeenge-komen:
- voor (eiser) tegen 31/12/2013
- voor (verweerster) tegen 31/01/2014

(...)

Op de zitting dd. 12/03/2014 stelt (eiser) mondeling dat de vordering van (verweer-ster) verjaard is. De prestaties dateren van 31/10/2011 en de dagvaarding dateert van 18/11/2013 of meer dan twee jaren later;

(...)

Overwegende dat uit voorgaande elementen blijkt:

-De gefactureerde prestaties dateren van 31/10/2014. De dagvaarding dateert van 18/11/2013 of meer dan twee jaren later. Overeenkomstig art. 2277 bis B.W. is de vordering principieel verjaard;

-Voor zoveel als nodig weze opgemerkt dat de rechter de verjaring niet ambtshal-ve mag toepassen. Zij moet door de verwerende partij inge-roepen worden (art. 2223 B.W.);

-Verjaring kan principieel ingeroepen worden in elke stand van het ge-ding (art. 2224 B.W., doch in huidig geval weze opgemerkt als volgt:

* Partijen hebben op de inleidingszitting uitdrukkelijk de schriftelijke procedure verkozen, met bepaling van een conclusietermijn voor elk der partijen (art. 755 Ger.W - art. 747 § 2 Ger.W.). Dit betekent dat er niet gepleit wordt en partijen niet hoeven te verschijnen;

* (Eiser) heeft in zijn besluiten geen melding gemaakt van enige excep-tie van ver-jaring, alhoewel hij op dat ogenblik de verjaring reeds kon inroepen. De verjaring is dus geen nieuw feit dat is ontstaan na conclu-sietermijnen van (eiser);

* Na het verstrijken van zijn conclusietermijnen (31/12/2013) kon hij aldus het middel der verjaring niet meer inbrengen. Het betrof bovendien een schriftelijke procedure, waar geen der partijen kon pleiten en zelfs niet hoefde te verschijnen. Met het feit dat (verweerder) toch is opgedaagd, om mondeling het middel der verjaring op te werpen, kan aldus procedurieel geen rekening gehouden worden (art. 755 Ger.W.)".

 

Grief

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek kun-nen de partijen of hun advocaten gezamenlijk tot de schriftelijke rechtspleging besluiten.

De schriftelijke procedure is meer bepaald een procedure, waarbij de instaatstelling louter minnelijk gebeurt, de partijen hun conclusies en stukken ge-bundeld en geïnventariseerd ter griffie neerleggen, waarop er hen een ontvangst-bewijs wordt afgeleverd, zulks na hun memories, nota's, stukken en conclusies vooraf overgelegd te hebben, en de memories, nota's, stukken en conclusies ver-volgens worden doorgegeven aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak werd toegewezen.

De rechter mag binnen een maand na de neerlegging van de dossiers ter griffie mondelinge ophelderingen vragen over punten die hij aanwijst; daartoe bepaalt hij een datum die door de griffier ter ken-nis wordt gebracht van de partij-en bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat, dan zendt de griffier haar rechtstreeks bericht bij gerechtsbrief.

Overeenkomstig artikel 769, derde lid van het Gerechtelijk Wet-boek geschiedt de sluiting van de debatten van rechtswege één maand na de neerleg-ging van de dossiers ter griffie of wordt ze door de rechter uitgesproken op de dag waarop de door hem gevraagde mondelinge opheldering is verschaft.

Te dezen blijkt uit de procedurestukken, waarop Uw Hof vermag acht te slaan, dat door de Vrederechter van het tweede kanton Aalst bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek bij een beschikking dagbepaling van 28 november 2013 conclusieter-mijnen en een rechtsdag werden bepaald.

Artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, waar-naar in deze beschikking dagbepaling wordt verwezen, bepaalt met na-me dat uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, de rechter het tijds-verloop van de rechtspleging be-paalt, in voorkomend geval het ak-koord van de partijen bekrachtigend of reke-ning houdend met de op-merkingen van de partijen. Afhankelijk van de datum van de pleitzit-ting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden be-paald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclu-sies plaats-vindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.

Op deze zitting mag de partij overeenkomstig artikel 758, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek zelf haar conclusie en verweermidde-len voordra-gen. Dat recht kan haar slechts worden ontzegd wanneer de wet anders bepaalt of in de gevallen, bepaald in het tweede lid, welk hier niet worden vastgesteld.

Bij voornoemde beschikking werd bepaald dat eiser tegen uiter-lijk 31 december 2013 diende te concluderen en verweerster tegen ui-terlijk 31 januari 2014.

Daarmee werden de conclusietermijnen die de partijen blijkens de vaststellingen van het bestreden vonnis overeenkwamen op de inlei-dingszitting van 27 november 2013 bekrachtigd, wat een toepassing in-hield van artikel 747, §§ 1 en 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Voorts blijkt uit het dossier van de rechtspleging dat op 29 november 2013 bij een "kennisgeving rechtsdag art. 747, par. 2, 4e lid van het Ger.W." aan verweerder werd meegedeeld dat de zaak was vast-gesteld om te worden behandeld op woensdag 26 februari 2014 in openbare terechtzitting. In bijlage werd een on-getekend afschrift van voornoemde beschikking gevoegd.

In geen van deze documenten is een verwijzing naar artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek terug te vinden.

Bij schrijven van 31 januari 2014 werd door de griffier aan de partijen meegedeeld dat de zaak werd verdaagd van de zitting van 26 februari 2014 naar de zitting van 12 maart 2014.

In het bestreden vonnis zelf wordt vastgesteld dat huidige eiser en verweerster respectievelijk op 23 december 2013 en 17 januari 2014 hun besluiten neerlegden ter griffie, dat de beide partijen werden ge-hoord in hun middelen en gezegdes ter zitting van 12 maart 2014, waar de raadsman van verweerster haar bundel neerlegde, waarop de debat-ten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak.

Uit deze vaststellingen volgt dat, anders dan wordt gesteld in het be-streden vonnis, er geen sprake was van een schriftelijke procedure. In ieder geval werden de regels van de schriftelijke procedure, zoals be-doeld bij artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek niet in acht geno-men.

Er werden integendeel door de rechter een conclusiekalender en een rechtsdag bepaald overeenkomstig artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, en meegedeeld aan partijen overeenkomstig artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, de stukken wer-den door de partijen niet vooraf-gaand gebundeld en geïnventariseerd ter griffie neergelegd tegen ontvangstbe-wijs, zoals voorgeschreven door artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek, maar werden volgens de vaststellingen van het bestreden vonnis neergelegd op de zit-ting, waar-op de zaak voor pleidooien was gesteld, deze stukken werden bijgevolg evenmin doorgegeven aan de rechter die daartoe werd aangewezen en er werden door die rechter evenmin binnen de maand na de neerleg-ging van de dossiers ter griffie mondelinge ophelderingen gevraagd.

Anders dan de rechter in het bestreden vonnis vaststelt, was er der-halve geen sprake van een schriftelijke procedure, waarin geen der partijen kon pleiten of zelfs hoefde te verschijnen, zodat eiser op die grond niet het recht kon worden ontzegd om ter zitting van 12 maart 2014 te pleiten en er nog het middel van verjaring in te roepen.

Besluit

Waar uit de procedurestukken en het bestreden vonnis, zoals hierbo-ven uiteengezet, blijkt dat geen enkel voorschrift van artikel 755 van het Gerech-telijk Wetboek blijkt te zijn in acht genomen, doch de zaak integendeel werd vast-gesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, partijen conclusies neerlegden volgens een conclusiekalender, vastgesteld over-eenkomstig artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, en er een pleitdatum werd vastgesteld, partijen op die zitting verschenen, er hun stukken neerlegden en in hun middelen en gezegdes werden gehoord, verantwoordt de Vrederechter zijn beslissing dat eiser niet gerechtigd was om op diezelfde zitting van 12 maart 2014 te pleiten en er het middel van de verjaring mondeling op te werpen omdat ter zake sprake zou zijn van een schriftelijke procedure in de zin van artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek niet naar recht (schending van artikelen 747, §§ 1 en 2, derde en vierde lid, 755, 758 en 769, derde lid van het Ge-rechtelijk Wetboek). Minstens is het bestreden vonnis door een tegenstrijdigheid in de motivering aangetast, waar het enerzijds stelt dat partijen in hun middelen en gezegdes werden gehoord, doch anderzijds stelt dat geen der partijen er kon pleiten en er derhalve geen rekening kon worden gehouden met het door eiser op-geworpen middel van de verjaring (schending van artikel 149 van de gecoördi-neerde Grondwet van 17 februari 1994).

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen gele-verde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.

Blijkens artikel 2223 van het Burgerlijk Wetboek mag de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

Artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt evenwel dat men zich op verjaring kan beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

De partij kan derhalve de exceptie van verjaring in iedere stand van het geding opwerpen en derhalve ook tijdens zijn pleidooi.

Artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek bevat immers geen vorm-voorschrift, zodat de exceptie desnoods mondeling kan worden opgeworpen.

Zo uit de artikelen 740 en 747, § 2, zesde lid van het Gerechtelijk Wet-boek wellicht volgt dat er na het verstrijken van de conclusieter-mijnen of, bij toe-passing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten, geen nieuwe conclusies meer mogen worden overgelegd, verhinderen deze bepalingen de partij geenszins om te pleiten op de zitting waarop de zaak voor behandeling werd gesteld en om tijdens dat pleidooi haar middelen te laten gelden en desnoods overeenkomstig ar-tikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek vooralsnog de exceptie van verjaring mon-deling op te werpen.

Evenmin verzetten artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de conclusies uitdrukkelijk de eisen van de concluderende par-tij moet uiteen-zetten alsook de middelen in feite en in rechte waarop iedere eis steunt en artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat, onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, de laatste conclusies van een partij de vorm aan van synthese-conclusies aannemen, zich ertegen dat derge-lijke exceptie nog tijdens het pleidooi wordt opgeworpen.

De verplichting syntheseconclusies neer te leggen heeft immers en-kel gevolgen voor de omvang van de motiveringsplicht van de rech-ter, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de geding inleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt vervangt, en dat de rechter enkel op die laatste conclusie dient te antwoorden.

Daarentegen heeft iedere partij het recht om te pleiten en om tij-dens dat pleidooi zijn middelen uiteen te zetten, zoals kan worden afge-leid uit artikel 756bis van het Gerechtelijk Wetboek dat stelt dat, on-verminderd de in artikel 735, § 3, bedoelde regels, het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten betekent, met dien verstande dat het pleidooi niet geldt als conclusie, waarmee wordt bedoeld dat de rechter niet verplicht is om op de mon-deling voorgedragen middelen te antwoorden, uit artikel 756ter van het Gerechte-lijk Wetboek, dat stelt dat de rechter vóór de pleitzitting de par-tijen kan voorstel-len om de pleidooien te vervangen door een interac-tief debat, verzoek waarmee zij dienen in te stemmen, en uit artikel 758 van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de partijen zelf hun conclu-sies en verweermiddelen mogen voordragen, tenzij de wet anders be-paalt.

Bovendien bepaalt artikel 756bis van het Gerechtelijk Wetboek uit-drukkelijk dat na het pleidooi, in de aldaar geviseerde situatie, de te-genpartij ant-woordconclusies kan indienen, wat bevestigt dat hetgeen werd aangevoerd tijdens een pleidooi deel uitmaakt van het debat en door de rechter mede in zijn oordeel kan worden betrokken.

Zo de rechter niet verplicht is om te antwoorden op mondelinge con-clusies, zoals kan worden opgemaakt uit artikelen 748bis, 756bis en 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, verbiedt geen enkele bepaling hem om rekening te houden met de middelen of argumenten, die de procespartijen voor het eerst in pleidooien hebben aangevoerd, mits eerbiediging van het recht van de verdedi-ging van de wederpartij.

Bovendien heeft de rechter de plicht om op de voor door de par-tijen ingeroepen feiten de juiste rechtsregel toe te passen.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat door eiser op de zitting van 12 maart 2014 de exceptie van verjaring van de vorde-ring, waarmee duidelijk de verjaring, zoals bedoeld in artikel 2277bis van het Bur-gerlijk Wetboek, werd geviseerd, mondeling werd opgeworpen.

Bovendien blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat verweerster zich omtrent die exceptie ook heeft verweerd.

Ten slotte stelt de rechter expliciet vast dat de verjaring inder-daad was bereikt.

Besluit

In zoverre de rechter in het bestreden vonnis oordeelt geen reke-ning te kunnen houden met de exceptie van verjaring omdat zij voor hem door eiser, na het verstrijken van de conclusietermijnen, monde-ling op de zitting van 12 maart 2014 werd opgeworpen, herleidt hij het recht te pleiten op onwettige wijze tot het voordragen van de middelen en argumenten die in de geschreven conclu-sies werden uiteengezet (schending van artikelen 740, 744, 747, § 2, zesde lid, 748bis, 756bis, 756ter, 758 en 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek even-als van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verde-diging voorschrijft), verliest hij uit het oog dat de exceptie van verjaring, die aan geen vormen is onderworpen, in elke stand van het geding en derhalve ook mon-deling tijdens het pleidooi kan worden opgeworpen (schending van artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek), komt hij tekort aan de op hem rustende plicht om op de voor hem door partijen aangevoerde feiten de juiste rechtsregel toe te passen (schen-ding van het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter oplegt op de voor hem door de partijen ingeroepen feiten de juiste rechtsregel toe te pas-sen) en vermocht hij, gelet op de gedane vaststellingen niet wettig te beslissen dat de vordering niet was verjaard (schending van artikelen 2224 en 2277bis van het Burgerlijk Wetboek).

TOELICHTING

1. De schriftelijke procedure, zoals geregeld bij artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek, is een procedure, waarbij de instaatstelling louter minnelijk gebeurt, de partijen hun conclusies en stukken gebun-deld en geïnventariseerd ter griffie neerleggen waarop er hen een ont-vangstbewijs wordt afgeleverd, en de de-batten vervolgens overeenkomstig artikel 769 van het Gerechtelijk Wetboek één maand na de neerlegging van de dossiers ter griffie door de partijen worden ge-sloten, tenzij zij om een mondelinge opheldering door de rechter aan wie de zaak is toegewezen, worden verzocht. Er is geen zitting voorzien (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2012, 436, nr. 1036; D. Scheers en P. Thiriar, Het gerechtelijk recht in de hoogste versnelling?, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 58).

De oproeping van de partijen bij gerechtsbrief om mondelinge toe-lichting te verstrekken kan slechts in uitzonderlijke omstandighe-den worden ge-vraagd (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, o.c., 437, nr. 1041).

De schriftelijke behandeling, zoals geregeld bij artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft niets te maken met de ingereedheid-brenging als zo-danig. Zij betekent alleen dat het tijdverlies, veroorzaakt door het aanvragen van en het wachten op een rechtsdag, wordt vermeden door de rechtsdag gewoon over te slaan (B. Allemeersch en P. Van Orshoven, "Ingereedheidbrenging van de zaak", in P. Taelman en P. Van Orshoven (ed.), De wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand doorgelicht, Brugge, die Keure, 2007, 74-75, nr. 62).

Blijkens de beschikking dagbepaling van 28 november 2013 wer-den er in onderhavige zaak door de rechter conclusietermijnen en een rechtsdag be-paald bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Op 29 november 2013 werd bij een "kennisgeving rechts-dag art. 747, par. 2, 4e lid van het Ger.W." aan eiser werd meegedeeld dat de zaak was vastge-steld om te worden behandeld op woensdag 26 fe-bruari 2014 in openbare terecht-zitting.

In geen van beide documenten is een verwijzing naar artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek te vinden.

Voorts blijkt uit de vaststellingen van het vonnis dat eiser en ver-weersters respectievelijk op 23 december 2013 en 17 januari 2014 hun besluiten neerlegden ter griffie, de raadsman van verweerster zijn bun-del neerlegde op de zitting van 12 maart 2014 en de beide partijen op die zitting werden gehoord in hun middelen en gezegdes, waarop de debatten werden gesloten en de zaak in be-raad werd genomen.

Deze vaststellingen spreken tegen dat de schriftelijke procedure werd gevolgd. Wellicht wordt er in het vonnis gesteld dat partijen op de inleidingszit-ting overeenkwamen om de schriftelijke procedure toe te passen, maar uit het feit dat er onmiddellijk conclusietermijnen werden afgesproken, blijkt duidelijk dat hiermee een procedure in de zin van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek met uitwisseling van besluiten en een pleitdatum werd bedoeld.

Eiser kon op die grond bijgevolg niet het recht ontzegd worden om te pleiten.

Uit het bestreden vonnis blijkt trouwens dat partijen op de zitting van 12 maart 2014 wel degelijk in hun middelen en gezegdes werden gehoord, waar-door de beslissing op dat punt tegenstrijdige motieven bevat.

2. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat eiser de exceptie van verjaring mondeling opwierp op de zitting, waarop de zaak voor be-handeling stond gesteld.

Uit het feit dat er conclusietermijnen werden bepaald leidt de rechter op onwettige wijze af dat eiser de exceptie niet meer kon opwer-pen tijdens zijn pleidooi.

Pleiten bestaat in het mondeling voordragen van zijn middelen en excepties.

De conclusietermijnregeling sluit het pleitrecht niet uit. Alleen zal de rechter geen verplichting hebben om te antwoorden op wat mon-deling werd aan-gevoerd (cf. Cass. 26 februari 1999, Arr.Cass. 1999, nr. 118).

Dat is wat men in de rechtsleer het principe van de relativiteit van het pleidooi noemt. De rechter is niet gehouden om te antwoorden op de midde-len die een partij enkel in zijn pleidooi voorbrengt (J. Lae-nens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, o.c., 429, nr. 1021). Echter, zo hij niet moet antwoorden op mondelinge conclusies, is het hem niet verboden om rekening te houden met de middelen die tijdens een plei-dooi werden aangevoerd.

In het arrest van 18 maart 2011 heeft Uw Hof aldus uitdrukkelijk be-slist dat het de rechter niet verboden is om de argumenten, die de procespartijen voor het eerst in pleidooien aanvoeren, in zijn beoorde-ling te betrekken, mits hij het recht van verdediging niet miskent (Cass. 18 maart 2011, Arr.Cass. 2011, 832).

Uit deze rechtspraak volgt dat partijen in beginsel in hun plei-dooien nieuwe elementen mogen aanvoeren en dat de rechter met deze nieuwe elemen-ten rekening mag houden (B. Vanlerberghe, "Actualia gerechtelijk recht: proce-dure en rechtsmiddelen", in Centrum voor Be-roepsvervolmaking in de Rechten (ed.), CBR Jaarboek 2013-2014, Ant-werpen-Cambridge, Intersentia, 2014, 50, nr. 55).

Dat pleitrecht bestaat trouwens, zelfs in afwezigheid van tijdige con-clusies, zoals volgt uit artikel 756bis van het Gerechtelijk Wetboek. Uit dat artikel volgt dat het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten betekent. Per definitie houdt zulks in dat er op de zitting nieuwe midde-len zullen kunnen worden opgewor-pen door die partij.

Er kan in dat verband ook nog worden verwezen naar een arrest van Uw Hof met betrekking tot het voormalig artikel 751 van het Ge-rechtelijk Wet-boek, waarin Uw Hof oordeelde dat, wanneer de rechter de conclusie van een pro-cespartij uit het debat weert, de aangevoerde wetsbepalingen en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van ver-dediging die partij niet verhinderen om op de vastgestelde rechtsdag te verschijnen en er te pleiten over andere regelmatig neergelegde pro-cesstukken (Cass. 27 september 2001, Arr.Cass. 2001, 1559).

Een en ander zou zinloos zijn indien er tijdens dat pleidooi geen mid-delen zouden mogen worden ingeroepen die niet in de conclusies aan bod zijn ge-komen.

Voornoemde arresten betroffen wellicht situaties, waarin de partij geen (tijdige) conclusie had genomen, doch wat een nalatige partij niet wordt ont-zegd, kan moeilijk worden geweigerd aan een partij die wel tijdig conclusies geno-men heeft.

Op grond van voornoemde rechtspraak kan derhalve worden be-slo-ten dat een partij tijdens haar pleidooi nog middelen kan aanvoeren die niet in de conclusies werden uiteengezet. De conclusietermijnrege-ling verbiedt een rechter evenmin om rekening te houden met midde-len die uitdrukkelijk tijdens een plei-dooi aan bod zouden zijn gekomen, zulks mits eerbiediging van het recht van ver-dediging.

Daarbij komt dat het de taak van de rechter is om, mits eerbiedi-ging van het recht van verdediging, op de door de partijen aangevoerde feiten de juiste rechtsregel toe te passen. Alleen moet uit de procedure-stukken, desnoods de vast-stellingen van de rechterlijke beslissing zelf, blijken dat deze feiten voor hem wer-den aangevoerd. Wanneer de rech-ter vaststelt dat een bepaald feit ter zitting werd opgeworpen, kan hij dat gegeven niet meer negeren.

Uit artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat men zich op verjaring kan beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan af-stand heeft gedaan.

De aanvoering van de exceptie van verjaring is aan geen vorm-voor-schriften onderworpen. Zij kan bijgevolg ook mondeling worden opgeworpen.

Het enkele feit dat er conclusietermijnen werden overeengeko-men kan een partij derhalve niet verhinderen om tijdens zijn pleidooi nog mondeling de exceptie van verjaring op te werpen.

Te dezen heeft de rechter in het bestreden vonnis zelf vastgesteld dat de exceptie van verjaring voor hem door eiser mondeling werd op-geworpen. De aanvoering van de exceptie staat zodoende vast.

Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt bovendien dat verweerster zich daaromtrent heeft kunnen verweren ter zitting.

In die omstandigheden kon de rechter dan ook niet wettig beslis-sen, om de enkele reden dat de conclusietermijnen waren verstreken, dat hij de verja-ring van de vordering op grond van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, die volgens zijn eigen vaststellingen een feit was, niet kon vaststellen.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cas-satie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden vonnis te vernie-tigen, de zaak en partijen naar een ander Vredegerecht te verwijzen; kosten als naar recht.

Brussel, 3 juni 2015.

Noot: 

S. Sobrie, Het pleidooi in burgerlijke zaken: meer dan praat voor de vaak, RW 2017-2018, 1340

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/04/2018 - 18:16
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.