-A +A

Verjaring ereloon van architect

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 12/09/2017

De vordering tot betaling van ereloon is een persoonlijke rechtsvordering die overeenkomstig artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, bij gebreke van een bijzondere verjaringstermijn, verjaart door verloop van tien jaar. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt wel bijzondere verjaringsregels voor de vordering van advocaten en deskundigen tot betaling van kosten en ereloon (art. 2276bis en 2276ter B.W.), maar niet voor de vordering van de architect en evenmin, zoals de architect lijkt aan te voeren, voor de vordering van beoefenaars van een vrij beroep in het algemeen.

Dde verjaring begint te lopen vanaf de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Overeenkomstig het gemeen recht inzake aanneming wordt het ereloon van de architect - behoudens andersluidende contractuele bepaling - opeisbaar op het ogenblik waarop hij zijn opdracht heeft voltooid 

Dde verjaring begint dus niet te lopen vanaf een verzoek tot betaling van het ereloon, maar wel vanaf het ogenblik waarop de architect betaling van zijn ereloon had kunnen vorderen, dit is op het ogenblik waarop hij zijn opdracht voltooide.

Publicatie
tijdschrift: 
TBO
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2018
Pagina: 
44
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.M. t.! bvba A.A.

( ... )

5.- BVBA A.A. (hierna "de architect") maakte op 6 juni 2001 aan de heer M. een voorontwerp over voor het bouwen van appartementen te W. (dossier architect, stuk I).

In oktober 2002 maakte de architect de tekeningen voor de aanvraag van een stedenbouwkundig attest voor het bouwen van een winkel met appartementen te H., (meer bepaald, zoals de aanvraag van een stedenbouwkundig attest vereist, een situatietekening van het bedoelde perceel met weergave van de bestaande toestand, profieltekeningen en een schetstekening). De heer M. ondertekende de aanvraag van een stedenbouwkundig attest nr. 2 op 10 oktober 2002 (dossier architect, stukken II-V). De architect stelde vervolgens voor dit project een voorstel met varianten op, gedateerd 18 oktober 2002, en ontwerpplannen, gedateerd 18 november 2002 (dossier architect, stuk VI).

Op 27 juni 2006 maakte de architect aan de heer M. twee "verzoeken tot betaling van erelonen" over, één voor het project te W. ("Bouwen van appartementen. Voorontwerp") voor 7.348,30 euro plus 21% btw, in totaal 8.891,44 euro, en één voor het project te H. ("Bouwen van winkelruimte en appartementen. Voorontwerp en stedenbouwkundig attest nr. 2") voor een bedrag van 6.050 euro plus 21% btw, in totaal 7.320,50 euro (dossier architect, stuk VII).

Op 7 september 2006 maakte de architect voor beide ereloonnota's een "verzoek tot betaling van intresten en schadevergoeding" over. In deze ereloonnota's vorderde de architect de betaling van twee maanden interest tegen 12% per jaar (of 1% per maand) en een schadevergoeding van 15%, beide berekend op het ereloon inclusief btw (dossier architect, stukken VIII-IX).

Met een aangetekende brief van 4 maart 2013 stelde de advocaat van de architect de heer M. in gebreke.

Er volgde geen reactie.

( ... )

6.- Op 14 november 2013 dagvaardde de architect de heer M. tot betaling van 16.211,94 euro plus een schadevergoeding van 1.621,19 euro, dit alles plus moratoire interest tegen 10% (per jaar) vanaf 27 juni 2006 tot" heden" (de dag van dagvaarding), plus gerechtelijke interest "vanaf heden" tegen de wettelijke interestvoet.

Het bedrag van 16.211,94 euro is het totaal van de twee ereloonnota's inclusief btw (7.320,50 euro+ 8.891,44 euro).

De heer M. besloot tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde de heer M. tot betaling van 16.211,94 euro plus interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf 4 maart 2013.

( ... )

9.- De verjaring - De heer M. voert in zijn verzoekschrift tot hoger beroep aan dat de vordering verjaard is op de volgende gronden: "De prestaties dateren van 2001 en (de architect) kan niet hard maken dat de verzoeken tot betaling daadwerkelijk werden opgesteld en verstuurd in 2006, zodat dit dan ook niet als vertrekpunt van de vijfjarige verjaring kan worden weerhouden.

In tegenstelling tot wat de rechtbank verkeerd als vertrekpunt neemt, het verzoek tot betaling van in 2006, kan slechts worden rekening gehouden met de aangetekende zending van 04.03.2013 en kan niet anders dan worden vastgesteld dat de vordering verjaard is".

De eerste rechter had de verwerping van de aangevoerde verjaring inderdaad als volgt gemotiveerd: "Het is maar op het ogenblik dat de schuld opeisbaar is dat de verjaringstermijn begint te lopen. Het vertrekpunt van de verjaring is de datum waarop de schuldvordering betaalbaar is of wordt gesteld. Het vertrekpunt van de vijfjarige verjaring is dus de datum van het verzoek tot betaling. (De architect) is binnen de vijfjaar na het betalingsverzoek overgegaan tot dagvaarding". Het hof merkt op dat de dagvaarding op 14 november 2013 werd betekend, ruim meer dan vijf jaar na het "verzoek tot betaling", zodat deze overweging, nog afgezien van wat het hof hierna opmerkt over de verjaring, in elk geval onbegrijpelijk is.

De architect voert voor het hof aan dat de heer M., "zo blijkt uit zijn conclusie, blijkbaar hoopte op verjaring en nu gefrustreerd is dat de verjaring lonkt, doch niet bereikt werd;

Dat niet betwist wordt dat de vordering niet verjaard is; Dat voor de volledigheid wordt opgemerkt dat architecten vrije beroepers zijn die een verzoek tot betaling van hun ereloon dienen te richten aan de opdrachtgever binnen de vijf jaar na het leveren van de prestatie, hetgeen in casu gebeurd is en waaromtrent er geen betwisting heerst".

Anders dan de architect aanvoert, beroept de heer M. zich in zijn verzoekschrift tot hoger beroep, zoals hierboven geciteerd, wel degelijk op de verjaring van de vordering.

Het hof stelt vast dat de beide partijen en ook de eerste rechter klaarblijkelijk ervan uitgaan dat de vordering van de architect tot betaling van ereloon verjaart na verloop van vijf jaar.

De vordering tot betaling van ereloon is een persoonlijke rechtsvordering die overeenkomstig artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, bij gebreke van een bijzondere verjaringstermijn, verjaart door verloop van tien jaar (zie o.a. B. Kohl, Contrat d'entreprise, Brussel, Bruylant, 2016, nr. 182). Het Burgerlijk Wetboek bepaalt wel bijzondere verjaringsregels voor de vordering van advocaten en deskundigen tot betaling van kosten en ereloon (art. 2276bis en 2276ter B.W.), maar niet voor de vordering van de architect en evenmin, zoals de architect lijkt aan te voeren, voor de vordering van beoefenaars van een vrij beroep in het algemeen.

Terecht betwist de heer M. dat de verjaring is beginnen te lopen vanaf het verzoek tot betaling van het ereloon. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling begint de verjaring te lopen vanaf de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Overeenkomstig het gemeen recht inzake aanneming wordt het ereloon van de architect - behoudens andersluidende contractuele bepaling - opeisbaar op het ogenblik waarop hij zijn opdracht heeft voltooid (vgl. W. Goossens, Aanneming van werk. Het gemeenrechte/ijk dienstencontract, in Recht en Onderneming, nr. 7, die Keure, Brugge, 2003, nr. 782; B. Kohl, Contrat d'entreprise, nr. 176, p. 432-433).

Anders dan de architect aanvoert, begint de verjaring dus niet te lopen vanaf een verzoek tot betaling van het ereloon, maar wel vanaf het ogenblik waarop de architect betaling van zijn ereloon had kunnen vorderen, dit is op het ogenblik waarop hij zijn opdracht voltooide.

Zoals blijkt uit de omschrijving van het voorwerp van de verzoeken tot betaling van erelonen, heeft de vordering van de architect betrekking op welomschreven prestaties die te onderscheiden zijn van de prestaties die worden geleverd door een architect die met een volledige opdracht wordt belast.

De "verzoeken tot betaling van erelonen" vermelden immers "W Bouwen van appartementen. Voorontwerp" en "H. Bouwen van winkelruimte en appartementen. Voorontwerp en stedenbouwkundig attest nr. 2".

Deze omschrijving stemt overeen met de stukken die de architect voorlegt als bewijs van de geleverde prestaties, namelijk, voor het project te W., een geheel van plannen die de architect aan de heer M. overmaakte bij brief van 6 juni 2001met vermelding "Betreft: W Bouwen van appartementen" en met de mededeling "in bijlage kunnen wij u het voorontwerp voor in rand vermeld project overmaken" en, voor het project te H., een geheel van plannen, gedateerd 2, 8 en 9 oktober 2012 met het oog op een stedenbouwkundig attest (waarvan de aanvraag op 10 oktober 2012 door de heer M. werd ondertekend) en de plannen, gedateerd 18 oktober 2002 en 18 november 2002,die respectievelijk voorstellen en een voorontwerp voor dit project inhielden.

De "verzoeken tot betaling van ereloon" vermelden niet dat de architect werd belast met de controle op de uitvoering van werken. De architect voert dit overigens in zijn conclusie ook niet aan (al vermeldt hij wel dat de gebouwen zouden zijn gezet en verkocht volgens de plannen die hij opstelde).

Zoals blijkt uit de datering van de stukken die de architect voorlegt, voltooide de architect zijn opdracht in juni 2001 en november 2002. Sindsdien verstreken meer dan tien jaren vooraleer de architect tot dagvaarding overging.

De architect legt geen daad van stuiting van de verjaring voor. Aan een verzoek tot betaling van ereloon komt geen stuitende werking toe. (De aangetekende ingebrekestelling van de advocaat van de architect dateert van meer dan tien jaar na de voltooiing van de opdracht en werd overigens verstuurd vóór de inwerkingtreding van artikel 2244, § 2, van het Burgerlijk Wetboek dat onder bepaalde voorwaarden stuitende werking toekent aan de aangetekende ingebrekestelling door, onder anderen, de advocaat van de schuldeiser.)

De vordering van de architect is bijgevolg verjaard en op die grond niet-ontvankelijk.

Uiterst ondergeschikt - "voor zover (het hof) van oordeel is dat (de architect) op basis van hogervermelde rechtspraak en rechtsleer geen recht zou hebben op een honorarium voor de door haar geleverde prestaties" - beroept de architect zich op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Aangezien de vordering van de architect tot betaling van de prestaties die hij leverde in het stadium van de voorstudie een contractuele grondslag heeft, en de beslissing van het hof niet gesteund is op de beslissing dat de architect geen recht zou hebben op vergoeding van de prestaties die hij zou hebben geleverd, maar op de vaststelling dat zijn vordering verjaard is, is er geen aanleiding om de in uiterst ondergeschikte orde ingestelde vordering te beoordelen (nog afgezien van de vaststelling dat een dergelijke vordering onderworpen is aan een kortere verjaringstermijn zoals bepaald in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Het hoger beroep van de heer M. is gegrond.

( ... )

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 23/03/2018 - 20:47
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.