-A +A

Verjaring BTW zevenjarige verjaring toepassingsvoorwaarde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 20/11/2012

Artikel 81bis, § l, tweede lid, 2° BTW-Wetboek houdt niet in dat uit de rechtsvordering zelf het bestaan van onrechtmatige aftrekken moet volgen. Het volstaat dat de rechtsvordering feiten aan het licht brengt die de administratie toelaten om onder meer door de haar ter beschikking staande wettelijke bewijsmiddelen (en rekening houdend met het feit dat het aan de belastingplichtige is om te bewijzen dat hij recht heeft op BTW-aftrek) de onrechtmatigheid te onthullen.

Te dezen beschikte de administratie derhalve over de termijn van zeven jaar voorzien bij artikel 81bis, § l, tweede lid, 2° BTW-Wetboek.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/19
Pagina: 
1329
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A.D.M.-V. BVBA / Belgische Staat, FOD Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit)

l. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 31 mei 2010 bestreed de appellante de vordering van de geïntimeerde ten haren aanzien tot betaling van 6.804,00 EUR BTW, 13.608,00 EUR boeten, meer interesten (in de brief van 10 mei 2010 van het 2de BTW-ontvangkantoor Kort­rijk berekend op dat ogenblik op 3.481,60 EUR, om tot een totaal te komen van 23.893,60 EUR).

Deze bedragen waren volgens de geïntimeerde verschuldigd wegens onterechte aftrek van BTW op facturen door de NV L.U. (met handelsbenaming K.) opgemaakt en aan de appellante gericht. De administratie was van oordeel dat het ging om fictieve facturen en de erop betrekking hebbende BTW niet mocht worden afgetrokken door de appellante.

De appellante heeft het bedrag van 23.893,60 EUR betaald op 25 mei 2010, onder voorbehoud van alle rechten en met de mededeling dat de vordering betwist werd en voorwerp zou uitmaken van een procedure tot terugbetaling.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat zou beslist worden dat de vordering van de administratie verjaard is, dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot teruggave aan de appellante in hoofdsom en interesten van alle bedragen die zij heeft betaald onder voorbehoud van alle rechten, meer bepaald de som van 23.893,60 EUR, te verhogen met de interesten vanaf 31 mei 2010 tot aan de volledige terugbetaling. In ondergeschikte orde vorderde de appellante dat de boete zou worden kwijtgescholden, minstens zou worden herleid tot hoogstens 40% en de daaruit voortvloeiende teruggave zou worden bevolen.

Bij vonnis van 27 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 4de kamer, werd de vordering van de appellante toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond verklaard, werd voor recht gezegd dat de boete verlaagd wordt tot 6.800,00 EUR, werd de geïntimeerde veroordeeld tot terugbetaling aan de appellante van het betaalde bedrag van de boete dat hoger is dan 6.800,00 EUR, inclusief de betaalde interesten op dit hoger gedeelte van de boete, te vermeerderen met de interesten vanaf de datum van betaling door de appellante tot datum van terugbetaling door de geïntimeerde. Elk van de partijen werd in zijn eigen gerechtskosten verwezen.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 21 december 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen tenietdoen, en de oorspronkelijke vordering van de appellante te horen toewijzen.

De geïntimeerde van zijn kant heeft incidenteel beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen wijzigen waar de boete van 13.608,00 EUR verminderd werd tot 6.800,00 EUR, en de boete op 13.608,00 EUR te horen bepalen.

2. De facturen waarover de betwisting loopt dragen de data van respectievelijk 19 april 2004, 16 juli 2004, 27 februari 2004, 16 juli 2004 en 1 oktober 2004.

Uit het proces-verbaal van 27 april 2010 blijkt dat de door de administratie voor­gehouden onregelmatigheden werden vastgesteld naar aanleiding van een BTW- controle bij de appellante op 22 oktober 2009. Uit ditzelfde proces-verbaal (stuk l van de geïntimeerde) blijkt dat op het ogenblik van de controle de controlerende ambtenaar reeds kennis had genomen van het dossier dat berust bij de administratie van de directe belastingen en van de stukken van het gerechtsdossier met notitienrs. AN.21.98.2848/06, AN.21.F.1.1366-07 en AN.20.F1.616.07, waarvoor toelating was verleend door het ambt van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen.

De administratie is van oordeel dat zij beschikt over de verjaringstermijn van 7 jaar om de hoger aangehaalde BTW en accessoria in te vorderen, op volgende gronden:

artikel 81bis, § l, tweede lid, 2° BTW-Wetboek: er is een rechtvordering die aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn (grondslag aangehaald in het proces-verbaal d.d. 27 april 2010, stuk l van de geïntimeerde);
artikel 81bis, § l, tweede lid, 4° BTW-Wetboek: de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 BTW-Wetboek is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (grondslag aangehaald in de kennisgeving bedoeld bij art. 84ter BTW-Wetboek).
De ene grondslag sluit de andere niet uit en de beide grondslagen kunnen tegelijkertijd voorhanden zijn.

Hetzelfde geldt voor de grondslag die de geïntimeerde aanvoert in conclusie nl. wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn (art. 81bis, § l, tweede lid, 3° BTW-Wetboek).

De rechten van verdediging van de appellante zijn niet geschonden, nu zij over voldoende tijd heeft beschikt om de verjaring op grond van de drie aangehaalde rechtsgronden te onderzoeken, en zich tegen de toepassing van de zevenjarige termijn heeft kunnen verweren.

Het feit dat in het proces-verbaal slechts naar één rechtsgrond wordt verwezen belet de administratie niet zich op andere grondslagen te beroepen voor de toepassing van de zevenjarige termijn.

Uit de kennisgeving in toepassing van artikel 84ter BTW-Wetboek is af te leiden dat uit de gerechtsdossiers niet blijkt dat de appellante onrechtmatig BTW-aftrekken heeft toegepast. Volgens de kennisgeving bleek uit de gerechtsdossiers enkel dat de appellante verschillende subsidies voor opleidingen en/of advies heeft aangevraagd en verkregen bij de Vlaamse Gemeenschap, en dat de noodzakelijke uitgaven die een voorwaarde vormen voor het verkrijgen van deze subsidies vaak geen werkelijke prestaties vertegenwoordigen.

Artikel 81bis, § l, tweede lid, 2° BTW-Wetboek houdt echter niet in dat uit de rechtsvordering zelf het bestaan van onrechtmatige aftrekken moet volgen. Het volstaat dat de rechtsvordering feiten aan het licht brengt (zoals de gegevens in de voorgaande paragraaf omschreven) die de administratie toelaten om onder meer door de haar ter beschikking staande wettelijke bewijsmiddelen (en rekening houdend met het feit dat het aan de belastingplichtige is om te bewijzen dat hij recht heeft op BTW-aftrek) de onrechtmatigheid te onthullen.

Te dezen beschikte de administratie derhalve over de termijn van zeven jaar voorzien bij artikel 81bis, § l, tweede lid, 2° BTW-Wetboek.

Uit de vaststellingen in het proces-verbaal van 27 april 2010 volgt afdoende dat tegenover de in betwisting zijnde facturen geen werkelijke overeenstemmende prestatie stond. De appellante ontving telkens slechts na aandringen een bundel, dat zeer beperkt was (kopies uit Belfirst, geen onderzoek, geen advies).

Volgens verklaring van de zaakvoerder aan de controlerende ambtenaar (zie het proces-verbaal) zijn deze documenten waardeloos. De cursus netwerkbeheer is volgens de verklaring van de zaakvoerster L.V., naar dewelke in het proces-verbaal verwezen wordt, niet doorgegaan en werd haar na aandringen enkel een cursus netwerkbeheer overgemaakt die zij zelf moest instuderen, doch enig concreet document kon volgens vaststelling van de controlerende ambtenaar niet worden voorgelegd. Ook voor de cursus “mailings uitsturen” kon geen concreet document worden voorgelegd aan de controlerende ambtenaar of enig bewijs dat de cursus effectief plaatsgreep.

Gelet op deze gegevens heeft de administratie terecht aangenomen dat de betwiste facturen fictief waren en heeft zij terecht de BTW-aftrek met betrekking tot die facturen geweerd.

3. Het is niet aan te nemen dat de appellante, die een accountantskantoor uitbaat, zich er niet van bewust zou geweest zijn dat de door de administratie uit de aftrek verworpen BTW niet in aanmerking kwam voor aftrek, gezien de fictieve aard ervan. Hierbij moet bovendien in aanmerking worden genomen dat de appellante bereid zou zijn gevonden om een bedrag van 39.204,00 EUR (incl. BTW) of 32.400,00 EUR (excl. BTW) te betalen zonder werkelijke tegenprestatie, dit voor facturen over een zekere tijd gespreid (van 27 februari 2004 tot 1 oktober 2004), tijd die toch toereikend was om zich te realiseren dat geen werkelijke prestaties werden geleverd.

Gelet op deze gegevens moet aangenomen worden dat de appellante gehandeld heeft met bedrieglijk opzet.

De hiervoor verschuldigde administratieve boete is krachtens het artikel 70, § lbis BTW-Wetboek gelijk aan het dubbel van de belasting of 13.608,00 EUR.

Zelfs indien aangenomen wordt dat de appellante de BTW heeft betaald, dan nog is een boete van 13.608,00 EUR evenredig met de met fraude begane inbreuk en niet onredelijk.

OP DEZE GRONDEN

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Ontvangt het incidenteel beroep en verklaart het gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;

Opnieuw wijzende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante ongegrond;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van de beide aanleggen (...).

Noot: 

Renier, P. en Steen, K., « Cassatie herschrijft verjaringsregels inzake BTW: een zegen of een vloek? », R.A.B.G., 2013/19, p. 1321-1329

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 10:03
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 10:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.