-A +A

Verjaring begint pas te lopen vanaf moment dat onrechtmatige daad is gestopt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 22/09/2016
A.R.: 
C.15.0079.F

De verjaring, die een verweer is tegen een laattijdige vordering, begint slechts te lopen vanaf de dag waarop die vordering ontstaat. Dat is in de regel de dag waarop de verbintenis moet worden uitgevoerd (1). (1) Cass. 24 januari 2013, AR C.11.0649.F, AC 2013, nr. 58.

Middels de verjaring kan men zich verweren tegen een vordering die laattijdig wordt ingesteld. De verjaring kan als verweer ook tegen de overheid worden ingeroepen en ook vorderingen ingesteld door de burger tegen de overheid kunnen verjaren.

De verjaring gesteund op onrechtmatige daad begint pas te lopen op de dag dat de onrechtmatige daad eindigt.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
379
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0079.F
1. WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering in de persoon van de minister van Economie, Industrie, Innovatie en Digitalisering,
2. SOCIÉTÉ WALLONNE DE GESTION ET DE PARTICIPATIONS nv,

tegen
1. BNP PARIBAS FORTIS nv,
2. ING BELGIË nv,
3. KBC BANK nv,
4. BELFIUS BANK nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 3 oktober 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee midde-len aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Eerste onderdeel

De verjaring, die een verweer is tegen een laattijdige vordering, begint slechts te lopen vanaf de dag waarop die vordering ontstaat. Dat is in de regel de dag waar-op de verbintenis moet worden uitgevoerd.

Krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, de schuldvorderingen verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Luidens artikel 2011 Burgerlijk Wetboek verplicht hij die zich voor een verbintenis borg stelt, zich jegens de schuldeiser, aan die verbintenis te voldoen, indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet.

Het arrest stelt met overneming van de redenen van het beroepen vonnis vast dat de eerste eiser beslist heeft het project tot herstructurering van de activiteiten van de Louis de Poortere-groep en van de vennootschap Balsan te ondersteunen vol-gens een protocolakkoord van 28 november 1997 dat melding maakt van "een le-ning van 520 miljoen door de banken [verweersters], vooraf gewaarborgd door een inpandgeving door Louis de Poortere Holding van 15 procent Louis de

Poor-tere-effecten naast de aanvullende zekerheid van [de eerste eiser] ten belope van 50 procent van het resterende verschuldigde saldo".

Het arrest stelt dat "de verbintenis van [de eerste eiser] een borgtocht omvat die beperkt is tot 50 procent van het verschuldigde bedrag dat overblijft na de tegel-demaking van het pand dat gegeven werd ten gunste van de lening [die toegestaan werd door de verweersters]" en dat "[de eerste eiser] mogelijk niets verschuldigd was [...] indien de herstructurering gefaald was maar het te gelde te maken pand voldoende was geweest om de banken terug te betalen" zodat "de door [de eerste eiser] gegeven zekerheid lijkt te doen uitschijnen dat het vertrekpunt ervan onbe-paald en toekomstig is".

Vervolgens oordeelt het dat "de schuldvordering van de bank beschouwd moet worden als bestaand en werkelijk op de dag waarop de curatoren de schuldeisers de nuttige gegevens verschaften om hun schuldvordering te bepalen, in dit geval op 8 april 2002 [...], wat het ogenblik is waarop de curatoren duidelijk maakten dat het pand op de Louis de Poortere-effecten niet te gelde gemaakt kon worden".

Met die vermeldingen, waaruit voortvloeit dat, in de ogen van het hof van beroep, de zekerheid van de eisers aanvullend was in zoverre zij pas opeisbaar was na de tegeldemaking van het pand ten belope van het resterende saldo van de lening dat dan nog verschuldigd was, verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat de "termijn van vijf jaar [...] berekend moet worden vanaf 1 januari 2002" en dat "de schuldvordering [van de verweersters] niet verjaard is" aangezien de dagvaarding dateert van 14 maart 2005.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De door het eerste onderdeel tevergeefs aangevochten redenen volstaan om de be-slissing van het arrest te schragen dat "de schuldvordering van de banken be-schouwd moet worden als bestaand en werkelijk op de dag waarop de curatoren de schuldeisers de nuttige gegevens verschaften om hun schuldvordering te bepalen, in dit geval op 8 april 2002 [...], wat het ogenblik is waarop de curatoren duidelijk maakten dat het pand op de Louis de Poortere-effecten niet te gelde gemaakt kon worden".

Het onderdeel, dat opkomt tegen overtollige redenen, is niet ontvankelijk bij ge-brek aan belang.
(...)

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 22 september 2016 uitgesproken 

Noot: 

• A. Van Oevelen, «Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht», TPR 1987, (1755), p. 1781, nr. 24;

• I. Claeys, «Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring» in I. Claeys (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, (31), p. 46, nr. 28.

• Frederick Bruloot, Overheidsaansprakelijkheid voor een voortdurende herniewe onrechtmatige daad en de verjaring va de vordering, noot onder Cass. 22/09/2016 in NJW 2017, 604, met tal van verwijzingen

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 18/05/2018 - 12:48
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 14:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.