-A +A

Verhouding en voorrang grondwet Uniewet Internationale verdragen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Andere
Datum van de uitspraak: 
din, 22/06/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
795
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Justitie, Grote Kamer – 22 juni 2010

Gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10

...

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

16. Melki en Abdeli, die beiden de Algerijnse nationaliteit hebben en onrechtmatig in Frankrijk verblijven, zijn op grond van art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale aan een politiecontrole onderworpen in het gebied gevormd door de landsgrens van Frankrijk met België en een lijn die 20 kilometer daar vandaan is getrokken. Op 23 maart 2010 is tegen elk van beiden een besluit van de prefect houdende hun verwijdering van het Franse grondgebied en een beslissing hen in bewaring te houden, gegeven.

17. Voor de juge des libertés et de la détention, bij wie de prefect een verzoek om verlenging van die bewaring had ingediend, hebben Melki en Abdeli de rechtmatigheid van hun aanhouding betwist en de ongrondwettigheid van art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale opgeworpen, op grond dat deze bepaling afbreuk doet aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.

18. Bij twee beschikkingen van 25 maart 2010 heeft de juge des libertés et de la détention de toezending aan de Cour de cassation gelast van de vraag of art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale afbreuk doet aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden, en verder de verlenging van de bewaring van Melki en Abdeli voor veertien dagen bevolen.

19. Volgens de verwijzende rechter voeren Melki en Abdeli aan dat art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale in strijd is met de Grondwet, aangezien de verplichtingen van de Franse Republiek uit hoofde van het Verdrag van Lissabon in het licht van art. 88-1 van de Grondwet van constitutionele orde zijn, en dat voornoemde bepaling van de Code de procédure pénale, voor zover die controles aan de grenzen met de andere lidstaten toestaat, in strijd is met het beginsel van het vrije verkeer van personen als neergelegd in art. 67, tweede lid, VWEU, waarin wordt bepaald dat de Europese Unie ervoor zorgt dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht.

20. Naar het oordeel van de verwijzende rechter rijst in de eerste plaats de vraag naar de verenigbaarheid van art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale met zowel het recht van de Unie als de Grondwet.

21. In de tweede plaats leidt de Cour de cassation uit art. 23-2 en art. 23-5 van beschikking nr. 58-1067 en uit art. 62 van de Grondwet af dat de feitenrechters – net als zijzelf – als gevolg van organieke wet nr. 2009-1523, die voornoemde artikelen in beschikking nr. 58-1067 heeft ingevoegd, niet de mogelijkheid hebben om het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen wanneer een prioritaire grondwettigheidsvraag aan de Conseil constitutionnel wordt toegezonden.

22. Omdat zij van oordeel is dat haar beslissing over de verwijzing van de prioritaire grondwettigheidsvraag aar de Conseil constitutionnel afhangt van de uitlegging van het Unierecht, heeft de Cour de cassation de behandeling van beide zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

«1) Verzet art. 267 VWEU zich tegen een wettelijke regeling zoals vervat in de artikelen 23-2, tweede lid, en 23-5, tweede lid, van beschikking nr. 58-1067 van 7 november 1958, ingevoerd bij organieke wet nr. 2009- 1523 van 10 december 2009, doordat zij de rechters verplicht met voorrang uitspraak te doen over de toezending van de hun voorgelegde grondwettigheidsvraag aan de Conseil constitutionnel wanneer deze vraag is gebaseerd op de onverenigbaarheid van een bepaling van nationaal recht met de Grondwet vanwege de strijdigheid van deze bepaling met het recht van de Unie?

«2) Verzet art. 67 VWEU zich tegen een wettelijke regeling zoals vervat in art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale die bepaalt dat, binnen een gebied gevormd door de landsgrens van Frankrijk met de staten die partij zijn bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomst en een lijn die op 20 kilometer daar vandaan is getrokken, alsook in voor het publiek toegankelijke zones in bij besluit aangewezen havens, luchthavens en trein- en busstations die voor internationaal vervoer openstaan, de identiteit van eenieder eveneens kan worden gecontroleerd op de in het eerste lid bepaalde wijze teneinde de naleving van de verplichtingen ter zake van het houden, het dragen en het tonen van de bij wet bepaalde titels en documenten te verifiëren. Wanneer deze controle plaatsvindt in een trein die een internationale verbinding verzorgt, kan deze worden verricht op het gedeelte van het traject tussen de grens en de eerste halte die zich op meer dan 20 kilometer van de grens bevindt. Op spoorlijnen die een internationale verbinding verzorgen en bijzondere kenmerken vertonen op het punt van de haltes die zij aandoen, kan de controle evenwel ook worden verricht tussen deze halte en een halte die zich binnen de volgende 50 kilometer bevindt. Deze lijnen en haltes worden bij ministerieel besluit aangewezen. Wanneer een snelwegtracé begint in het gebied genoemd in de eerste volzin van dit lid en het eerste tolstation zich buiten de 20-kilometerlijn bevindt, kan de controle bovendien plaatsvinden tot aan dit eerste tolstation alsook bij dit tolstation en de aangrenzende parkeerplaatsen. De door deze bepaling betroffen tolstations worden bij besluit aangewezen».

23. Bij beschikking van de president van het Hof van 20 april 2010 zijn de zaken C-188/10 en C-189/10 gevoegd door de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

24. De Franse regering betoogt dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk zijn.

25. Met betrekking tot de eerste vraag is de Franse regering van mening dat het een zuiver hypothetische vraag is. Die vraag berust namelijk op de premisse dat de Conseil constitutionnel tijdens het onderzoek van de overeenstemming van een wet met de Grondwet aanleiding kan zien om de overeenstemming van die wet met het Unierecht te onderzoeken. Volgens de rechtspraak van de Conseil constitutionnel staat het in het raam van de toetsing van de grondwettigheid van de wetten evenwel niet aan hem, maar aan de bestuursrechters en de gewone rechters, na te gaan of een wet verenigbaar is met het Unierecht. Daaruit volgt dat de Conseil d‘État en de Cour de cassation volgens het nationale recht niet verplicht zijn vragen over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het Unierecht te verwijzen naar de Conseil constitutionnel, aangezien dergelijke vragen geen verband houden met de grondwettigheidstoetsing.

26. Met betrekking tot de tweede vraag betoogt de Franse regering dat het niet zinvol is die te beantwoorden. Sinds 9 april 2010 zijn op Melki en Abdeli namelijk geen vrijheidsbenemende maatregelen meer van toepassing, en vanaf die datum sorteren de twee beschikkingen van de juge des libertés et de la détention niet langer effect. De vraag naar de verenigbaarheid van art. 78-2, vierde lid, van de Code de procédure pénale met art. 67 VWEU is eveneens irrelevant in het raam van het enige nog bij de Cour de cassation aanhangige geding, aangezien de Conseil constitutionnel, zoals deze in beslissing nr. 2010-605 DC van 12 mei 2010 in herinnering heeft gebracht, zich onbevoegd acht om de verenigbaarheid van een wet met het Unierecht te onderzoeken wanneer hij is aangezocht om de grondwettigheid van die wet te toetsen.

27. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 22 december 2008, Regie Networks, C-333/07, Jur. I-10807, punt 46; 8 september 2009, Budejovicky Budvar, C-478/07, nog niet gepubliceerd in Jur., punt 63, en 20 mei 2010, Zanotti, C-56/09, nog niet gepubliceerd in Jur., punt 15).

28. In het onderhavige geval zien de gestelde vragen op de uitlegging van art. 67 en 267 VWEU. Uit de overwegingen van de verwijzingsbeslissingen blijkt niet dat de beschikkingen die de juge des libertés et de la détention ten aanzien van Melki en Abdeli heeft gegeven, niet langer effect sorteren. Verder blijkt niet duidelijk dat de uitlegging door de Cour de cassation van het mechanisme van de prioritaire grondwettigheidsvraag in het licht van de bewoordingen van de nationale bepalingen zeker is uitgesloten.

29. Het vermoeden van relevantie dat op het verzoek om een prejudiciële beslissing in elk van de zaken rust, wordt door de bezwaren van de Franse regering dus niet weerlegd.

30. Het verzoek om een prejudiciële beslissing in deze zaken moet bijgevolg ontvankelijk worden verklaard.

Eerste vraag

31. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of art. 267 VWEU zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van de nationale wetten wordt ingesteld, in het raam waarvan de rechters van die lidstaat verplicht zijn bij voorrang uitspraak te doen over de toezending, aan de nationale rechter die met de toetsing van de grondwettigheid van de wetten is belast, van een vraag over de overeenstemming van een bepaling van nationaal recht met de Grondwet wanneer tegelijk de strijdigheid daarvan met het Unierecht in het geding is.

...

Antwoord van het Hof

40. Art. 267 VWEU verleent het Hof bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zowel de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie als de geldigheid van die handelingen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een nationale rechterlijke instantie dergelijke vragen aan het Hof kan voorleggen, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis. Volgens het derde lid ervan is zij ertoe gehouden zich tot het Hof te wenden, indien haar beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep.

41. Hieruit volgt in de eerste plaats dat hoewel het in bepaalde omstandigheden nuttig kan zijn dat de problemen van zuiver nationaal recht zijn opgelost op het moment van verwijzing naar het Hof (zie arrest van 10 maart 1981, Irish Creamery Milk Suppliers Association e.a., 36/80 en 71/80, Jur. 735, punt 6), de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid bezitten zich tot het Hof te wenden, indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen opwerpt die een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van bepalingen van het Unierecht verlangen en ter zake waarvan zij een beslissing moeten nemen (zie met name arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf, 166/73, Jur. 33, punt 3; 27 juni 1991, Mecanarte, C-348/ 89, Jur. I-3277, punt 44, en 16 december 2008, Cartesio, C-210/06, Jur. I-9641, punt 88).

42. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het enkele bestaan van een nationale rechtsregel die de rechterlijke instanties die niet in laatste instantie uitspraak doen, bindt aan het rechtsoordeel van een hogere rechter, hun niet de in art. 267 VWEU bepaalde mogelijkheid kan ontnemen om zich met vragen van uitlegging van het Unierecht tot het Hof te wenden (zie in die zin reeds vermelde arresten Rheinmühlen-Düsseldorf, punten 4 en 5, en Cartesio, punt 94). De rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet, moet vrij zijn zich met zijn vragen tot het Hof te wenden, met name indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het Unierecht strijdig vonnis zou kunnen brengen (arrest van 9 maart 2010, ERG e.a., C-378/08, nog niet gepubliceerd in de Jur., punt 32).

43. In de tweede plaats heeft het Hof reeds geoordeeld dat de nationale rechter, die in het raam van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing moet laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten (zie met name reeds voormeld arrest-Simmenthal, punten 21 en 24; arresten van 20 maart 2003, Kutz-Bauer, C-187/00, Jur. I-2741, punt 73; 3 mei 2005, Berlusconi e.a., C-387/02, C-391/02 en C-403/02, Jur. I-3565, punt 72, en 19 november 2009, Filipiak, C- 314/08, nog niet gepubliceerd in Jur., punt 81).

44. Met de vereisten die in de eigen aard van het Unierecht besloten liggen, is immers onverenigbaar elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden dat aan de werking van het Unierecht wordt afgedaan, doordat aan de rechter die dit Unierecht heeft toe te passen, de bevoegdheid wordt ontzegd daarbij terstond al het nodige te doen om toepassing te onthouden aan de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van de Unieregels zouden kunnen verhinderen (zie reeds voormeld arrest-Simmenthal, punt 22, en arrest van 19 juni 1990, Factortame e.a., C-213/89, Jur. I-2433, punt 20). Dat zou het geval zijn, indien bij tegenstrijdigheid van een bepaling van het Unierecht met een nationale wet, de beslechting van dit conflict zou zijn voorbehouden niet aan de tot toepassing van het Unierecht geroepen rechter, maar aan een met eigen beoordelingsbevoegdheid bekleed ander gezag, ook al zou de hieruit voortvloeiende belemmering voor de volledige werking van dit recht slechts van tijdelijke aard zijn (zie in die zin reeds voormeld arrest-Simmenthal, punt 23).

45. In de laatste plaats heeft het Hof geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is en die vaststelt dat een nationale bepaling niet alleen strijdt met het Unierecht maar ook ongrondwettig is, niet de bevoegdheid verliest of van de in art. 267 VWEU bedoelde verplichting is ontslagen, zich tot het Hof van Justitie te wenden met vragen betreffende de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht op grond dat de vaststelling van de ongrondwettigheid van een regel van nationaal recht hem verplicht de zaak aan het constitutionele hof voor te leggen. De doelmatigheid van het Unierecht zou namelijk gevaar lopen, indien de nationale rechter die kennisneemt van een door het Unierecht beheerst geschil, als gevolg van de verplichting om de zaak aan het constitutionele hof voor te leggen, zou kunnen worden belet de hem door art. 267 VWEU toegekende bevoegdheid uit te oefenen om aan het Hof van Justitie vragen over de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht te stellen, teneinde te kunnen beoordelen of een nationale bepaling al dan niet verenigbaar is met het Unierecht (zie arrest-Mecanarte, reeds vermeld, punten 39, 45 en 46).

46. Met betrekking tot de uit de voormelde rechtspraak af te leiden gevolgen voor nationale bepalingen als bedoeld in de eerste vraag, zij erop gewezen dat de verwijzende rechter uitgaat van de premisse dat volgens die bepalingen de Conseil constitutionnel bij het onderzoek van een grondwettigheidsvraag die is gebaseerd op de onverenigbaarheid van de betrokken wet met het Unierecht, ook de overeenstemming van die wet met het Unierecht beoordeelt. In dat geval zou de feitenrechter die de grondwettigheidsvraag toezendt, vóór die toezending noch uitspraak kunnen doen over de verenigbaarheid van de betrokken wet met het Unierecht, noch het Hof van Justitie een prejudiciële vraag over die wet kunnen stellen. Voorts zou die feitenrechter, ingeval de Conseil constitutionnel de betrokken wet in overeenstemming met het Unierecht acht, ook na de beslissing van de Conseil constitutionnel, die alle rechterlijke instanties bindt, geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie kunnen richten. Hetzelfde zou gelden wanneer het middel inzake ongrondwettigheid van een wettelijke bepaling wordt aangevoerd in een geding voor de Conseil d‘État of de Cour de cassation.

47. Volgens deze uitlegging zou de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling ertoe leiden dat de nationale bestuursrechters en de gewone rechters noch vóór de toezending van een grondwettigheidsvraag noch, in voorkomend geval, na de beslissing van de Conseil constitutionnel over die vraag hun bevoegdheid kunnen uitoefenen of hun plicht kunnen nakomen, als bepaald in art. 267 VWEU, om zich met prejudiciële vragen tot het Hof te wenden. Vastgesteld moet worden dat uit de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen die in de punten 41 tot en met 45 van onderhavig arrest zijn weergegeven, volgt dat art. 267 VWEU zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als beschreven in de verwijzingsbeslissingen.

48. Zoals blijkt uit de punten 33 tot en met 36 van dit arrest, geven de Franse en de Belgische regering evenwel een andere uitlegging aan de Franse wettelijke regeling die in de eerste vraag aan de orde is; daarbij baseren zij zich met name op de beslissingen van de Conseil constitutionnel nr. 2010-605 DC van 12 mei 2010 en de Conseil d‘État nr. 312305 van 14 mei 2010, die zijn gegeven na de toezending van de verwijzingsbeslissingen van de Cour de cassation aan het Hof van Justitie.

49. In dit verband zij eraan herinnerd dat het aan de verwijzende rechter is, in de bij hem aanhangige zaken uit te maken welke de juiste uitlegging van het nationale recht is.

50. Volgens vaste rechtspraak staat het aan de nationale rechter om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het recht van de Unie uit te leggen (arresten van 26 september 2000, Engelbrecht, C-262/ 97, Jur. I-7321, punt 39; 27 oktober 2009, CÏEZ, C-115/ 08, nog niet gepubliceerd in Jur., punt 138, en 13 april 2010, Wall, C-91/08, nog niet gepubliceerd in Jur., punt 70). Gelet op de voornoemde beslissingen van de Conseil constitutionnel en de Conseil d‘État, kan een dergelijke uitlegging van de nationale bepalingen waarbij het in het hoofdgeding aan de orde zijnde mechanisme van grondwettigheidstoetsing is ingevoerd, niet worden uitgesloten.

51. Het onderzoek van de vraag of het mechanisme van de prioritaire grondwettigheidsvraag in overeenstemming met de eisen van het Unierecht kan worden uitgelegd, kan niet afdoen aan de wezenlijke kenmerken van het bij art. 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties zoals die voortvloeien uit de in de punten 41 tot en met 45 van onderhavig arrest weergegeven rechtspraak.

52. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof kan dat stelsel van samenwerking de voorrang van het Unierecht immers alleen verzekeren, indien de nationale rechter vrij is om op elk ogenblik van de procedure dat hij passend acht – ook na een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – alle naar zijn oordeel noodzakelijke prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen.

53. Voor zover het nationale recht voorziet in de verplichting tot inleiding van een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing die de nationale rechter belet een nationale wettelijke bepaling die hij in strijd acht met het Unierecht, onmiddellijk buiten toepassing te laten, is voor de werking van het bij art. 267 VWEU ingevoerde stelsel niettemin vereist dat die rechter de vrijheid heeft om enerzijds alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de voorlopige rechterlijke bescherming van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten te verzekeren, en anderzijds die nationale wettelijke bepaling na een dergelijke incidentele procedure terzijde te laten, wanneer die volgens hem strijdt met het recht van de Unie.

54. Voorts moet worden benadrukt dat de voorrang van een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van een nationale wet die zich inhoudelijk ertoe beperkt de dwingende bepalingen van een richtlijn van de Unie om te zetten, geen afbreuk kan doen aan de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie om de ongeldigheid van een handeling van de Unie vast te stellen, met name van een richtlijn, aangezien die bevoegdheid ertoe strekt de rechtszekerheid te waarborgen door het verzekeren van de uniforme toepassing van het Unierecht (zie in die zin arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, Jur. 4199, punten 15-20; 10 januari 2006, IATA en ELFAA, C-344/04, Jur. I-403, punt 27, en 18 juli 2007, Lucchini, C-119/05, Jur. I-6199, punt 53).

55. Voor zover de voorrang van een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing leidt tot de intrekking, wegens strijdigheid met de nationale grondwet, van een nationale wet die gewoon de dwingende bepalingen van een richtlijn van de Unie omzet, kan het Hof namelijk in de praktijk de mogelijkheid worden ontnomen om op verzoek van de feitenrechters van de betrokken lidstaat de geldigheid van die richtlijn te toetsen aan dezelfde gronden die verband houden met de eisen van het primaire recht, in het bijzonder van de bij het handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten, waaraan art. 6 VEU dezelfde rechtswaarde toekent als die welke de Verdragen toekomt.

56. Alvorens in een incidentele procedure de grondwettigheid van een wet die louter slaat op de omzetting van de dwingende bepalingen van een richtlijn van de Unie, kan worden getoetst aan dezelfde gronden als die waarop de geldigheid van de richtlijn ter discussie staat, moeten de nationale rechters van wie de beslissingen volgens het nationale recht niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep, in beginsel conform art. 267, derde lid, VWEU, het Hof van Justitie een vraag stellen over de geldigheid van die richtlijn en daarna de gevolgen trekken die uit het prejudiciële arrest van het Hof voortvloeien, tenzij de rechter die de incidentele grondwettigheidstoetsing heeft ingeleid, deze vraag op grond van het tweede lid van dat artikel zelf aan het Hof van Justitie heeft voorgelegd. In dat geval van een nationale omzettingswet met een dergelijke inhoud is de vraag naar de geldigheid van de richtlijn, gelet op de verplichting om deze om te zetten, immers een prealabele vraag. Voorts kan het feit dat de nationale rechters aan een strikte termijn inzake de duur van het onderzoek zijn gebonden, niet aan de indiening van een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de betrokken richtlijn in de weg staan.

57. Bijgevolg moet op de eerste plaats worden geantwoord dat art. 267 VWEU zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van de nationale wetten invoert, voor zover de voorrang van deze procedure ertoe leidt dat noch vóór de toezending van een grondwettigheidsvraag aan de nationale rechter die met de toetsing van de grondwettigheid van de wetten is belast noch, in voorkomend geval, na de beslissing van deze rechter over die vraag, geen van de andere nationale rechters zijn bevoegdheid kan uitoefenen om zich met prejudiciële vragen tot het Hof te wenden dan wel zijn verplichting daartoe kan nakomen. Daarentegen verzet art. 267 VWEU zich niet tegen een dergelijke nationale wettelijke regeling, voor zover de andere nationale rechters vrij blijven,

– op elk ogenblik van de procedure dat zij passend oordelen – ook na de incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – het Hof alle prejudiciële vragen voor te leggen die zij noodzakelijk achten,

– alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om de voorlopige rechterlijke bescherming van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten te verzekeren, en

– na een dergelijke incidentele procedure de betrokken nationale wettelijke bepaling buiten toepassing te laten indien zij die in strijd met het recht van de Unie achten.

Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling in overeenstemming met deze eisen van het Unierecht kan worden uitgelegd.

...

 

Noot: 

J. Velaers, «Het arrest-Meli- Abdeli van het Hof van Justitie van de Europese Unie: een voorwaardelijk «fiat» voor de voorrang van de toetsing aan de Grondwet op de toetsing aan het internationaal en het Europees recht, RW 20101-2011, 770

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/01/2011 - 17:03
Laatst aangepast op: za, 23/12/2017 - 17:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.