-A +A

Verhoor verdachte en advocaat die zonder uitleg het kabinet van de onderzoeksrechter verlaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 01/12/2015
A.R.: 
P.15.1508.N

Uit de bepalingen van artikel 16, § 2 en § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat indien het verhoor bedoeld in dit artikel 16, § 2 wordt afgenomen zonder bijstand van een advocaat, en zonder dat de inverdenkinggestelde daarvan afstand heeft gedaan, de inverdenkinggestelde, in beginsel, in vrijheid moet worden gesteld; van de verplichte bijstand van een advocaat kan enkel worden afgeweken wegens dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit ingevolge overmacht, dit is een onvoorzienbare omstandigheid, onmogelijk is (1). (1) Zie Cass. 29 mei 2012, P.12.0878.N, RW 2012-13, 779-782, noot B. DE SMET; Cass. 18 juni 2013, P.13.1022.N, RW 2013-14, blz. 861-865, noot B. DE SMET.

De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken.

Te dezen had het Hof van beroep te Antwerpen geoordeeld dat de omstandigheid dat d advocaat het kabinet van de onderzoeksrechter zonder enige uitleg pardoes had verlaten, overmacht uitmaakte. Cassatie kon niet baten, daar Cassatie oordeelde dat de beoordelingsbevoegdheid over het bestaan van overmacht de grondrechter, in casu het Hof toekwam.

Zonder ook maar te durven beweren dat de advocaat in kwestie met opzet het kantoor van de onderzoeksrechter verliet om de procedure te blokkeren, kunnen we uit dit arrest toch afleiden dat het plots verlaten van het kabinet van de onderzoeksrechter op zich en tot nu niet als Salduz truc kan gebruikt worden. Het is niet gekend of de onderzoeksrechter te dezen de stafhouder heeft gevat.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
23
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1508.N
E D C,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiseres,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 november 2015, gewezen op ver-

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de motiveringsverplichting: geen enkel in het arrest vermeld argument laat toe te besluiten dat artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet werd gerespecteerd;

deze bepaling vereist niet dat het proces-verbaal van verhoor melding moet maken van de redenen op grond waarvan de advocaat zich terugtrekt noch dat een niet-gemotiveerde terugtrekking het gebrek aan bijstand van een advocaat zou zuiveren; het arrest oordeelt dat de artikelen 5 en 6 EVRM niet verplichten tot een onmiddellijke opheffing van het aanhoudingsbevel, maar de eiseres heeft geen schending van die bepalingen aangevoerd;

deze redenen zijn niet pertinent; niet het plotse vertrek van de advocaat, maar het gebrek aan reme-diëring van dit vertrek noopt tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de eiseres; de appelrechters kunnen geen overmacht afleiden uit de omstandigheid dat de termijn van vierentwintig uren aan het lopen was en dat er een veelheid aan verdachten was;

uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de onderzoeksrechter nog over een termijn van 16 uren en 47 minuten beschikte om de eiseres te verhoren, haar aan te houden, haar aanhouding te betekenen en het wettelijk recht op bijstand van een advocaat te garanderen door een nieuwe raadsman op te roepen; ook de reden dat de eiseres één van de vele verdachten was, die moesten worden verhoord, kan geen overmacht uitmaken; zij was immers de laatste die werd ver-hoord en aangehouden; het arrest oordeelt overigens ten onrechte dat er vijftien verdachten waren;

er werden maar negen verdachten van hun vrijheid beroofd; al-dus beschikte de onderzoeksrechter over ruim voldoende tijd om de wettelijke Salduz-waarborgen aan de eiseres te garanderen; overmacht is overigens de uit-zondering, moet restrictief worden geïnterpreteerd en mag nooit in het nadeel van de verdachte worden uitgelegd;

overmacht is een onvoorzienbare omstandigheid die zich voordoet buiten de wil en het handelen van de onderzoeksrechter; de te-rugtrekking van de raadsman van de eiseres was niet onvoorzienbaar;

aldus dient de eiseres in vrijheid te worden gesteld; het oordeel van het arrest dat de wet niet bepaalt dat de onderzoeksrechter de ondervraging moet onderbreken wanneer de advocaat vertrekt en geen andere advocaat moet zoeken, is strijdig met artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet; de eiseres heeft recht op bijstand van een advocaat gedurende het volledige verhoor; het oordeel van de appelrechters dat het verhoor bij de vertrek van de raadsman niet moet worden onderbroken is bijgevolg een niet-pertinente motivering;

wanneer er zich tijdens het verhoor incidenten voordoen die het recht van verdediging dermate aantasten dat de regelmatigheid van het verhoor in het gedrang dreigt komen, moet de onderzoeksrechter ageren en desgevallend het verhoor onderbreken, ook al is hij daartoe wettelijk niet verplicht; de omstandigheid dat de eiseres geen voorbehoud heeft gemaakt, geen opmerkingen heeft geformuleerd en niet om een uitstel heeft verzocht is niet relevant; van enige vrijwillige afstand kan geen sprake zijn en evenmin van dwingende redenen van algemeen belang, daar de wet vereist dat dergelijke omstan-digheden in het proces-verbaal van verhoor moeten worden vermeld, hetgeen niet is gebeurd; artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet kan niet per analogie worden toegepast op deze situatie; dit artikel bepaalt enkel dat het verhoor regelmatig kan aanvangen in afwezigheid van een advocaat, maar niet dat het ver-hoor ook regelmatig kan worden afgerond zonder bijstand van een advocaat.

2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

3. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek.

In zoverre het middel een miskenning van de motiveringsplicht aanvoert, faalt het naar recht.

4. Artikel 16, § 2 en § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt onder meer:

"§ 2. Tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, moet de onderzoeks-rechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen ho-ren.

Bij ontstentenis van deze ondervraging, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

De verdachte heeft recht op bijstand van zijn advocaat tijdens de ondervraging. Alleen de meerderjarige verdachte kan hiervan vrijwillig en weloverwogen afstand doen.

De onderzoeksrechter maakt melding van deze afstand in het proces-verbaal van het verhoor.

De advocaat mag opmerkingen formuleren overeenkomstig artikel 2bis, § 2, vierde lid.

De onderzoeksrechter verwittigt de advocaat tijdig van de plaats en het uur van de ondervraging die hij kan bijwonen. De ondervraging kan op het voorziene uur aanvangen, zelfs indien de advocaat nog niet aanwezig is. Als de advocaat ter plaatse komt, woont hij het verhoor bij.

De onderzoeksrechter moet de verdachte eveneens meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij moet zijn opmerkingen en, in voorkomend geval, die van zijn advocaat ter zake horen. Bij ontstentenis van de naleving van deze voorwaarden, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

Al deze gegevens worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor. (...)

§ 4. Indien de verdachte nog geen advocaat heeft, herinnert de onderzoeksrechter hem eraan dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen en verwittigt hij de staf-houder van de Orde of diens gemachtigde. Van die formaliteiten wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor."

5. Uit die bepalingen volgt dat indien het verhoor bedoeld in artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet wordt afgenomen zonder bijstand van een advocaat, en zonder dat de inverdenkinggestelde daarvan afstand heeft gedaan, de inverden-kinggestelde, in beginsel, in vrijheid moet worden gesteld. Van de verplichte bijstand van een advocaat kan enkel worden afgeweken wegens dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit ingevolge overmacht, dit is een onvoorzienbare omstandigheid, onmogelijk is.

6. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of de aangevoerde omstandig-heden een geval van overmacht uitmaken.
In zoverre het middel opkomt tegen deze feitelijke beoordeling, is het niet ont-vankelijk.

7. Het Hof kan wel nagaan of de rechter uit de omstandigheden die hij in aan-merking neemt, overmacht heeft kunnen afleiden.

8. Het arrest oordeelt dat:

- tijdens de ondervraging door de onderzoeksrechter de advocaat van de eiseres het kabinet van de onderzoeksrechter heeft verlaten;

- uit het debat ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling, meer specifiek de eigen verklaring van de eiseres, blijkt dat de advocaat plots is ver-trokken zonder haar verdere uitleg te hebben verstrekt en dat zij niet wist waarom haar advocaat het kabinet verliet;

- het proces-verbaal van de ondervraging van 29 september 2015 enkel vermeldt: "om 16.24 u trekt meester De Kerpel zich terug. Er is geen bijstand meer tijdens het verhoor", en dat hieruit niet kan worden afgeleid om welke reden meester De Kerpel het verhoor tijdens de ondervraging heeft verlaten;

- in het proces-verbaal van ondervraging geen enkele reden wordt gegeven over het onverwachte vertrek en de uitleg door de eiseres gegeven in haar schrifte-lijke conclusie niet beantwoordt aan de gegevens van voornoemd proces-verbaal of de andere stukken van het strafdossier;

- de eiseres geen enkel voorbehoud formuleerde bij de verderzetting van de on-dervraging zonder advocaat en zij ook niet om een uitstel verzocht;

- de eiseres één van de vele verdachten was, van wie ongeveer vijftien in dit dos-sier van hun vrijheid waren beroofd, door de onderzoeksrechter moesten wor-den ondervraagd en eventueel aangehouden binnen de korte termijn van 24 uur;

- de onderzoeksrechter die tijdens de ondervraging van de eiseres werd gecon-fronteerd met het plotse vertrek van de advocaat die overeenkomstig artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet werd opgeroepen om bijstand te ver-lenen tijdens de ondervraging, dit niet diende te voorzien en hij derhalve voor een onvoorziene omstandigheid stond die overmacht uitmaakt.

Op grond van die redenen kon het arrest oordelen dat het ingevolge overmacht onmogelijk was tijdens de ondervraging van de verdachte door de onderzoeks-rechter voorafgaand aan zijn aanhouding de bijstand van een advocaat te verzeke-ren en verantwoorden de appelrechters bijgevolg naar recht hun beslissing dat deze ondervraging regelmatig is verlopen.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de motiveringsverplichting: het arrest schendt deze bepaling doordat het verhoor werd afgerond zonder bijstand van een advocaat; op het meest cruciale moment van de ondervraging, namelijk op het moment waarop opmerkingen kunnen worden geformuleerd door de advocaat over de mogelijkheid van het uitvaardigen van een aanhoudingsbevel, geniet de eiseres geen bijstand meer van een advocaat; het vernietigde arrest van 23 oktober 2015 oordeelt ten onrechte dat de advocaat alleen maar moet worden gehoord wanneer hij aanwezig is, hetgeen hier niet geval was omdat ingevolge zijn autonome beslissing de advocaat het verhoor vroegtijdig had verlaten.

11. In zoverre het middel gericht is tegen het arrest van 23 oktober 2015, is het niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

12. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs in het eerste middel aangevoerde onwettigheden en evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 71,01 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openba-re rechtszitting van 1 december 2015 uitgesproken

Noot: 

SaB. Bijstand van een advocaat bij eerste verhoor, NJW 236, 103

Toepassingen in overige rechtspraak van de Salduzleer

• Assisen Luik 30 maart 2009, JLMB 2009, afl. 19, 898

Uit de bewoordingen van het arrest van het EHRM (Grote kamer) nr. 36391/02, 27 november 2008 (Salduz / Turkije) blijkt dat het EHRM helemaal niet de bedoeling had om de aanwezigheid van een advocaat op absolute wijze te garanderen in alle fasen van de strafprocedure.

Het arrest wijst alleen op de manier waarop iemand het recht kan worden ontzegd op bijstand van een advocaat in het begin van de procedure en de mate waarin rekening kan worden gehouden met verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als grondslag voor een veroordeling. Het arrest verzet zich tegen iedere vorm van dwang om bekentenissen te verkrijgen, dwang die wellicht niet uitgeoefend zou worden in aanwezigheid van een advocaat. In het onderhavige geval beweert de beschuldigde helemaal niet dat hij bij zijn ondervragingen door de politie onder dwang of druk werd gezet.

Er dient, rekening houdend met de beoordelingsmarge waarover de wetgever beschikt, een billijk evenwicht te worden gezocht tussen de dwingende eisen van een efficiënte opsporing van daders en het recht op bijstand van een advocaat. In spoedeisende gevallen is het gerechtvaardigd dat de uitoefening van een dergelijk recht gedurende maximum vierentwintig uur wordt uitgesteld. Het Belgisch rechtsstelsel biedt voldoende garanties om de afwezigheid van een advocaat bij verhoren door de politiediensten te compenseren.

Opdat een les uit de rechtspraak zou kunnen dienen als eenvormige grondslag voor de interpretatie van een conventionele norm in alle Lidstaten, moet er eerst een zekere constantheid aan worden toegekend, dat ze betrekking heeft op een punt dat op een voldoende duidelijke en algemene manier is beslecht. Die les moet worden toegepast met inachtneming van de beoordelingsmarge waarover de nationale wetgever beschikt.

• Corr. Gent (18e k.) 23 september 2010 TGR-TWVR 2011, afl. 1, 57

De niet-bijstand aan de verdachte door een advocaat bij een initieel verhoor door de politie geeft niet ipso facto aanleiding tot een oneerlijk proces voor de bodemrechter. De “Salduz-regel” (Hof Mensenrechten (Grote Kamer) nr. 36391/02, 27 november 2008 (Salduz / Turkije)) mag niet in abstracto worden toegepast.

Een eventuele schending van het recht van verdediging bij verhoren dient te worden afgewogen tegenover de vereiste van een eerlijk verloop van de procedure. (Art. 6.3.c EVRM en 47bis Sv.).

• Cassatie 23/11/2010 AR P.10.1428.N, Juridat, RABG 2011/08, 592

Samenvatting:

Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 E.V.R.M., zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken; zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 E.V.R.M. beperken

Tekst arrest:

Nr. P.10.1428.N
I.
G. P.,
beklaagde,
eiser.
II.
G. A. P. V. L.,
beklaagde,
eiser,
beide cassatieberoepen tegen
IVEKA, intercommunale vereniging voor de energiedistributie in de Kempen en het Antwerpse, met maatschappelijke zetel te 2300 Turnhout, Koningin Elisabethlei 38,
burgerlijke partij,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juni 2010.
De eiser I voert in een memorie twee middelen aan.
De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I

1. De memorie van de eiser I is ondertekend door "Guy San Bartholome" zonder vermelding van diens hoedanigheid.
Deze memorie is niet ontvankelijk.
Eerste middel van de eiser II
Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet, artikel 2bis Drugswet en de artikelen 26bis en 28 KB 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies (verder: KB 31 december 1930): het arrest beslist ten onrechte dat de teelt van cannabisplanten ook strafbaar is wanneer deze teelt niet gebeurt voor eigen gebruik; de teelt van planten waaruit de door de Drugswet geviseerde stoffen kunnen worden getrokken, is slechts strafbaar voor zover het gaat om cannabis en mits het gaat om teelt bestemd voor persoonlijk gebruik.

3. De artikelen 26bis, 2°, en 28 KB 31 december 1930, die een minder zware straf stellen op de invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen die betrekking hebben op cannabis alsmede op de teelt van cannabisplanten voor persoonlijk gebruik, doen geen afbreuk aan de strafbaarheid van andere dan voor persoonlijk gebruik gepleegde misdrijven met betrekking tot cannabis.
Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet, artikel 2bis Drugswet en de artikelen 26bis en 28 KB 31 december 1930: het arrest beslist ten onrechte dat de eiser schuldig is aan de teelt van cannabisplanten voor andermans gebruik; die wet noch het KB 31 december 1930 geven een criterium aan dat toelaat het onderscheid te maken tussen teelt voor eigen en anders dan voor eigen gebruik, wat nochtans noodzakelijk is om de strafmaat binnen het kader van artikel 28 KB 31 december 1930 rechtsgeldig te kunnen verantwoorden.
Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
"In hoeverre zijn de artikelen 1 en 2bis Drugswet, geïnterpreteerd in die zin dat zij een delegatie van de wetgever aan de uitvoerende macht verlenen om te bepalen vanaf wanneer een teelt van cannabisplanten als anders dan voor het persoonlijk gebruik moet worden beschouwd, zonder dat daarbij de verplichting wordt opgelegd om daarbij een welomschreven hoeveelheid te definiëren, verenigbaar is met artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en met de artikelen 12 en 14 Grondwet."

5. Het telen van planten voor verdovende middelen is strafbaar door het enkele feit dat de teelt plaatsvindt, onverschillig welke de hoeveelheid van die teelt is en of die teelt gebeurt voor eigen dan wel voor andermans gebruik. De vraag naar de hoeveelheid van de verdovende middelen is slechts relevant wanneer deze plaatsvindt voor persoonlijk gebruik daar die omstandigheid kan leiden tot een lichtere straf. Daarentegen, wanneer de teelt bestemd is voor andermans gebruik is de hoeveelheid van die teelt voor de bestraffing irrelevant.
Het onderdeel faalt naar recht.

6. De prejudiciële vraag gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof ze niet stelt.

Tweede middel van de eiser II

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.3.a en 7 EVRM, de artikelen 14.3.a en 15 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beslist dat het bezit van de bij de eiser in beslag genomen planten strafbaar is; de stof, waarvan de verbouwing, of alleszins het bezit tegen hem wordt vervolgd, is niet eens op een verstaanbare manier door de wetgever gedefinieerd; het arrest beantwoordt eisers desbetreffende verweer niet.

8. Anders dan de eiser aanvoert is het begrip cannabis algemeen verspreid en verstaanbaar.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Voor het overige beantwoordt het arrest met de redenen die het bevat het bedoelde verweer.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
Derde middel van de eiser II

10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten op grond van de verklaring die de eiser op 23 mei 2007 buiten aanwezigheid van zijn raadsman heeft afgelegd; daardoor is eisers recht van verdediging en recht op eerlijk proces onherstelbaar aangetast.

11. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

12. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling.

13. Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard.

14. Het feit dat de Belgische wetgeving niet voorziet in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politiediensten, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die diezelfde wetgeving de beklaagde biedt ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces.

15. De vormvereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de beklaagde zijn opgelegd, de korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, de onmiddellijke overhandiging aan de verdachte, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, § 7, en 18, § 2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de verdachte onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, § 1 en 5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, § 3, van die wet is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de beklaagde met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter, kunnen in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor. Zij laten de beklaagde immers toe zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

16. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het gebrek aan bijstand van een advocaat tijdens een politieverhoor het recht van verdediging en recht op een eerlijk proces steeds onherstelbaar aantast, faalt het naar recht.

17. Het staat de rechter ook aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte en latere beklaagde of beschuldigde onherstelbaar heeft aangetast.

18. Het arrest stelt vast dat:
- "de eiser reeds naar aanleiding van zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter op 27 april 2007 keuze van een raadsman heeft gedaan;
- deze advocaat hem in het verdere verloop van de procedure heeft bijgestaan, bij voorbeeld bij de verschijningen voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de voorlopige hechtenis;
- op 23 mei 2007, de (eiser II) reeds bijstand van een advocaat had en dat hij en zijn advocaat de gelegenheid hadden inzage te nemen van het dossier."
Op grond van die vaststellingen oordeelt het arrest verder: "Het feit dat tijdens het verhoor zelf door de politiediensten de beklaagde niet werd bijgestaan door een advocaat, kan dan ook geenszins een [miskenning] van het recht van verdediging uitmaken."
Die beslissing is naar recht verantwoord.

19. Verder dient te worden nagegaan of de verklaringen die de eiser heeft afgelegd zonder de bijstand van een advocaat, een zodanige impact hebben gehad op het verloop van het strafproces dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen.
Het arrest oordeelt met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat de eiser schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten op grond van de uitgevoerde observaties tijdens het onderzoek, de resultaten van de huiszoeking en de uitgevoerde expertise.
Enerzijds werd geen enkele van die elementen aan de tegenspraak van de partijen onttrokken, anderzijds is de betwiste verklaring naar aanleiding van de expertise op de wagen van de eiser niet doorslaggevend geweest voor de vorming van de overtuiging van de appelrechters en de daarop volgende veroordeling.

20. Hieruit volgt dat het arrest eisers recht van verdediging en recht op eerlijk proces niet miskent.
Het middel kan in zoverre niet aangenomen worden.
Ambtshalve onderzoek

21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Bepaalt de kosten in het geheel op 134,01 euro waarvan de eiser I 67,00 euro verschuldigd is en de eiser II 67,01 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/09/2017 - 13:18
Laatst aangepast op: vr, 01/09/2017 - 13:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.