-A +A

Verhoor van zwaargewonde nietig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Plaats van uitspraak: Oudenaarde
Datum van de uitspraak: 
vri, 20/05/2016

Een ondertekende of proces-verbaal van verhoor verklaring van een zwaargewonde waarbij hij wettelijk dient te verklaren kennis te hebben van zijn rechten heeft geen waarde en tast aldus de bewijswaarde van de alcoholtest aan.

Een verdachte kan slechts verhoord worden en verklaringen afleggen wanneer hij fysiek en psychisch in staat is verklaringen af te te leggen en kennis te krijgen van zijn rechten.

Het kennis hebben van de [coor te lezen] rechten hebben betrekking op de rechten van verdediging. De rechten van verdediging worden geschonden met betrekking tot de vaststellingen of verhoren zonder daadwerkelijke volledige kennisname van deze rechten, waarbij verondersteld mag worden dat kort na een ongeval of trauma een zwaargewonde geen voldoende kennisname of kennisgave kan hebben en doen blijken.

Het gebruik van een dergelijk bewijs zou strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces, zodat de nietigheid moet weerhouden worden (art. 32 V.T.Sv.). Derhalve dient de nietigheid van vaststellingen in strijd met deze regel weerhouden te worden en moet beklaagde vrijgesproken worden van het hem ten laste gelegde feit.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN, afdeling OUDENAARDE, O DERDE kamer, zetelend in strafzaken, van 20.5.16

In zake van het Openbaar Ministerie tegen:

W.P., van Oostenrijkse nationaliteit,

Beklaagd als hebbende te Oudenaarde op 1 oktober 2015

A. op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te hebben bestuurd, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is (art. 34§2.1° en 38§1.1° Wegverkeerswet)

Met de omstandigheid dat de overtreding begaan werd binnen drie jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling met toepassing van artikel 34 par.2, 35 of 37bis.par.1 vonnis van de de politierechtbank te Kortrijk dd. 13-05-2013 art. 36 al.1 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, KB 16.03.1968) met de omstandigheid dat de overtreding begaan werd in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, §1, eerste lid, 29,§3, derde lid, 30,§1, 2 en 3, 33,§1 en 2, 34,§2, 35, 37, 37bis,§1, 48 of 62bis Wegverkeerswet, vonnis van de politierechtbank te Kortrijk dd. 13 mei 2013 (art. 38§6 lid1 Wegverkeerswet)

B. Als weggebruiker of bestuurder op de openbare weg niet in staat geweest te sturen of niet de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid te hebben bezeten of niet in staat geweest te zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren of niet voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand te hebben gehad (art. 8.3 al.1 en al.2 van het KB van 1 december 1975; art. 29§1 lid3 en 38§1.3° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer – KB tot coördinatie van 16 maart 1968)

Gezien het hoger beroep ingesteld door W.P. tegen alle beschikkingen hem betreffende van een vonnis uitgesproken door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde d.d. 17 februari 2016, hetwelk:

Op strafgebied:

Op tegenspraak:

Veroordeelde W.P. voor de tenlastelegging A:

tot een geldboete van 400,00 EURO , verhoogd met 50 opdeciemen en gebracht op 2400,00 EURO; boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een rijverbod van 120 dagen.

Zegde dat de tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden uitgesteld gedurende 3 jaren vanaf heden wat betreft deze geldboete, doch slechts voor een gedeelte van 250,00 EURO, verhoogd met 50 opdeciemen en gebracht op 1500,00 EURO en bepaalde het vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor het met uitstel uitgesproken gedeelte op 75 dagen.

Verklaarde W.P. vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 3 maanden onder aftrok van de periode van onmiddellijke intrekking van het rijbewijs.

Zegde dat de tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden uitgesteld gedurende 3 jaren vanaf heden wat betreft dit verval van het recht tot sturen, doch slechts voor een gedeelte van 2 maanden.

Maakte het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een medisch onderzoek, psychologisch onderzoek, praktisch examen en theoretisch examen.

Veroordeelde W.P. voor de tenlastelegging B:

tot een geldboete van 25,00 EURO , verhoogd met 50 opdeciemen en gebracht op 150,00 EURO; boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een rijverbod van 15 dagen.

Verplichtte W.P. tot het betalen van een bijdrage van 1 maal de som van 25,00 EURO verhoogd met 50 opdeciemen en gebracht op 1 maal 150,00 EURO ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwees W.P. in de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 82,38 EURO, waarvan 51,20 EUR in toepassing van artikel 91 K.B. 28.12.1950.

De rechtbank hield de afhandeling der burgerlijke belangen ambtshalve aan.

De procedure werd op regelmatige wijze aanhangig gemaakt en de stukken werden ingezien.

Gelet op het hoger beroep aangetekend door beklaagde W.P. tegen de beschikkingen hem betreffende op strafgebied en op burgerlijk gebied van een vonnis lastens hem gewezen door de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde op 29 februari 2016.

Op strafrechtelijk gebied

1. Wat betreft de ontvankelilkheid van het hoger beroep en de strafvordering

Er werd op tijdige en regelmatige wijze hoger beroep aangetekend tegen een vonnis gewezen door de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde op 29 februari 2016. Het hoger beroep is ontvankelijk.

Beklaagde verklaarde op de zitting van 15 april vrijwillig te verschijnen gelet op de afwezigheid van een dagvaarding. Het Openbaar Ministerie was van mening dat de dagvaarding onontvankelijk was gelet op de afwezigheid van een grievenschrift. Waar het Openbaar Ministerie de mening was toegedaan dat het hoger beroep nietig was bij afwezigheid van een grievenschrift moet er op gewezen worden dat het hoger beroep dateert van voor 1 maart 2016, datum waarop het gewijzigde art. 204 Sv. dat het grievenschrift invoerde, in voege is getreden.

2. Feiten en retroacten

2.1 De feiten betreffen een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan te Oudenaarde op 1 oktober 2015 om 23.39 u, waarbij beklaagde als bestuurder van een motorfiets Yamaha rechtdoor reed op een rondpunt op de N60 en daarbij in aanrijding kwam met een verkeersbord, dat werd uitgereden. Beklaagde raakte ingevolge de aanrijding zwaar gewond.

Beklaagde liet verstaan pijn te hebben aan de nek en aan de heupen. Er waren geen getuigen van het ongeval.

Het ongeval deed zich voor buiten de bebouwde kom, met ontstoken openbare verlichting.

De beklaagde werd overgebracht naar het AZ Oudenaarde, waar om 00.35 u een ademtest werd afgenomen die een positief resultaat gaf. Vervolgens werd op dezelfde plaats een ademanalyse afgenomen om 00.42 u die een resultaat gaf van 0,72 mg/I. Er werd geen tweede ademanalyse afgenomen. Beklaagde ondertekende een verklaring waarin hem werd uitgelegd dat hij het recht had om een tweede ademanalyse te vragen (st. 20) Hij ondertekende ook een stuk waarin werd aangekruist dat hij de tweede ademanalyse niet had benut en geen gebruik had gemaakt van de tegenexpertise. Er staat ook aangegeven dat hij de laatste 24 uur 4 tot 5 tripels had gedronken.

2.2 Ingevolge deze feiten werd W.P. vervolgd wegens:

A: het besturen van een motorvoertuig in staat van alcoholintoxicatie en in staat van bijzondere verzwaring;

B: het niet in de hand hebben van zijn voertuig.

Bij vonnis van 17 februari 2016 werd W.P. veroordeeld tot:

Ingevolge de tenlastelegging A : een geldboete van 400 euro, met uitstel voor een gedeelte van 250 euro en een verval van drie maanden, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk is van het slagen voor alle proeven, uitstel voor een gedeelte van twee maanden;
Ingevolge de tenlastelegging B tot een geldboete van 25,00 euro.

W.P. tekende tegen voormeld vonnis hoger beroep aan. Hij stelde dat hij bij de vaststellingen veel pijn had en dat hem pijnstillers waren toegediend. Hij was in de war en kon zich het ongeval niet herinneren. Bovendien was hij Duitstalig en het Nederlands gebrekkig machtig.

Hij zou niet gewezen zijn op het feit dat hij zich kon uitdrukken in een andere taal dan het Nederlands. Aldus zou het verhoor van beklaagde en daaropvolgende vaststellingen met het ademtoestel nietig.

Ingevolge de hevige pijn werd geakteerd dat niet werd overgegaan tot verhoor. Alleen al door de medische toestand van beklaagde was elke normale kennisname van wat er gebeurde, problematisch. Hij ondertekende de hem voorgelegde documenten zonder besef van wat er in werd vermeld, met betrekking tot de wachttijd en tweede ademanalsye.

Aldus had hij geen weet van de mogelijkheid van een tweede ademanalyse. Een wachttijd beoogt het effect van het laatste alcoholgebruik te corrigeren. Er wordt gewezen op de tegenstrijdige tijdsvermelding inzake het ongeval en de ademanalyse, zodat dient vastgesteld te worden dat er geen wachttijd werd in acht genomen.

3. Beoordeling ten gronde

Wat betreft de tenlastelegging A dient het verweer van beklaagde gevolgd te worden. Op stuk 4 van het PV met betrekking tot het verkeersongeval staat te lezen dat beklaagde aan de verbalisanten zegde zich niets van het ongeval te herinneren en kloeg over veel pijn. De verbalisanten gingen daarop niet over tot een verhoor. Niettemin werden hem op de spoedafdeling documenten ter ondertekening voorgelegd die gelden als verhoor (St. 20 en 21).

Dit gebeurde op de spoedafdeling van het AZ Oudenaarde, waarbij de beklaagde zwaargewond raakte en hospitalisatie noodzakelijk was (st. 8). Er zijn voldoende ernstige aanwijzingen dat beklaagde op dat ogenblik niet in staat was om verhoord te worden en om op een degelijke wijze kennis te krijgen van zijn rechten inzake de afname van een verhoor en inzake de afname van een ademtest en ademanalyse.

Waar deze rechten betrekking hebben op het naleven van een wachttijd en de mogelijkheid van een tweede ademanalyse, hebben zij rechtstreeks betrekking op de rechten van verdediging en zijn de rechten van verdediging geschonden met betrekking tot de vaststellingen inzake de alcoholintoxicatie. Het gebruik van een dergelijk bewijs zou strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces, zodat de nietigheid moet weerhouden worden (art. 32 V.T.Sv.). Derhalve dient de nietigheid van deze vaststellingen weerhouden te worden en moet beklaagde vrijgesproken worden van het hem ten laste gelegde feit A.

De tenlastelegging B werd niet betwist en blijft ten genoege van rechte bewezen, gelet ook op de vaststellingen van de verbalisanten inzake de schade aan het verkeersbord en het rond punt en de plaats van aantreffen van de beklaagde en zijn motorfiets.

De door de eerste rechter opgelegde straf voor de tenlastelegging B komt passend en verantwoord voor. Het ongeval geeft blijk van een manifeste onoplettendheid in hoofde van beklaagde. De opgelegde geldboete kan in deze bevestigd worden.

Op burgerlijk gebied

De eerste rechter hield terecht de burgerlijke belangen aan. Het eerste vonnis dient terzake bevestigd te worden.

Gelet op de niet-strijdige wetsbepalingen door de eerste rechter aangehaald en gelet op de artikelen 4 wet 26.6.2000, 162.163.179.182.185.191.202.209.210 wetboek strafvordering, wet 15 juni 1935.

OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende in graad van hoger beroep op tegenspraak

Op strafrechtelijk gebied:

Verklaart het hoger beroep van W.P. ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate:

Spreekt de beklaagde vrij van het hem ten laste gelegde feit A.

Bevestigt het bestreden vonnis wat betreft de uitspraak met betrekking tot de tenlastelegging B en de daarmee samenhangende veroordeling tot de kosten met inbegrip van de vaste vergoeding, met dien verstande dat W.P. niet gehouden is tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds.

Laat de kosten van het geding in graad van hoger beroep, voor zoveel als nodig tot op heden begroot op 43,75 euro, ten laste van de Belgische Staat.

Dit vonnis is gewezen door de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, zetelend in strafzaken
en op de openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizendzestien uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 31/01/2018 - 15:43
Laatst aangepast op: wo, 31/01/2018 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.