-A +A

Verhoging basisbedrag rechtsplegingsvergoeding vereist motivering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/12/2016
A.R.: 
C.16.0133.N

Artikel 1022, derde lid Gerechtelijk Wetboek legt aan de rechter die een hogere rechtsplegingsvergoeding dan het basisbedrag toekent de verplichting op om deze beslissing met bijzondere redenen te omkleden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/6
Pagina: 
483
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.M.G. NV / D.K. NV - Rolnr.: C.16.0133.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 december 2015.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 24 oktober 2016 verwezen naar de 3de kamer.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid
1. De verweerster voert drie gronden van niet-ontvankelijkheid aan:

de eiseres heeft voor de appelrechters geen specifieke grieven laten gelden tegen de beslissing van de eerste rechter die aan de verweerster de maximale rechtsplegingsvergoeding toekende en heeft evenmin het verzoek van de verweerster tot toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep betwist; het middel is bijgevolg nieuw;
het middel komt niet op tegen de begroting van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op een bedrag van 33.000 EUR; waar de eiseres bijgevolg aanvaardt dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 33.000 EUR kon worden vereffend, ontbeert zij belang bij de kritiek op de beslissing van de appelrechters om de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op hetzelfde bedrag te bepalen;
de appelrechters hebben nergens gezegd dat zij een hoger bedrag dan het basisbedrag willen toekennen; er moet bijgevolg worden aangenomen dat zij een onjuist basisbedrag hebben toegekend terwijl het middel geen schending aanvoert van artikel 1022, tweede lid Gerechtelijk Wetboek.
2. Een middel is niet nieuw wanneer het de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter had moeten toepassen.

Artikel 1022, derde lid Gerechtelijk Wetboek legt aan de rechter die een hogere rechtsplegingsvergoeding dan het basisbedrag toekent de verplichting op om deze beslissing met bijzondere redenen te omkleden.

Het middel dat de schending aanvoert van deze bepaling is bijgevolg niet nieuw.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

3. De eiseres heeft belang om op te komen tegen een beslissing die haar grieft.

De eiseres heeft bijgevolg belang om op te komen tegen haar veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 33.000 EUR.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen.

4. Uit het door de appelrechters toegekende bedrag blijkt dat zij de bedoeling hadden om aan de verweerster de maximale rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen van meer dan 1.000.000,01 EUR toe te kennen, namelijk 33.000 EUR.

De derde grond van niet-ontvanke1ijkheid steunt op een verkeerde lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Gegrondheid
5. Krachtens artikel 1022, derde lid Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de rechtsplegingsvergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Krachtens die bepaling kan de rechter een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag niet heeft betwist.

6. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek wordt het bedrag voor in geld waardeerbare vorderingen ter waarde van meer dan 1.000,000,01 EUR, vastgesteld op 16.500 EUR.

7. De vordering van de verweerster strekte ertoe de eiseres te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 5.620.184,95 EUR te vermeerderen met vergoedende en gerechtelijke interest.

Door de eiseres te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 33.000 EUR voor de procedure in hoger beroep zonder hun beslissing om een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan het basisbedrag met bijzondere redenen te omkleden, schenden de appelrechters artikel 1022, derde lid Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak heeft gedaan over de omvang van de door de eiseres verschuldigde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 17:14
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 17:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.