-A +A

Vergoeding bij einde concubinaat verrijking zonder oorzaak door werken en materialen aan de woning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 20/11/2013

Er is sprake van een verrijking zonder oorzaak wanneer er in het vermogen van verweerder in hoger beroep een verschuiving is opgetreden in het voordeel van het vermogen van eiseres in hoger beroep zonder dat daarvoor een juridische oorzaak kan worden aangewezen.

Verweerder in hoger beroep toont in casu wel aan dat hij materialen heeft bekostigd, doch bewijst niet dat hij de renovatiewerken niet enkel in zijn vrije tijd heeft uitgevoerd of dat hij zijn carrière hierdoor niet heeft kunnen voortzetten en aan inkomen heeft ingeboet. Hierbij houdt de rechtbank er rekening mee dat op de momenten dat verweerder in hoger beroep de renovatiewerken uitvoerde, eiseres in hoger beroep alleen instond voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen hetgeen een minstens even belangrijke inbreng in de gemeenschappelijke huishouding uitmaakte. Wat de werkzaamheden zelf betreft, kan er aldus geen sprake zijn van de vereiste verarming en verrijking van de respectievelijke vermogens.

Wat betreft de uitgaven voor materialen mag er vervolgens geen oorzaak bestaan voor de verarming in het vermogen van verweerder in hoger beroep. Tussen feitelijk samenwonende partners bestaat er een solidariteit die zich uit in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van het huishouden. Men mag van beide partners verwachten dat zij, op basis van dit verondersteld solidariteitsgevoel, elk naar best vermogen en in verhouding tot hun financiële middelen bijdragen in de dagdagelijkse kosten. Wie na de beëindiging van een feitelijke samenwoning beweert dat hij meer dan zijn partner heeft bijgedragen, moet bewijzen dat zijn uitgaven de normale lasten van het feitelijk samenwonen overschrijden (zie o.a. J. Du Mongh, I. Samoy en V. Allaerts, “Overzicht van rechtspraak (2000-2007) - De feitelijke samenwoning”, T.Fam. 2008, afl. 1-2, 4-43). Verweerder in hoger beroep dient derhalve aan te tonen dat zijn uitgaven de normale lasten van de huishouding hebben overschreden en zijn natuurlijke verbintenis overstijgen, opdat er sprake kan zijn van een verrijking zonder oorzaak. De bewijslast ligt hier aldus niet bij eiseres in hoger beroep die wat de tegenvordering betreft de verwerende partij is.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/15
Pagina: 
1153
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(…)

1. Procedure
1.1. Eiseres in hoger beroep dagvaardde verweerder in hoger beroep bij exploot van 13 oktober 2014. Haar oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

te horen zeggen voor recht dat verweerder in hoger beroep haar onroerend goed te Putte, (…), bezet zonder recht noch titel;
hem te horen veroordelen het onroerend goed te verlaten binnen 48 uur na de betekening van het vonnis op straffe van uitdrijving;
verweerder in hoger beroep te horen veroordelen tot betaling van een bezettingsvergoeding van 750 EUR per maand vanaf 5 oktober 2014;
verweerder in hoger beroep te horen veroordelen tot de kosten van het geding;
de voorlopige tenuitvoerlegging te horen uitspreken.
Verweerder in hoger beroep vroeg aan de eerste rechter om akte te verlenen van zijn akkoord om de woning te verlaten met medeneming van zijn persoonlijke spullen. Hij verzocht een redelijke termijn om een ander onderkomen te vinden, met name 6 maanden na de betekening van het vonnis.

Verweerder in hoger beroep stelde een tegeneis in die ertoe strekte:

in hoofdorde: eiseres in hoger beroep te verplichten tot het voorleggen van een schriftelijk bewijs van de bank dat hij zou worden vrijgesteld van zijn borgstelling vanaf het verlaten van de woning; eiseres in hoger beroep te veroordelen tot betaling aan hem van de som van 320.324 EUR als vergoeding enerzijds voor de materialen die hij in haar woning verwerkte bij de renovatie en die hij uit eigen zak betaalde en anderzijds als vergoeding voor het werk dat hij aan haar woning uitvoerde met een enorme meerwaarde tot gevolg, meer gerechtelijke interesten en kosten van het geding;
in ondergeschikte orde: eiseres in hoger beroep te veroordelen tot betaling aan hem van de som van 220.324 EUR als vergoeding voor de door hem in de woning geïnvesteerde kosten en materialen, meer gerechtelijke interesten en kosten van het geding;
in de meest ondergeschikte orde:
1.eiseres in hoger beroep op te leggen volgende documenten voor te brengen: de door haar ondertekende schuldbekentenissen ten belope van meer dan 100.000 EUR; de facturen met betrekking tot de aankopen van materialen voor haar woning betaald door verweerder in hoger beroep; het door haar bevolen schattingsverslag teneinde de gerealiseerde meerwaarde te kunnen bepalen;

2.verweerder in hoger beroep toe te laten tot het bewijs door alle middelen van recht, getuigenverklaringen inbegrepen, van het bestaan van door eiseres in hoger beroep ondertekende schuldbekentenissen ten belope van meer dan 100.000 EUR;

3.zo nodig een deskundige aan te stellen teneinde de gerealiseerde meerwaarde van de woning te bepalen.

Bij tussenvonnis van 27 november 2014 van de eerste rechter werd de hoofdvordering ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard:

er werd gezegd voor recht dat verweerder in hoger beroep het onroerend goed van eiseres in hoger beroep zonder recht noch titel betrok;
verweerder in hoger beroep werd veroordeeld het onroerend goed uiterlijk 12 december 2014 te verlaten en ter vrije beschikking van eiseres in hoger beroep te stellen op straffe van uitzetting;
verweerder in hoger beroep werd veroordeeld tot betaling van een bezettingsvergoeding van 375 EUR per maand vanaf 13 december 2014 tot aan de effectieve ter beschikking stelling van het pand;
de voorlopige tenuitvoerlegging werd uitgesproken.
De behandeling van de tegenvordering werd op een latere zitting gesteld.

Eiseres in hoger beroep verzocht de eerste rechter om de tegeneis minstens ongegrond te verklaren en om te zeggen voor recht dat er geen aanleiding bestaat tot de overlegging van zekere onderhandse akten waarvan het bestaan wordt betwist. Zij vroeg tevens de veroordeling van verweerder in hoger beroep tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

1.2. In het bestreden vonnis van 26 februari 2015 werd de tegenvordering ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard:

Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot betaling aan verweerder in hoger beroep van de som van 160.162 EUR, meer gerechtelijke interesten vanaf 6 november 2014 tot aan de algehele betaling.

Elke partij werd veroordeeld tot de helft van de kosten van het geding. De rechtsplegingsvergoedingen werden omgeslagen.

1.3.Het hoger beroep strekt er toe:

“(…)

Onderhavig beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Bijgevolg het vonnis waartegen beroep teniet te doen, wijzigende en doende wat de eerste rechter had behoren te doen, aan appellante de einden toe te wijzen der besluiten die zij in eerste aanleg hebben genomen en die hier als herhaald en in hun geheel overgenomen dienen te worden beschouwd, aangevuld, gewijzigd of verbeterd door alle andere besluiten voor de rechtbank te nemen en te ontwikkelen en die hier uitdrukkelijk worden voorbehouden.

Derhalve de oorspronkelijke tegeneis minstens ongegrond te verklaren.

In ondergeschikte orde en alvorens recht te doen, de overlegging van de adressenhistoriek van geïntimeerde, overeenkomstig artikelen 877 et seq. Ger.W. te bevelen.

(…)”

Verweerder in hoger beroep baseert zijn oorspronkelijke tegenvordering tot vergoeding zowel op de verrijking zonder oorzaak als op de figuur van de kostenleer en artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens verweerder in hoger beroep kunnen de door hem verrichte uitgaven en prestaties niet louter als een bijdrage in de gezinslasten worden aanzien. Dit zou blijken uit de hoegrootheid en de aard ervan. Dat verweerder in hoger beroep deze uitgaven niet louter uit vrijgevigheid verrichtte, zou blijken uit door eiseres in hoger beroep opgestelde schuldbekentenissen. Eiseres in hoger beroep zou deze echter onder zich houden. In geval van betwisting, vraagt verweerder in hoger beroep dat eiseres in hoger beroep wordt veroordeeld tot voorlegging van deze stukken.

De vordering van verweerder in hoger beroep was samengesteld als volgt:

materialen: 220.324 EUR conform de stukken + 100.000 EUR vergoeding voor zijn werk in de periode 2002-2014. Verweerder in hoger beroep verzet zich echter niet tegen de beslissing van de eerste rechter om de bedragen te halveren en de helft ervan te beschouwen als bijdrage in de gezinslasten.

Eiseres in hoger beroep betwist dat de woning door partijen samen werd aangekocht. Bovendien zou verweerder in hoger beroep zijn vrije tijd hebben doorgebracht met klussen en sport, terwijl eiseres in hoger beroep alleen zou hebben ingestaan voor de opvoeding van de kinderen. Zij zou ook alle kosten van de huishouding hebben ten laste genomen en haar carrière voor het gezin hebben opgeofferd.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de eerste rechter geen rekening gehouden heeft met het gegeven dat zij haar woning ter beschikking stelde en hiervoor alleen de hypothecaire lening afbetaalde, terwijl verweerder in hoger beroep de huurinkomsten van zijn onroerend goed bleef ontvangen. Bovendien zou het niet bewezen zijn dat de voorgelegde stukken betrekking hebben op materialen die voor haar woning werden aangewend. Het door verweerder in hoger beroep aangegane krediet zou namelijk op een ander onroerend goed betrekking hebben.

Eiseres in hoger beroep legt een schattingsverslag voor waaruit een waarde van 309.636 EUR blijkt. De expert zou echter ook hebben vastgesteld dat het huis een aantal gebreken vertoont en dat de renovatiewerken niet werden afgerond. Aan de vereisten van verrijking zonder oorzaak zou niet voldaan zijn.

Eiseres in hoger beroep argumenteert nog dat ook zij materialen heeft bekostigd en dat zij over geen schuldbekentenissen beschikt.

2.3. Verweerder in hoger beroep baseert zijn vordering in hoofdorde op de verrijking zonder oorzaak. Er is sprake van een verrijking zonder oorzaak wanneer er in het vermogen van verweerder in hoger beroep een verschuiving is opgetreden in het voordeel van het vermogen van eiseres in hoger beroep zonder dat daarvoor een juridische oorzaak kan worden aangewezen.

Verweerder in hoger beroep toont in casu wel aan dat hij materialen heeft bekostigd, doch bewijst niet dat hij de renovatiewerken niet enkel in zijn vrije tijd heeft uitgevoerd of dat hij zijn carrière hierdoor niet heeft kunnen voortzetten en aan inkomen heeft ingeboet. Hierbij houdt de rechtbank er rekening mee dat op de momenten dat verweerder in hoger beroep de renovatiewerken uitvoerde, eiseres in hoger beroep alleen instond voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen hetgeen een minstens even belangrijke inbreng in de gemeenschappelijke huishouding uitmaakte. Wat de werkzaamheden zelf betreft, kan er aldus geen sprake zijn van de vereiste verarming en verrijking van de respectievelijke vermogens.

Wat betreft de uitgaven voor materialen mag er vervolgens geen oorzaak bestaan voor de verarming in het vermogen van verweerder in hoger beroep. Tussen feitelijk samenwonende partners bestaat er een solidariteit die zich uit in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van het huishouden. Men mag van beide partners verwachten dat zij, op basis van dit verondersteld solidariteitsgevoel, elk naar best vermogen en in verhouding tot hun financiële middelen bijdragen in de dagdagelijkse kosten. Wie na de beëindiging van een feitelijke samenwoning beweert dat hij meer dan zijn partner heeft bijgedragen, moet bewijzen dat zijn uitgaven de normale lasten van het feitelijk samenwonen overschrijden (zie o.a. J. Du Mongh, I. Samoy en V. Allaerts, “Overzicht van rechtspraak (2000-2007) - De feitelijke samenwoning”, T.Fam. 2008, afl. 1-2, 4-43). Verweerder in hoger beroep dient derhalve aan te tonen dat zijn uitgaven de normale lasten van de huishouding hebben overschreden en zijn natuurlijke verbintenis overstijgen, opdat er sprake kan zijn van een verrijking zonder oorzaak. De bewijslast ligt hier aldus niet bij eiseres in hoger beroep die wat de tegenvordering betreft de verwerende partij is.

Er wordt verondersteld dat elk van de partners die een huishouden vormden, op de een of andere wijze en al dan niet in dezelfde mate, bijdroegen in de lasten van het samenleven en dat er op dit vlak tussen de partners een consensus en evenwicht werd bereikt. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat beide partijen hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding. Er dient echter ook rekening te worden gehouden met het inkomen en de mogelijkheden van beide partijen. Verweerder in hoger beroep faalt op dit vlak in zijn bewijslast aangezien er geen stukken worden voorgelegd in verband met het inkomen en de financiële mogelijkheden van beide partijen over de periode van samenwoonst en hij aldus niet bewijst dat hij, hiermee rekening houdend, meer heeft bijgedragen in de lasten van het samenleven. Het wordt immers ook niet betwist dat eiseres in hoger beroep haar carrière na de geboorte van de kinderen van partijen minder heeft kunnen uitbouwen dan verweerder in hoger beroep.

Noot: 

• Hof van Beroep Brussel AR 2007AR1044

Samenvatting
I . Einde van een feitelijke samenleven. Vergoedingen tussen de ex-concubanten.

II. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:
a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Er met dus worden onderzocht of bepaalde kosten niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

III. Artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van een vordering in terugbetaling. De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

Tekst arrest

ARREST
Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2010/
A.R. nr. 2007/AR/1044

INZAKE VAN :

De heer W. P.,
appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007,

TEGEN :
Mevrouw L. G.,

geïntimeerde,

Gelet op de procedurestukken:

· het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007, beslissing die betekend werd op 10 augustus 2007;
· het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 april 2007;
· de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 10 september 2007;
· de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 oktober 2007.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 58.837,26 euro , nadien uitgebreid tot 59.000 euro , plus de gerechtelijke intresten en tot het horen teruggeven binnen de 48u na betekening van een aantal roerende goederen onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30.563,38 euro , plus de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 2005, datum van de dagvaarding.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de integrale toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen samen hebben gewoond in de woning van appellant van maart 2003 tot februari 2005. Bij vonnis van de vrederechter van Haacht van 26 januari 2005 werd geïntimeerde veroordeeld om het pand te verlaten.

Volgens geïntimeerde heeft zij in die periode alleen de lasten van het huishouden gedragen en heeft zij zelfs een aantal persoonlijke schulden van appellant betaald.

III. Beoordeling.

3.1. Geïntimeerde houdt vooreerst voor dat zij een hele reeks van rekeningen alleen heeft betaald die ofwel een last van het huishouden uitmaakten ofwel enkel ten goede kwamen aan appellant.

Zij beroept zich op de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak en de theorie van de kostenleer als grond van haar vordering tot terugbetaling.

Appellant betwist in se niet dat geïntimeerde inderdaad een aantal betalingen verricht heeft (o.a. hypothecaire lening, maandelijkse bijdrage van 850 euro , belastingen, rekeningen, boodschappen...) en dat een aantal van die betalingen betrekking hebben op afkortingen van zijn persoonlijke schulden maar hij houdt voor dat deze betalingen een oorzaak hadden, met name de samenwoning, en geïntimeerde bijgevolg deze sommen niet kan terugvorderen.

3.2. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:

a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Hierna zal worden onderzocht of de kosten waarvan geïntimeerde gewag maakt, niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

3.3. Geïntimeerde beroept zich tevens op artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van haar vordering in terugbetaling.

De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

3.4. Geïntimeerde toont aan dat zij een bedrag betaalde van 7.389,26 euro voor het vernieuwen van de ramen in de woning van appellant. Deze nieuwe ramen zijn geïncorporeerd in het onroerend goed, exclusief eigendom van appellant.

Op grond van de kostenleer dient appellant deze kosten terug te betalen aan geïntimeerde.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.5. Geïntimeerde brengt een document bij waarin bedragen worden opgesomd ten beloop van 35.853,25 euro en beweert dat appellant dat document voor akkoord ondertekende.

Geïntimeerde betwist dit en ontkent dat zijn handtekening voorkomt op bewust document.

De eerste rechter merkte terecht op dat onafgezien of appellant dat document al dan niet ondertekend heeft, het geenszins een schuldbekentenis uitmaakt en hieruit geen enkele verplichting blijkt in hoofde van appellant om voornoemd bedrag terug te betalen.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat geïntimeerde naast de boodschappen die zij op haar kosten deed en zonder rekening te houden met haar maandelijkse bijdrage van 850 euro (sinds juli 2004) zij tijdens de periode van samenwonen, naast de ramen t.b.v. 7.389,26 euro , nog volgende rekeningen betaalde:

- herstelling wagen appellant: 1.947,33 euro
- afhaling van spaarrekening van geïntimeerde: 8.000,00 euro
- 7x hypothecaire lening van 558,31 euro : 3.908,17 euro
- belastingen appellant: 2.916,51 euro
- eigen schulden appellant: 5.893,11 euro

Totaal: 22.665,12 euro

Met de ramen samen maakt dit een totaalbedrag uit van 30.054,38 euro .

Appellant zelf toont niet aan welke zijn bijdrage was in het huishouden in diezelfde periode.

Gelet op de omvang van het bedrag kan niet aangenomen worden dat geïntimeerde al deze betalingen verrichtte met als oorzaak de samenwoning, haar eigen belang of een weloverwogen risico dat gepaard gaat met buitenhuwelijks samenleven.

De door haar uitgevoerde betalingen overschrijden aanzienlijk de normale bijdrage die in een gemeenschappelijke huishouding van elke partner mag verwacht worden en hebben bovendien een verarming van het vermogen van geïntimeerde tot gevolg gehad en een verrijking van het vermogen van appellant. Vrijgevigheid wordt bovendien niet vermoed.

Op grond van de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak is geïntimeerde gerechtigd om voornoemd bedrag terug te vorderen vanwege appellant. In het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis is echter een materiële vergissing geslopen daar waar appellant veroordeeld wordt tot terugbetaling van een bedrag van 30.563,38 euro i.p.v. 30.054,38 euro .

3.6. Appellant werpt hiertegen op dat geïntimeerde rechtsmisbruik pleegt.

Hij beweert dat het getuigt van kwade trouw en zeker rechtsmisbruik uitmaakt om hem enerzijds het gevoel te geven dat om altruïstische en om amoureuze redenen financiële bijstand wordt verleend om dan anderzijds bij het beëindigen van de relatie deze bijstand terug te vorderen en hem achter te laten in een nog diepere put dan waarin hij zich reeds bevond.

Door alle betalingen nauwkeurig bij te houden en op te schrijven heeft geïntimeerde zeker niet de indruk kunnen wekken dat zij één en ander deed uit "altruïstische" overwegingen. Het komt trouwens eerder voor dat appellant "gebruik" heeft gemaakt van geïntimeerde om zijn eigen schulden te kunnen aflossen.

In deze is er dan ook geen sprake van enig rechtsmisbruik vanwege geïntimeerde.

3.7. Geïntimeerde vraagt tenslotte de afgifte van een reeks roerende goederen.

Appellant betwist dat deze goederen in zijn bezit zijn.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat geïntimeerde niet bewijst dat de door haar opgesomde goederen wel degelijk in het bezit zijn van appellant.

Er is geen reden om thans nog aan geïntimeerde toe te laten het bewijs hiervan te mogen leveren met alle middelen van recht gezien het tijdsverloop dat inmiddels reeds verstreken is sedert dat geïntimeerde de woning van appellant verliet.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.8. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.9. Beide partijen hebben ter zitting van 12 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Zij hebben dat terecht begroot op 2.500 euro .

Dit bedrag komt ten beloop van 2/3den toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :
HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna beperkte mate gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat appellant gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van 30.054,38 euro in hoofdsom i.p.v. het toegekende 30.563,38 euro .

Veroordeelt appellant tot 2/3den van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot
- in hoofde van hemzelf op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en
- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/3/2010


Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2016 - 19:39
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 14:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.