-A +A

Vergoeding bij einde concubinaat kostenleer en vermogensverschuiving zonder oorzaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 20/11/2013

Investeringen gedaan boven het aandeel in het onroerend goed dienen beoordeeld te worden in het verloop van een relatie en de inspanningen van de ene deelgenoot in de verffening ten aanzien van de andere. gekaderd worden in de relatie die partijen met elkaar hadden, de duurtijd van deze relatie en verder ondermeer de inzet van in het huishouden en de handelszaak/vennootschap.

Alldus kan zweet en inzet wel degelijk vergoed en in rekening gebracht worden bij het beëindigen van een concubinaat middels de rechtstheorie-rechtsfiguur van de vergeldende schenking.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/4
Pagina: 
249
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(D.R.N.L.)

Procedure

1.

( ... )

Voorwerp van de vorderingen

2.

Het hoger beroep strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerdes vorderingen als ongegrond af te wijzen. Verder vordert appellante het bestreden vonnis voor het overige te bevestigen en geïntimeerde tevens te veroordelen tot betaling van een bedrag van 14.000,00 EUR, meer de moratoire interesten vanaf 2 december 2009 en in betaling van een bezettingsvergoeding, gelijk aan 350,00 EUR met ingang van de maand november 2012 tot en met de maand van uitonverdeeldheidtreding, meer de gerechtelijke interesten en de kosten van beide instanties.

3.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt incidenteel beroep in ertoe strekkende, bij hervorming van het bestreden vonnis, appellante te veroordelen tot betaling van 14.000,00 EUR, 510,24 EUR en 259,50 EUR, meer interesten, en diens vordering tot een bezettingsvergoeding als ongegrond af te wijzen, met verwijzing van appellante in de kosten van beide instanties.

Feiten en retroacten

4.

Partijen hebben in concubinaat samengewoond van februari 1990 tot oktober 2009. Twee van de drie kinderen van appellante, m.n. SV. en S. en één van de twee kinderen van geïntimeerde, m.n. Ph., woonden bij hen in.

Uit de veelvuldige schriftelijke verklaringen die appellante voorlegt blijkt dat zij wel degelijk vrijwel voltijds werkzaam was in de broodjeszaak "Sandwiches L." van geïntimeerde (zie stuk 2 dossier appellante).

Deze verklaringen worden overigens bevestigd door de mail van de zoon van geïntimeerde, Ph. (zie stuk 3 dossier appellante), die verder bevestigt dat appellante ook voor hem heeft gezorgd als een eigen moeder.

Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt dat aan de geloofwaardigheid van deze stukken dient getwijfeld. Deze zijn precies en overeenstemmend en de enkele stukken die geïntimeerde voorbrengt om de bewijswaarde ervan in twijfel te trekken, volstaan daartoe niet.

De broodjeszaak werd verkocht in 2006.

Blijkens akte verleden op 6 februari 2007 voor notaris Philippe Kerrand te Locmine (Frankrijk) kochten partijen een onroerend goed te( ... ).

De akte voorziet uitdrukkelijk dat partijen het goed in onverdeeldheid aankochten ieder voor de helft en zich hoofdelijk verbonden.

Er werd een voorschot betaald t.b.v. 14.000,00 EUR. Het saldo en de kosten, voor een totaal bedrag van 145.720,00 EUR, werd volledig door geïntimeerde gefinancierd.

De relatie werd beëindigd in 2009 nadat geïntimeerde besliste een geslachtswijziging te laten uitvoeren.

Geïntimeerde vordert de helft van de door hem in dit goed geïnvesteerde gelden terug, meer de helft van de kosten en lasten m.b.t. dit goed en de interesten.

Bespreking

5.

Ten onrechte beroept geïntimeerde zich op een voorgehouden schuldbekentenis d.d. 9 februari 2007 waaruit zou moeten blijken dat appellante zich zou verbonden heb¬ben om haar aandeel in de aankoopprijs van 79.860,00 EUR terug te betalen van zodra zij dit zou kunnen (stuk 34 dossier geïntimeerde).

6.

Appellante betwist immers formeel dat de handtekening op het voormelde stuk van haar hand is (zie conclusies appellante, p. 14, 2 de alinea).

De ontkenning van een onderhandse akte ontneemt er iedere bewijskracht aan en het behoort aan de partij die er zich op beroept om, overeenkomstig artikel 1324 van het Burgerlijk Wetboek, een schriftonderzoek van het betreffende stuk te vorderen (cf.o.m. H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, T. III, 1967, nr. 747 B, p. 760), wat geïntimeerde evenwel niet doet.

7.

De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, het hof tot de zijne maakt en die hier voor herhaald wordt gehouden, en die in hoger beroep niet afdoende wordt weerlegd, terecht geoordeeld dat het voorschot t. b.v. 14.000,00 EUR door appellante met eigen gelden betaald werd.

Uit de voorgelegde stukken blijkt immers dat appellante op 5 december 2006 een bedrag van 14.000,00 EUR afhaalde van haar rekening, dat er op dezelfde datum een bedrag van 14.000,00 EUR op de rekening van geïntimeerde werd gestort waar¬mee vervolgens, eveneens op dezelfde datum, het voorschot van 14.000,00 EUR werd overgemaakt op rekening van het immobiliënkantoor (stukken 13 en 14 dos¬sier appellante).

Daaruit blijkt afdoende dat het voorschot integraal door appellante met eigen gelden betaald werd.

8.

Het is bijgevolg aangetoond dat geïntimeerde 145.720,00 EUR en appellante 14.000,00 EUR investeerden in de aankoop van het onverdeeld onroerend goed.

M.a.w. geïntimeerde investeerde 131.720,00 EUR meer dan appellante en kan dus uit dien hoofde hoogstens aanspraak maken op de helft van dat bedrag, hetzij 65.860,00 EUR.

9.

Nu de bijdrage van appellante hierin verrekend is, staat meteen vast dat zij geen aanspraak kan maken op terugbetaling van (een deel van) dit voorschot.

10.

Terecht laat appellante gelden dat de investeringen die geïntimeerde deed boven zijn aandeel in het onroerend goed dienen gekaderd in de bijna twintigjarige relatie die partijen met elkaar hadden en de inzet van appellante in het huishouden en in de broodjeszaak van geïntimeerde (zie supra onder nr. 4).

Er mag aangenomen worden dat, bij onmogelijkheid om deze prestaties afdoende economisch te waarderen, de betaling van de koopprijs boven zijn aandeel door geïntimeerde gebeurde met het inzicht de voormelde prestaties van appellante te belonen en aldus een zgn. vergeldende schenking uitmaakt (zie o.m. PUELINCKX-COENE et al., "Overzicht van rechtspraak. Giften (1993-1998)", TPR, 1999-2, p. 846 et seq., nrs. 105 et seq.; PUELINCKX-COENE et al., "Overzicht van rechtspraak. Giften (1999-2011)", TPR, 2013-1, p. 400 et seq., nrs. 285 et seq.).

Niet alleen blijkt immers uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven dat er ooit afspraken werden gemaakt dat appellante deze meerinbreng zou dienen terug te betalen aan geïntimeerde, maar bovendien blijkt niet dat geïntimeerde ooit op terug¬betaling zou aangedrongen hebben vooraleer hun relatie beëindigd werd en appellante aanspraak maakte op haar aandeel in het onroerend goed.

Gezien het om een onrechtstreekse schenking gaat kan het bewijs dat geïntimeerde handelde uit vrijgevigheid met alle middelen van recht bewezen worden (zie o.m. PUELINCKX-COENE et al., "Overzicht van rechtspraak. Giften (1999-2011)", TPR, 2013-1, p. 589 et seq., nrs. 531 et seq.).

11.

Geïntimeerde is niet gerechtigd eenzijdig op deze schenking terug te komen zodat zijn vordering tot terugbetaling van de helft van de koopprijs ongegrond is.

12.

De deelgenoot die alleen het onverdeeld goed heeft gebruikt en het exclusief genot ervan heeft gehad is een vergoeding verschuldigd die aan de deelgenoten toekomt en gelijk is aan de opbrengstwaarde van dit goed.

Het staat vast dat geïntimeerde vanaf november 2009 het exclusief genot heeft gehad van het onverdeeld goed van partijen.

Zijn bewering dat hij er sedert januari 2010 niet meer zou verblijven is geenszins afdoende bewezen. De verklaring d.d. 28 juli 2011 van zijn vriendin die hij dienaangaande voorlegt is geenszins geloofwaardig en overigens in strijd met zijn eigen processtukken, o.m. zijn op 10 april 2013 ter griffie van dit hof neergelegde conclusies, waarin hij als woonplaats nog steeds het voormelde onverdeeld onroerend goed opgeeft.

13.

De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis op goede gronden, hier voor herhaald gehouden, de opbrengstwaarde van het goed bepaald op 700,00 EUR, zodat geïntimeerde gehouden is om aan appellante een woonstvergoeding t.b.v. 350,00 EUR te betalen tot op het ogenblik dat hij er geen gebruik meer van maakt.

Tot op heden is er dus een bedrag van 49 x 350,00 EUR= 17.150,00 EUR. verschuldigd.

14.

De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, het hof tot de zijne maakt en die hier voor herhaald wordt gehouden, en die in hoger beroep niet afdoende wordt weerlegd, terecht geoordeeld dat appellante gehouden is tot betaling van de helft van de kostprijs van de septische put en van de brandver¬zekering, hetzij een totaal van 3.750,78 EUR.

15.

Terecht laat geïntimeerde gelden dat appellante niet in het minst bewijst de helft van de onroerende voorheffing voor het jaar 2011 betaald te hebben.

Uit dien hoofde is zij dan ook een bedrag van 259,50 EUR verschuldigd.

16.

Het onderhoud van de tuin is ten laste van de gebruiker, in casu geïntimeerde.

De bedragen die geïntimeerde vordert voor materiaal voor het onderhoud van de tuin komen bijgevolg niet ten laste van de onverdeeldheid.

De kosten

17. ( ... )

Beslissing van het hof

Het Hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep en verklaart beide gegrond in de hierna bepaalde mate;

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens inzoverre de vorderingen erbij ontvangen werden;

Opnieuw wijzend;

Veroordeelt geïntimeerde uit hoofde van bezettingsvergoeding van het voormelde onverdeeld onroerend goed van partijen tot betaling aan appellante van een bedrag van 17.150,00 EUR, meer een bedrag van 350,00 EUR per maand vanaf 1 december

2013 tot op het ogenblik dat geïntimeerde er geen gebruik meer van zal maken, telkens meer de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de respectievelijk vervaldata;

Veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 3.750,78 EUR en van 259,50 EUR, beide bedragen meer de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 24 januari 2011;

Wijst het anders- en/of meergevorderde af als ongegrond;

( ... )
 

Noot: 

• Hof van Beroep Brussel AR 2007AR1044

Samenvatting
I . Einde van een feitelijke samenleven. Vergoedingen tussen de ex-concubanten.

II. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:
a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Er met dus worden onderzocht of bepaalde kosten niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

III. Artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van een vordering in terugbetaling. De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

Tekst arrest

ARREST
Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2010/
A.R. nr. 2007/AR/1044

INZAKE VAN :

De heer W. P.,
appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007,

TEGEN :
Mevrouw L. G.,

geïntimeerde,

Gelet op de procedurestukken:

· het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007, beslissing die betekend werd op 10 augustus 2007;
· het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 april 2007;
· de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 10 september 2007;
· de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 oktober 2007.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 58.837,26 euro , nadien uitgebreid tot 59.000 euro , plus de gerechtelijke intresten en tot het horen teruggeven binnen de 48u na betekening van een aantal roerende goederen onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30.563,38 euro , plus de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 2005, datum van de dagvaarding.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de integrale toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen samen hebben gewoond in de woning van appellant van maart 2003 tot februari 2005. Bij vonnis van de vrederechter van Haacht van 26 januari 2005 werd geïntimeerde veroordeeld om het pand te verlaten.

Volgens geïntimeerde heeft zij in die periode alleen de lasten van het huishouden gedragen en heeft zij zelfs een aantal persoonlijke schulden van appellant betaald.

III. Beoordeling.

3.1. Geïntimeerde houdt vooreerst voor dat zij een hele reeks van rekeningen alleen heeft betaald die ofwel een last van het huishouden uitmaakten ofwel enkel ten goede kwamen aan appellant.

Zij beroept zich op de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak en de theorie van de kostenleer als grond van haar vordering tot terugbetaling.

Appellant betwist in se niet dat geïntimeerde inderdaad een aantal betalingen verricht heeft (o.a. hypothecaire lening, maandelijkse bijdrage van 850 euro , belastingen, rekeningen, boodschappen...) en dat een aantal van die betalingen betrekking hebben op afkortingen van zijn persoonlijke schulden maar hij houdt voor dat deze betalingen een oorzaak hadden, met name de samenwoning, en geïntimeerde bijgevolg deze sommen niet kan terugvorderen.

3.2. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:

a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Hierna zal worden onderzocht of de kosten waarvan geïntimeerde gewag maakt, niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

3.3. Geïntimeerde beroept zich tevens op artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van haar vordering in terugbetaling.

De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

3.4. Geïntimeerde toont aan dat zij een bedrag betaalde van 7.389,26 euro voor het vernieuwen van de ramen in de woning van appellant. Deze nieuwe ramen zijn geïncorporeerd in het onroerend goed, exclusief eigendom van appellant.

Op grond van de kostenleer dient appellant deze kosten terug te betalen aan geïntimeerde.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.5. Geïntimeerde brengt een document bij waarin bedragen worden opgesomd ten beloop van 35.853,25 euro en beweert dat appellant dat document voor akkoord ondertekende.

Geïntimeerde betwist dit en ontkent dat zijn handtekening voorkomt op bewust document.

De eerste rechter merkte terecht op dat onafgezien of appellant dat document al dan niet ondertekend heeft, het geenszins een schuldbekentenis uitmaakt en hieruit geen enkele verplichting blijkt in hoofde van appellant om voornoemd bedrag terug te betalen.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat geïntimeerde naast de boodschappen die zij op haar kosten deed en zonder rekening te houden met haar maandelijkse bijdrage van 850 euro (sinds juli 2004) zij tijdens de periode van samenwonen, naast de ramen t.b.v. 7.389,26 euro , nog volgende rekeningen betaalde:

- herstelling wagen appellant: 1.947,33 euro
- afhaling van spaarrekening van geïntimeerde: 8.000,00 euro
- 7x hypothecaire lening van 558,31 euro : 3.908,17 euro
- belastingen appellant: 2.916,51 euro
- eigen schulden appellant: 5.893,11 euro

Totaal: 22.665,12 euro

Met de ramen samen maakt dit een totaalbedrag uit van 30.054,38 euro .

Appellant zelf toont niet aan welke zijn bijdrage was in het huishouden in diezelfde periode.

Gelet op de omvang van het bedrag kan niet aangenomen worden dat geïntimeerde al deze betalingen verrichtte met als oorzaak de samenwoning, haar eigen belang of een weloverwogen risico dat gepaard gaat met buitenhuwelijks samenleven.

De door haar uitgevoerde betalingen overschrijden aanzienlijk de normale bijdrage die in een gemeenschappelijke huishouding van elke partner mag verwacht worden en hebben bovendien een verarming van het vermogen van geïntimeerde tot gevolg gehad en een verrijking van het vermogen van appellant. Vrijgevigheid wordt bovendien niet vermoed.

Op grond van de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak is geïntimeerde gerechtigd om voornoemd bedrag terug te vorderen vanwege appellant. In het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis is echter een materiële vergissing geslopen daar waar appellant veroordeeld wordt tot terugbetaling van een bedrag van 30.563,38 euro i.p.v. 30.054,38 euro .

3.6. Appellant werpt hiertegen op dat geïntimeerde rechtsmisbruik pleegt.

Hij beweert dat het getuigt van kwade trouw en zeker rechtsmisbruik uitmaakt om hem enerzijds het gevoel te geven dat om altruïstische en om amoureuze redenen financiële bijstand wordt verleend om dan anderzijds bij het beëindigen van de relatie deze bijstand terug te vorderen en hem achter te laten in een nog diepere put dan waarin hij zich reeds bevond.

Door alle betalingen nauwkeurig bij te houden en op te schrijven heeft geïntimeerde zeker niet de indruk kunnen wekken dat zij één en ander deed uit "altruïstische" overwegingen. Het komt trouwens eerder voor dat appellant "gebruik" heeft gemaakt van geïntimeerde om zijn eigen schulden te kunnen aflossen.

In deze is er dan ook geen sprake van enig rechtsmisbruik vanwege geïntimeerde.

3.7. Geïntimeerde vraagt tenslotte de afgifte van een reeks roerende goederen.

Appellant betwist dat deze goederen in zijn bezit zijn.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat geïntimeerde niet bewijst dat de door haar opgesomde goederen wel degelijk in het bezit zijn van appellant.

Er is geen reden om thans nog aan geïntimeerde toe te laten het bewijs hiervan te mogen leveren met alle middelen van recht gezien het tijdsverloop dat inmiddels reeds verstreken is sedert dat geïntimeerde de woning van appellant verliet.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.8. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.9. Beide partijen hebben ter zitting van 12 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Zij hebben dat terecht begroot op 2.500 euro .

Dit bedrag komt ten beloop van 2/3den toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :
HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna beperkte mate gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat appellant gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van 30.054,38 euro in hoofdsom i.p.v. het toegekende 30.563,38 euro .

Veroordeelt appellant tot 2/3den van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot
- in hoofde van hemzelf op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en
- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/3/2010


Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 24/08/2015 - 12:38
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 14:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.