-A +A

Verergering schade staat in oorzakelijk verband met de schade

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 12/11/2015
A.R.: 
C.14.0468.N-C.14.0469.N

In deze zaak stelden de experten dat de gevolgen van de waterschade door overstroming  minder erg zouden zijn geweest indien het rioleringsstelsel in een toestand was geweest die kon weerstaan aan de wateroverlast bij hevige zomerse regenbuien met een terugkeerperiode van twee tot vijf jaar en dat onder «minder erg» moet worden verstaan dat de overstroming dan minder lang zou hebben geduurd en het water een minder hoog peil zou hebben bereikt in het overstroomde gebied;

– zonder het gebrek van het rioleringsstelsel de overstromingsdiepte en de overstromingsduur niet dezelfde zouden zijn geweest zoals dat nu het geval was;

– de extreme weersomstandigheden niet de enige oorzaak waren van de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan;

– om tot deze concrete schade te komen, ook het bestaan van het voormelde gebrek van het riolerings- en afwateringsstelsel vereist was.

De appelrechters die aldus vaststellen dat zonder het gebrek van de zaak die de eiseres onder haar bewaring had, de waterschade minder erg zou zijn geweest en deze enkele schade zich derhalve niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, zodat die waterschade in oorzakelijk verband staat met het gebrek van de zaak, verantwoorden naar recht hun beslissing om de eiseres tot volledig herstel te veroordelen.

Degene die op grond van art. 1384, eerste lid BW vergoeding vordert voor de schade die door een zaak werd veroorzaakt, moet enkel bewijzen dat de verweerder in het geding een gebrekkige zaak onder zijn bewaring heeft, dat hij schade heeft geleden en dat er tussen deze schade en het gebrek van de zaak een oorzakelijk verband bestaat. Het vermoeden van aansprakelijkheid dat alsdan op de bewaarder rust, kan alleen worden weerlegd als de bewaarder bewijst dat de schade niet aan het gebrek van de zaak, maar aan een vreemde oorzaak is te wijten.

De rechter die het bestaan van het gebrek van de zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW vaststelt, kan de bewaarder alleen dan van aansprakelijkheid ontslaan als hij aanneemt dat de schade ook zonder het gebrek waarmee de zaak was behept, zou zijn ontstaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan.

De bewaarder van een gebrekkige zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW is ertoe gehouden de door het gebrek van de zaak veroorzaakte schade te vergoeden. De schadelijder heeft in de regel recht op volledig herstel van de door hem geleden schade. Hiertoe is vereist dat de schade zich zonder het gebrek van de zaak niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan. Als verschillende oorzaken eenzelfde schade hebben veroorzaakt, is het voldoende, om tot volledig herstel gehouden te zijn, dat het gebrek van de zaak de omvang van de schade heeft vergroot, ook al zou het schadegeval zich zonder het gebrek van de zaak eveneens hebben voorgedaan, maar met mindere schade tot gevolg.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
864
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nrs. C.14.0468.N en C.14.0469.N

Vlaamse Milieumaatschappij t/ P.W.D. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 11 juni 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. Voeging

1. Beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd.

B. In de zaak C.14.0468.N

...

C. In de zaak C.14.0469.N

Eerste onderdeel

5. Hij die op grond van art. 1384, eerste lid BW vergoeding vordert voor de schade die door een zaak werd veroorzaakt, moet enkel bewijzen dat de verweerder in het geding een gebrekkige zaak onder zijn bewaring heeft, dat hij schade heeft geleden en dat er tussen deze schade en het gebrek van de zaak een oorzakelijk verband bestaat.

Het vermoeden van aansprakelijkheid dat alsdan op de bewaarder rust, kan alleen worden weerlegd als de bewaarder bewijst dat de schade niet aan het gebrek van de zaak, maar aan een vreemde oorzaak te wijten is.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

6. De appelrechters oordelen dat:

– de verweerders het bewijs leveren dat het rioleringsstelsel in kwestie op 13 en 14 september 1998 een van haar model afwijkend en abnormaal kenmerk vertoonde dat in bepaalde omstandigheden, zoals een zomerse stortbui gecombineerd met een hoge waterstand in de Schijncollector, schade door overstroming van woongebieden kon veroorzaken;

– de overstromingen in kwestie op 13 en 14 september 1998 te Merksem zijn ontstaan met waterschade aan gebouwen en huisraad tot gevolg, omdat de neerslag door dit gebrek niet of niet voldoende snel door de Ringcollector via de overstorten naar de Schijncollector kon worden afgevoerd.

7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat «uit geen van de vaststellingen van het arrest blijkt dat vooraf het vervuld zijn van de aansprakelijkheidsvoorwaarden werd aangenomen en met name dat de schade zoals ze is gebeurd, zich niet zou hebben voorgedaan zonder het gebrek», mist het feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

8. De rechter die het bestaan van het gebrek van de zaak vaststelt kan de bewaarder alleen dan van elke aansprakelijkheid ontslaan, wanneer hij aanneemt dat de schade ook zonder het gebrek waarmee de zaak was behept, zou zijn ontstaan zoals zij zich heeft voorgedaan.

9. De appelrechters oordelen dat:

– uit het IMDC-verslag blijkt dat de gevolgen van de gebeurtenissen van september 1998 minder erg zouden zijn geweest indien het rioleringsstelsel in een toestand was geweest die kon weerstaan aan de wateroverlast bij hevige zomerse regenbuien met een terugkeerperiode van twee tot vijf jaar; de betekenis van «minder erg» ligt dan in de omstandigheid dat de overstroming dan minder lang geduurd zou hebben en het water een minder hoog peil zou hebben bereikt in het overstroomde gebied;

– de extreme weersomstandigheden niet de enige oorzaak waren van de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan;

– om tot deze concrete schade te komen, ook het bestaan van het voormelde gebrek van het riolerings- en afwateringsstelsel vereist was.

10. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de extreme weersomstandigheden van 13 en 14 september 1998 niet de enige oorzaak waren van de schade van de verweerders zoals deze zich in concreto heeft voorgedaan en dat, om tot deze concrete schade te komen, ook het bestaan van het gebrek van het riolerings- en afwateringsstelsel vereist was, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

11. Krachtens art. 1384, eerste lid BW is men aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring heeft.

De bewaarder van de gebrekkige zaak is ertoe gehouden de door het gebrek van de zaak veroorzaakte schade te vergoeden en de schadelijder heeft, in de regel, recht op volledig herstel van de schade die hij heeft geleden.

Hierbij is vereist dat de schade zich zonder het gebrek van de zaak niet zou hebben voorgedaan, zoals die zich in concreto heeft voorgedaan.

Wanneer verschillende oorzaken eenzelfde schade hebben veroorzaakt, volstaat het, om tot volledig herstel gehouden te zijn, dat het gebrek van de zaak de omvang van de schade heeft vergroot, ook al zou het schadegeval zich zonder het gebrek van de zaak eveneens hebben voorgedaan, maar met mindere schade tot gevolg.

12. De appelrechters stellen vast dat de verweerders aanvoeren dat hun waterschade geringer zou zijn geweest zonder het gebrek van het rioleringsstelsel en dat zij wijzen op de toepassing van de equivalentieleer en besluiten dat de eiseres voor het geheel van hun schade moet instaan, ondanks de overmachtssituatie.

Zij oordelen dat:

– uit het IMDC-verslag blijkt dat de gevolgen van de gebeurtenissen van september 1998 minder erg zouden zijn geweest indien het rioleringsstelsel in een toestand was geweest die kon weerstaan aan de wateroverlast bij hevige zomerse regenbuien met een terugkeerperiode van twee tot vijf jaar en dat onder «minder erg» moet worden verstaan dat de overstroming dan minder lang zou hebben geduurd en het water een minder hoog peil zou hebben bereikt in het overstroomde gebied;

– zonder het gebrek van het rioleringsstelsel de overstromingsdiepte en de overstromingsduur niet dezelfde zouden zijn geweest zoals dat nu het geval was;

– de extreme weersomstandigheden niet de enige oorzaak waren van de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan;

– om tot deze concrete schade te komen, ook het bestaan van het voormelde gebrek van het riolerings- en afwateringsstelsel vereist was.

13. De appelrechters die aldus vaststellen dat zonder het gebrek van de zaak die de eiseres onder haar bewaring had, de waterschade minder erg zou zijn geweest en deze enkele schade zich derhalve niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, zodat die waterschade in oorzakelijk verband staat met het gebrek van de zaak, verantwoorden naar recht hun beslissing om de eiseres tot volledig herstel te veroordelen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

...
zie ook deze uitspraak op juridat

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/01/2018 - 17:52
Laatst aangepast op: zo, 28/01/2018 - 17:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.