-A +A

Vereffening verdeling van feitelijke samenwoning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 28/01/2016

De vereffening-verdeling van een feitelijke samenwoning kan geen teruggave inhouden van de bijdrage en kosten door de samenwoners gedaan in de huishouding. Bij deze vereffening-verdeling van onverdeelde eigendommen kunnen de ex feitelijke samenwoners dus niet terugkomen op gedane bijdragen in de huishouding, laat staan deze terugvorderen, behoudens voor manifest disproportionele bijdragen die er niet toe strekten  om die vermogensverschuiving definitief te laten toekomen aan de andere partner

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1052
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H. t/ D.

...

I. Relevante elementen

1. H. en D. zijn gewezen feitelijke samenwoners.

Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen. Er waren wel inwonende kinderen van D. uit een vorige relatie.

Hun samenwoningsrelatie duurde vanaf 2007 tot medio 2014, toen D. het gezamenlijke adres te I. heeft verlaten.

2. Aanvankelijk en meer precies in de loop van de jaren 2007-2012 waren H. en D. in OCMW-budgetbeheer. Het administratieve en financiële van de samenwoning verliep inzonderheid via een bankrekening bij bank D. (...) (op naam van D.), zo ook via een bankrekening bij bank I. (...).

Begin 2012 zijn zij toegelaten tot collectieve schuldenregeling, waarbij de inkomsten en uitgaven via een schuldbemiddelingsrekening bij bank I. (...) (op naam van H. en D.) verliepen, met doorstorting van het leefgeld op een bankrekening bij bank I. (...).

Naar aanleiding van de beëindigde samenwoningsrelatie is de schuldbemiddelingsrekening (...) gesplitst.

3. Het geding betreft de vermogensrechtelijke gevolgen van de gewezen samenwoningsrelatie.

II. Oorspronkelijke vorderingen

1. Met haar bij dagvaarding van 8 oktober 2014 ingestelde hoofdvordering beoogt D. de afgifte van een aantal roerende goederen met een waarde van in totaal minstens 5.500 euro en dit (1) onder verbeurte van een dwangsom en/of (2) met machtiging om de goederen bij H. op te halen.

Subsidiair beoogt D. de terugbetaling van de aankoopwaarde van de goederen ten bedrage van minstens 5.500 euro.

Voorts vraagt D. de regularisatie van een gsm-abonnement, met een verbod voor H. om facturatie en betalingsverplichtingen via D. of haar kinderen te laten verlopen.

2. H. neemt conclusie tot afwijzing van de hoofdvordering van D.

Bij wijze van tegenvordering wil H. een notaris-vereffenaar doen aanwijzen met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling in de zin van de artt. 1207 e.v. Ger.W., na inventarisatie van de bedoelde roerende goederen.

Subsidiair wil H. een verrekening omtrent de onverdeelde roerende goederen doen doorvoeren.

III. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 24 november 2015 beveelt de Familierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de afgifte van twee concreet omschreven roerende goederen (onder verbeurte van een dwangsom) dan wel een vervangende schadevergoeding ten bedrage van 1 euro (provisioneel).

De beoogde regularisatie van het gsm-abonnement (met een verbod voor H. om facturatie en betalingsverplichtingen via D. of haar kinderen te laten verlopen) wordt afgewezen, omdat het gebeurlijk strafrechtelijk beteugelde handelingen behelst en er andere kanalen zijn om die te bestrijden.

Voorts beveelt de familierechtbank de gerechtelijke vereffening-verdeling van een aantal onverdeelde roerende goederen, met inbegrip van een personenvoertuig C., voor zover de exclusieve eigendom daarvan niet wordt bewezen, met aanwijzing van notaris V. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W.

De familierechtbank preciseert dat, voor zover D. haar exclusieve eigendom van het personenvoertuig C. niet bewijst en zij dit voertuig alleen gebruikt, de notaris-vereffenaar een gebruiksvergoeding ten behoeve van H. moet bepalen.

...

IV. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 december 2015 stelt H. beperkt hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis, in essentie een verruimde opdracht van de aangewezen notaris-vereffenaar.

...

2. D. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

V. Beoordeling

...

2. In tegenstelling tot het huwelijk en de wettelijke samenwoning bestaat er geen statuut met rechten en plichten voor partners die louter feitelijk samenwonen. Zowel wat hun persoonlijke verhouding betreft als wat hun vermogensrechtelijke verhouding betreft speelt, bij gebrek aan een specifieke contractuele regeling, zonder meer het (aanvullende) gemene recht. Zij kiezen voor een niet-geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm met alle vrijheid, risico’s en gevolgen van dien.

3. Gedurende hun samenwoningsrelatie legden H. en D. als feitelijk samenwonende partners een welbepaald bestedingspatroon aan de dag, waarbij hun feitelijke gezin diverse huishoudelijke en aanverwante schulden, kosten en lasten moest dragen. Als partners werd van hen verwacht dat zij, op basis van een tussen hen verondersteld solidariteitsgevoel, elk naar best vermogen en in verhouding tot hun (financiële) middelen en mogelijkheden bijdroegen in de dagelijkse en periodieke kosten en behoeften van hun gezamenlijke huishouding.

Deze solidariteitsgedachte uitte zich aldus in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van de huishouding, gelet op de respectieve inkomsten en/of de in natura gepresteerde (huishoudelijke) taken. H. en D. hebben vrij gekozen op welke wijze zij de solidariteit binnen hun feitelijk gezin organiseerden. De lasten en dienovereenkomstige uitgaven die hun samenleven meebracht, werden door beide partners ad hoc geregeld, naargelang van de omstandigheden van het feitelijke samenleven. Zij kunnen daarop niet meer terugkomen. De betalingen door hen verricht moeten worden geacht elkaar te hebben gecompenseerd, als een feitelijke steun en hulp aan elkaar. Feitelijk samenwonende partners bepalen zelf hoe zij elkaar helpen en bijdragen in de lasten van het samenleven. De solidariteitsverplichtingen tussen de partners kunnen worden uitgevoerd door het vervullen van huishoudelijke taken en niet noodzakelijk door financiële bijdragen.

De vrijwillige uitvoering van de natuurlijke verbintenis om bij te dragen in de lasten van het feitelijke gezin, verhindert latere vergoedingsaanspraken.

4. Zoals reeds aangegeven:

– verliep het administratieve en financiële luik van de gewezen samenwoning inzonderheid via een bankrekening bij bank D. (...), zo ook via een bankrekening bij bank I. (...);

– zijn H. en D. begin 2012 toegelaten tot collectieve schuldenregeling, waarbij de inkomsten en uitgaven via een schuldbemiddelingsrekening bij bank I. (...) verliepen, met doorstorting van het leefgeld op een bankrekening bij bank I. (...);

– is de schuldbemiddelingsrekening bij bank I. (...) gesplitst naar aanleiding van de beëindigde samenwoningsrelatie.

H. beweert dat hij gedurende de samenwoningsrelatie een aantal lening- en andere schulden (mede) heeft voldaan, zodat hij disproportioneel heeft bijgedragen in de lasten van de gewezen feitelijke samenwoning. Ook na de samenwoningsrelatie zou hij nog (mede) verder aflossen.

H. beweert meer precies dat zijn inkomsten, naarmate ze gedurende de feitelijke samenwoning zijn terechtgekomen op de bankrekening bij bank D. (...) en de bankrekening bij bank I. (...), mede hebben gediend tot aflossing van persoonlijke schulden van D.

H. blijft evenwel in gebreke concreet en op afdoende gestoffeerde wijze aan te tonen welke persoonlijke schulden van D., die derhalve los zouden staan van de samenwoningsrelatie, hij (mede) zou hebben voldaan.

Het is voorts niet aangetoond dat D. niet naar best vermogen en in verhouding tot haar mogelijkheden en middelen, door de uitvoering van betalingen en taken heeft bijgedragen in de lasten van de feitelijke samenwoning. Evenmin is aangetoond dat de bijdragen van H., gelet op het consumptiepatroon van de partijen, de bedoelde solidariteit en hun affectieve relatie, de normale lasten van de feitelijke samenwoning hebben overschreden.

In zoverre H. al enigszins disproportioneel zou hebben bijgedragen in de lasten van de gewezen feitelijke samenwoning om op die manier zijn bijdrage in de normale lasten van de feitelijke samenwoning te hebben overschreden, was het in de voorliggende context van gezamenlijke aankopen (gebeurlijk enkel op naam van D.) en vermogensvermenging blijkbaar hoe dan ook de wil van H. om de bedoelde vermogensverschuiving definitief te laten toekomen aan D.

5. Om die reden kan het hof bezwaarlijk ingaan op het hoger beroep van H., die een verruimde opdracht van de door de eerste rechter aangewezen notaris-vereffenaar beoogt.

H. wil tevergeefs door middel van een verruimde opdracht van de aangewezen notaris-vereffenaar en via verrekeningen/vergoedingen terugkomen op zijn gedane bijdrage in de lasten van de gewezen samenwoning. In zoverre die bijdrage al enigszins disproportioneel zou zijn, was het klaarblijkelijk de bedoeling om die vermogensverschuiving definitief te laten toekomen aan D.

Het beroepen vonnis verdient derhalve bevestiging, (ook) in zoverre de eerste rechter de gerechtelijke vereffening-verdeling beveelt (enkel) van een resem onverdeelde roerende goederen, met inbegrip van een personenvoertuig C. voor zover de exclusieve eigendom daarvan niet wordt bewezen, met (1) aanwijzing van notaris V. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W. en (2) de precisering dat, voor zover D. haar exclusieve eigendom van het personenvoertuig C. niet bewijst en zij dit voertuig alleen gebruikt, de notaris-vereffenaar een gebruiksvergoeding ten behoeve van H. moet bepalen.

De eerste rechter overweegt daarbij (terecht) dat D., gelet op de context van gezamenlijke aankopen (gebeurlijk enkel op naam van D.) en vermogensvermenging, ondanks bepaalde stukken niet afdoende bewijst dat de aangegeven roerende goederen haar exclusieve eigendom zijn, los van de twee concreet omschreven roerende goederen die H. bereid is af te geven.

Het (beperkte) hoger beroep slaagt niet.

...

Noot: 

Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 15:43
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.