-A +A

Vereffening-Verdeling eerst huwgemeenschap dan nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 03/01/2017
A.R.: 
2015/AR/1060)

Het finaal verrekenbeding is een clausule die in hoofdzaak wordt overeengekomen tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van “scheiding van goederen”. Het is een huwelijksvermogensrechtelijk beding, waarbij echtgenoten voorzien in een verbintenisrechtelijke verrekening op het afgesproken ogenblik met betrekking tot het geheel of een gedeelte van hun niet-gemeenschappelijk vermogen en volgens een overeengekomen verdeelsleutel.

De vermogensrechtelijke verhoudingen tussen echtgenoten worden beheerst enerzijds door het huwelijksvermogensrecht (dat de vermogensrechtelijke gevolgen tussen de echtgenoten onderling en tegenover derden regelt, zowel tijdens het huwelijk als bij de beëindiging ervan) en anderzijds door het erfrecht (dat de wijze regelt waarop het vermogen van de overleden echtgenoot wordt verdeeld onder zijn rechtsopvolgers).

Indien het huwelijk wordt ontbonden door overlijden, zal zowel een huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling gebeuren als een erfrechtelijke vereffening en verdeling.

In eerste instantie moet de huwelijksvermogensrechtelijke vereffening-verdeling of vereffening-verrekening plaatsvinden; pas na deze verrichting kan de nalatenschap van de overleden echtgenoot gevormd worden en kan de vereffening-verdeling van deze nalatenschap plaatsvinden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
699
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Het Vlaamse Gewest / M.C., V.T., V.G., V.B. - Rolnr.: 2015/AR/1060)

1. De feiten
(…)

2. De voorafgaande procedure
(…)

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
(…)

4. Beoordeling
4.1. Het finaal verrekenbeding
4.1.1. Het finaal verrekenbeding is een clausule die in hoofdzaak wordt overeengekomen tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van “scheiding van goederen”. Het is een huwelijksvermogensrechtelijk beding, waarbij echtgenoten voorzien in een verbintenisrechtelijke verrekening op het afgesproken ogenblik met betrekking tot het geheel of een gedeelte van hun niet-gemeenschappelijk vermogen en volgens een overeengekomen verdeelsleutel.

De vermogensrechtelijke verhoudingen tussen echtgenoten worden beheerst enerzijds door het huwelijksvermogensrecht (dat de vermogensrechtelijke gevolgen tussen de echtgenoten onderling en tegenover derden regelt, zowel tijdens het huwelijk als bij de beëindiging ervan) en anderzijds door het erfrecht (dat de wijze regelt waarop het vermogen van de overleden echtgenoot wordt verdeeld onder zijn rechtsopvolgers).

Indien het huwelijk wordt ontbonden door overlijden, zal zowel een huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling gebeuren als een erfrechtelijke vereffening en verdeling.

In eerste instantie moet de huwelijksvermogensrechtelijke vereffening-verdeling of vereffening-verrekening plaatsvinden; pas na deze verrichting kan de nalatenschap van de overleden echtgenoot gevormd worden en kan de vereffening-verdeling van deze nalatenschap plaatsvinden.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 10 december 2010 uitdrukkelijk de primauteit van de huwelijksvermogensrechtelijke verrichtingen op de vorming van de nalatenschap (en de vereffening-verdeling ervan) bevestigd.

Het Hof stelt onder meer: “Het verblijvingsbeding is een huwelijkscontract, dat het volledige gemeenschappelijke vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel 'om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen.” (Cass. 10 december 2010, RW 2010-11, 1436).

In ieder verrekenbeding moeten nauwkeurig de verrekenmassa, de verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten bepaald worden.

De verrekenmassa is de massa waarop de verrekening zal gebeuren. Alle goederen kunnen in de verrekenmassa betrokken worden, dan wel een (concreet of een abstract) deel ervan.

In de verrekenmassa kan enkel het niet-gemeenschappelijk vermogen opgenomen worden; het is irrelevant of dit eigen vermogen onverdeeld of niet onverdeeld is.

De verrekensleutel bepaalt de omvang van de verrekenvordering. Het kan gaan om een verrekening bij helften, een ongelijke verrekening (5/95, 10/90, …) of een verrekening 0/100.

De echtgenoten kunnen om het even welke verrekensleutel vastleggen.

Het verrekentijdstip is het ogenblik waarop de echtgenoten wensen te verrekenen; zij kunnen overeenkomen om periodiek tot verrekening over te gaan, dan wel finaal; het kan een welbepaald ogenblik zijn, alsook een bepaalbaar ogenblik (bij ontbinding van het stelsel door overlijden of door echtscheiding).

De verrekenmodaliteiten zijn het geheel van contractuele uitwerkingen die de echtgenoten aan het verrekenbeding koppelen, zoals de modaliteiten met betrekking tot de wijze waarop de verrekenvordering moet worden voldaan, binnen welke termijn, eenzijdig of wederkerig, verplicht of optioneel.

4.1.2. In deze is er sprake van een optioneel finaal verrekenbeding 0/100 met betrekking tot de aanwinsten. In een dergelijk finaal verrekenbeding wordt door de echtgenoten bedongen dat bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (meestal enkel door overlijden) op die wijze wordt afgerekend dat de schuld van de eerst overleden echtgenoot en de vordering van de langstlevende echtgenoot gelijk zullen zijn aan de nettowaarde van het aanwinstenvermogen van de eerst overledene. Wanneer de echtgenoot overlijdt, heeft de langstlevende de keuze of hij/zij het finaal verrekenbeding wil laten spelen en zo ja, tot beloop van welk deel.

Dit betekent dus in casu dat:

de verrekenmassa bestaat uit alle aanwinsten van de eerst overleden echtgenoot;
het verrekentijdstip het overlijden van een echtgenoot is;
de verrekensleutel 0/100 bedraagt; en
de verrekenmodaliteiten onder meer inhouden dat het verrekenbeding optioneel en wederkerig is.
4.1.3. Het hof oordeelt dat een finaal verrekenbeding bij overlijden een overeenkomst is op het niveau van het huwelijksvermogen en dus een huwelijksovereenkomst is.

Het finaal verrekenbeding is een huwelijksvoordeel.

In zijn arrest van 23 november 2005 oordeelt het toenmalige Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) dat huwelijksvoordelen voordelen zijn “die voor echtgenoten ontstaan uit de wijze van samenstelling, werking en verdeling van het gekozen huwelijksstelsel” (…).

“Huwelijksovereenkomsten worden geacht, op onweerlegbare wijze, onder bezwarende titel te zijn aangegaan, zodat voordelen die uit die overeenkomsten voortvloeien niet als een schenking worden beschouwd.” Het Hof maakt hierbij geen onderscheid tussen gemeenschapsstelsels en stelsels van scheiding van goederen (Arbitragehof 23 november 2005, nr. 170/2005).

4.1.4. De argumenten die door de administratie worden aangehaald doen niets af aan de kwalificatie van het verrekenbeding, zoals hiervoor uiteengezet.

In haar analyse van het verrekenbeding stelt de administratie terecht dat men bij een stelsel van scheiding van goederen gaat doen “alsof” er een gemeenschappelijk vermogen is en dat een interne correctie wordt doorgevoerd waarbij de eigendomstitel van de goederen niet wordt gewijzigd, maar enkel in de verhouding tussen de echtgenoten een verbintenisrechtelijke vergoedingsregeling wordt tot stand gebracht.

Het verrekenbeding is een beding op het niveau van de vereffening en verrekening van het huwelijksvermogensstelsel. Om te weten uit welke goederen en schulden de nalatenschap bestaat, moet eerst het huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen vereffend en verrekend worden en moet meer bepaald het verrekenbeding uitgevoerd worden. De samenstelling van de nalatenschap wordt dus ontegensprekelijk beïnvloed door de vereffening-verrekening van het huwelijksvermogensstelsel. De verbintenisrechtelijke verrekening, volgend uit de wijziging van het huwelijkscontract, gaat de samenstelling van de nalatenschap vooraf.

Het louter verbintenisrechtelijk karakter van het verrekenbeding verhindert niet dat het verrekenbeding een huwelijksovereenkomst is, die moet uitgevoerd worden voor de vereffening-verdeling van de nalatenschap. De nalatenschap kan in dat geval enkel worden samengesteld (actief en passief) en de successierechten kunnen enkel worden berekend en geheven, nadat de huwelijksovereenkomst is uitgevoerd en indien deze optioneel is, nadat de optie is gelicht.

Het argument van de administratie van de fiscale bezitsvoortzetting is dan ook niet relevant omdat deze regel enkel stelt dat de vereffening-verdeling van de nalatenschap geen invloed heeft op de heffing van de successierechten, doch niet zegt dat de vereffening-verdeling of -verrekening van het huwelijksvermogensstelsel geen invloed heeft op de heffing van de successierechten.

4.2. Het ontstaan van de verrekenschuld
4.2.1. Volgens de administratie is het verrekenbeding een optionele verbintenis met een alternatief karakter, waarbij de keuze die de langstlevende echtgenoot maakt geen terugwerkende kracht heeft. De schuld zou dus pas ontstaan op het ogenblik dat de keuze wordt gemaakt, dus na het overlijden. Vermits de schuld niet bestaat op het ogenblik van het overlijden, kan er volgens de administratie geen rekening mee gehouden worden bij de berekening en de heffing van de successierechten (art. 27 W.Succ.).

4.2.2. Artikel 27 W.Succ. somt de categorieën van aannemelijke schulden op. In principe komen alle schulden van de overledene op de dag van diens overlijden in aanmerking als aannemelijk passief. Bij het overlijden moet vaststaan dat de erfopvolgers de schuld zullen moeten dragen. Bestaande schulden zijn verbintenissen die de overledene voor zijn overlijden heeft aangegaan of die in zijn hoofde zijn ontstaan en die nog bestaan op de dag van het overlijden. De schuld moet zeker en definitief zijn (H. Casier, “Successierechten” in Comm.Erf., Mechelen, Kluwer, 2012, 94, nr. 106).

Schulden onder opschortende voorwaarde of eventuele schulden, dit zijn schulden die op het tijdstip van het openvallen van de nalatenschap een definitieve verbintenis uitmaken van de overledene, doch waarvan de uitwerking afhangt van een toekomstige onzekere gebeurtenis, mogen pas als passief aangenomen worden wanneer de toekomstige onzekere gebeurtenis heeft plaatsgevonden (H. Casier, o.c., p. 57, nr. 59 en 9.95-96, nrs. 108-109; J. Decuyper, Successierechten 2012-2013, Mechelen, Kluwer, 2012, 545-546; J. Ruysseveldt, Successierechten, Mechelen, Kluwer, 2012, 172).

Bij de vervulling van de voorwaarde na het overlijden bestaat er een recht op teruggave.

Uit de samenhang van de artikelen 27 en 135, 4° W.Succ. blijkt dat de schulden die niet zeker en definitief zijn op de dag van het overlijden, toch als passief van de nalatenschap kunnen aanvaard worden ingeval deze schulden voortvloeien uit een verbintenis die op datum van het overlijden bestaat, maar slechts actueel wordt door een voorwaarde of voorval die intreedt na het overlijden.

4.2.3. In deze betreft de litigieuze schuld de verbintenis, voortvloeiend uit een optioneel finaal verrekenbeding tussen echtgenoten, gehuwd met scheiding van goederen, en dat louter verbintenisrechtelijke gevolgen heeft en geen zakenrechtelijke.

De verrekenschuld vindt haar oorzaak en oorsprong in de wijziging van het huwelijkscontract en is dus voor het overlijden van de eerst overleden echtgenoot ontstaan. Op het ogenblik van de wijziging van het huwelijkscontract gaat elke echtgenoot een schuld aan, al naar gelang de specifieke toepassingsvoorwaarden van het beding, onder een opschortende voorwaarde of onder een opschortende termijn. De verrekenvordering en de verrekenschuld ontstaan in het huwelijkscontract of in de akte tot wijziging ervan, zij het dat de schuld is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de echtgenoot-schuldenaar eerst overlijdt en dat de langstlevende echtgenoot de optie licht. De schuld ontstaat met andere woorden voor het overlijden, maar zij is voorwaardelijk en wordt slechts definitief, bepaald en opeisbaar als de optie wordt gelicht en dus na het overlijden. De verwezenlijking van de modaliteit heeft enkel de opeisbaarheid van de bedongen schuld tot gevolg.

De omvang van de schuld is niet ab initio bepaald, maar is wel bepaalbaar. Aan de hand van de verrekenmassa en de verrekensleutel die in de akte houdende wijziging van het huwelijkscontract zijn opgenomen, kan het bedrag van de verrekenvordering/verrekenschuld bij de verwezenlijking van de bedongen modaliteit (in casu het overlijden van de eerst stervende) precies bepaald worden. Het feit dat de langstlevende een optierecht heeft met betrekking tot de vereffening-verrekening van het huwelijksvermogensstelsel verandert hier niets aan. De uitoefening van het optierecht doet immers de schuld niet ontstaan, maar bepaalt wel de omvang ervan.

Fiscaal kan er met een schuld onder opschortende voorwaarde geen rekening gehouden worden. Maar als na het openvallen van de nalatenschap, de samenstelling van de nalatenschap verminderd wordt “door het intreden van een voorwaarde”, kan bij toepassing van artikel 135, 4° W.Succ. teruggave gevraagd worden van de te veel betaalde successierechten. Daarvoor moet wel een aangifte ingediend worden.

Doch indien de optie wordt gelicht en de voorwaarde wordt vervuld voor het indienen van de originele aangifte, wordt de verrekenschuld in deze originele aangifte verwerkt en is de verrekenschuld dan de facto wel aftrekbaar van het actief, zoals in deze.

4.3. Het bewijs van de verrekenschuld
4.3.1. Het bewijs van het bestaan van de verrekenschuld wordt geleverd door de akte van 2 maart 2012 houdende wijziging van het huwelijkscontract met toevoeging aan het stelsel van scheiding van goederen van een verrekenbeding. Ook de modaliteiten van het finaal verrekenbeding zijn in deze akte uitgewerkt (massa, sleutel, tijdstip, modaliteiten).

4.3.2. De administratie beroept zich ten onrechte op artikel 33 W.Succ. om de verrekenschuld als passief te verwerpen.

Zoals reeds uiteengezet, is de verrekenschuld geen schuld die ontstaat als gevolg van de vereffening en verdeling van de nalatenschap, maar vloeit ze voort uit de vereffening-verrekening van het huwelijksvermogensstelsel die voorafgaat aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Het betreft geen schuld van de nalatenschap.

Het hof oordeelt dat zowel het bestaan als de omvang van de schuld uit het verrekenbeding bewezen zijn. Dit bewijs wordt geleverd door de samenlezing van het gewijzigde huwelijkscontract van 2 maart 2012, de vermeldingen in de aangifte van nalatenschap en de verrekenstaat opgesteld door notaris W. V. op 5 maart 2015.

Bovendien blijkt uit de voorgelegde stukken dat eerste verweerster in hoger beroep, mevrouw C.M., ook effectief in het bezit is gesteld van de tegoeden van de nalatenschap, zodat de schuld ook daadwerkelijk is uitgevoerd.

4.4. Het terug te vorderen bedrag en de interesten
(…)

Ingevolge het decreet van 19 december 2014 (BS 29 januari 2015) is - met uitzondering van enkele bepalingen - het (Vl.) W.Succ. vanaf 1 januari 2015 opgeheven en ingelijfd in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (“VCF”).

Krachtens artikel 3.9.2.0.1, derde lid, moeten geen moratoriuminteresten betaald worden bij de terugbetaling van de erfbelasting (voorheen successierechten) tenzij de terugbetaling het gevolg is van een vergissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Bij gebrek aan specifieke overgangsbepalingen is het gemeen recht inzake de toepassing van de (fiscale) wet in de tijd van toepassing.

Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (art. 2 BW).

Dit betekent dat verweerders in hoger beroep bij toepassing van artikel 142 W.Succ. tot 31 december 2014 aanspraak kunnen maken op moratoire interesten, doch dat zij bij toepassing van artikel 3.9.2.0.1, derde lid VCF vanaf 1 januari 2015 slechts aanspraak kunnen maken op moratoire interesten indien zij aantonen dat de terugbetaling van de successierechten/erfbelasting het gevolg is van een vergissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie (bv. wanneer de belastingplichtige na betaling gelijk krijgt in de bezwaarfase of voor de rechter).

Uit de stukken blijkt dat het registratiekantoor de verrekenvordering die vermeld stond onder de passiva van de nalatenschap heeft verworpen en betalingsberichten heeft verstuurd voor de aldus verschuldigde successierechten. De erfgenamen hebben de verschuldigde bedragen vereffend onder voorbehoud. Er is dan ook geen sprake van vrijwillige betalingen van provisies.

Het hof oordeelt dat er wel degelijk sprake is van een vergissing in hoofde van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en dat verweerders in hoger beroep dus ook aanspraak kunnen maken op moratoriuminteresten vanaf 1 januari 2015.

4.5. Besluit
Het verrekenbeding zoals geformuleerd in de akte houdende wijziging van het huwelijkscontract van de echtgenoten V.-M. van 2 maart 2012 is volkomen rechtsgeldig en toepasbaar. De verrekenvordering van eerste verweerster in hoger beroep mevrouw C.M. is terecht in aftrek gebracht van het actief van de nalatenschap van wijlen de heer J.V. en ingevolge deze terechte aftrek zijn geen successierechten verschuldigd op deze nalatenschap (met uitzondering van de rechten verschuldigd op de fictieve legaten).

De eerste rechter heeft eiser in hoger beroep terecht veroordeeld tot de betaling van de moratoire interesten op de betaalde bedragen aan de wettelijke interestvoet vanaf de neerlegging van het (eerste) inleidende verzoekschrift tot de dag van algehele betaling.

Het hoger beroep is ongegrond.

Het Vlaamse Gewest dient, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

5. Beslissing
(…)

Noot: 

Gabriël, P., « Verrekenschuld bij een optioneel finaal verrekenbeding (wederom) aanvaard », R.A.B.G., 2017/9, p. 705-712

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 12:32
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 12:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.