-A +A

Vereffening en verdeling geschillen bevoegdheid notaris

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 04/02/2016

Zodra een of meer deelgenoten dagvaarden tot uitonverdeeldheidtreding en vereffening-verdeling neemt de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de (oude) artt. 1207 e.v. Ger.W.) een aanvang.

In deze procedure krijgt de notaris-vereffenaar een cruciale rol toebedeeld. De door de rechtbank aangewezen notaris-vereffenaar leidt als gerechtelijke opdrachthouder de procedure van vereffening-verdeling. De notaris-vereffenaar is de zogeheten «eerste rechter» in de oplossing van de geschillen tussen de partijen.

De reden daarvoor is dat de notaris de specialist bij uitstek is van het familiale vermogensrecht. Hij heeft daarenboven een grondige kennis van de immobiliënmarkt. Hij geniet het vertrouwen van het publiek. Heel vaak is hij vertrouwd met de familiale achtergrond van de partijen bij de gerechtelijke verdeling, wat soms pleit voor de aanwijzing van de familienotaris tot notaris-vereffenaar. Tot slot worden in de beslotenheid van een notariskantoor heel vaak problemen opgelost die de partijen niet zo graag in de zittingszaal van de rechtbank zien terechtkomen.

De notaris heeft een actieve bemiddelende en verzoenende rol in de vereffening-verdeling. 

In de beslotenheid van een notariskantoor komen onder leiding van een actieve, bemiddelende notaris-vereffenaar vaak akkoorden, minstens deelakkoorden tot stand.

Deze doelstellingen en de bijzondere plaats van de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke vereffening-verdeling brengen mee dat eenmaal de notaris-vereffenaar is aangewezen, alle geschillen binnen de vereffening-verdeling eerst aan hem moeten worden voorgelegd. Het aanwijzingsvonnis is immers een eindvonnis: het geschil betreffende de verdeling is niet meer bij de rechtbank aanhangig, de zaak is aan de rechtbank onttrokken. De notaris-vereffenaar zal over alle punten die de partijen verdelen, zowel in feite als in rechte, standpunt dienen in te nemen.

Enkel in geval van blijvende betwisting geeft de notaris-vereffenaar het laatste woord aan de rechtbank (terug). Betwistingen over de staat van vereffening-verdeling worden door de notaris-vereffenaar met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W. (of thans het nieuwe art. 1223, § 3 Ger.W.) bij de rechter aanhangig gemaakt door neerlegging ter griffie van de vereiste notariële akten en in het bijzonder de betwiste vereffeningsstaat en het proces-verbaal van bezwaren met het notariële advies. Deze specifieke wijze van saisine van de rechtbank spoort met de geschetste unieke rol van de notaris-vereffenaar.

Tijdens de vereffening-verdeling kunnen reeds vrij snel bepaalde geschillen opduiken die het de notaris-vereffenaar onmogelijk maken op een zinnige wijze een staat van vereffening-verdeling op te stellen. Stelt hij toch een staat op, dan riskeert de notaris-vereffenaar, bij een andere beoordeling door de rechtbank op het einde van de rit, zijn hele vereffeningswerk te mogen overdoen. Hier creëerde de rechtspraak een elegante oplossing door de notaris-vereffenaar met analoge toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W. toe te laten ook tussentijds essentiële geschillen op dezelfde wijze bij de rechtbank aanhangig te maken.

Ook hier houden (wetgever,) rechtspraak en rechtsleer de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in balans. Het initiatiefrecht tot het opstellen van een dergelijk tussentijds proces-verbaal komt (eveneens) uitsluitend aan de notaris-vereffenaar toe, terwijl de rechtbank de opportuniteit en de noodzaak van haar voortijdse tussenkomst (en gebeurlijk het tussengeschil) zal beoordelen (Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318). In de lijn van dit evenwicht en teneinde vertragingsmaneuvers tegen te gaan, is het in de regel aan de partijen, zelfs in onderling akkoord, niet toegelaten zelf de rechtbank op een andere wijze te adiëren. Andere wijzen van rechtsingang, zoals bij een dagvaarding of conclusie, kunnen niet en stuiten op een niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Rijzen evenwel reeds van in het begin, bv. naar aanleiding van de aangifte van nalatenschap of tijdens de voorafgaande (mislukte) poging tot minnelijke vereffening-verdeling, welomlijnde twistvragen met een determinerende invloed op de vereffening-verdeling, dan kan het vanuit proceseconomisch oogpunt nuttig zijn dat de partijen deze geschillen reeds aan de rechtbank kunnen voorleggen nog voordat de notaris-vereffenaar aan het werk gaat. Het oude (en nieuwe) art. 1209, eerste lid BW biedt de partijen deze mogelijkheid: de rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is bewezen.

Aldus kunnen de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffeningsprocedure hun geschilpunten reeds aan de (vereffenings)rechter voorleggen.

Ook hier blijven de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in evenwicht, met oog voor het sui generis-karakter van de gerechtelijke vereffening-verdeling en de proceseconomie. De rechtbank kan de haar voorgelegde geschillen reeds beslechten. Zij kan de oplossing van een of meer van de haar voorgelegde geschillen evengoed uitstellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling en zo de geschetste centrale rol van de notaris-vereffenaar bij de gerechtelijke vereffening-verdeling ten volle laten spelen.

Dit is een discretionaire, soevereine bevoegdheid van de rechtbank. De keuze om het geschil al dan niet steeds (voorafgaandelijk aan de notariële werkzaamheden en zonder het advies van de notaris-vereffenaar) te beslechten, ligt uitsluitend bij de rechtbank, niet bij de partijen (Antwerpen 12 mei 2004, T.Not. 2007, 11).

Enkel art. 1209, eerste lid BW biedt de partijen in de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de regel) het enige moment waarop zij dergelijke geschillen zelf aan de rechtbank kunnen voorleggen. Daarbij is het van primordiaal belang dat de beslechting van deze geschillen in de gedinginleidende dagvaarding wordt gevraagd. Jammer genoeg wordt van deze mogelijkheid in de praktijk onvoldoende gebruik gemaakt ). Worden in het raam van art. 1209, eerste lid Ger.W. geen geschillen aan de rechtbank voorgelegd of stelt de rechtbank de behandeling ervan uit, dan is de zaak niet meer aanhangig bij de rechtbank. De zaak is ingevolge het aanwijzingsvonnis in handen van de notaris-vereffenaar.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
988
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.B.

...

Ten gronde

1. Zowel voor de eerste rechter als thans voor het hof werpen Pierre D.B. en Jozef D.B. (grotendeels) de niet-ontvankelijkheid op van de vorderingen van V.M. en de dochters V.R. tot herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998.

Pierre D.B. argumenteerde reeds bij conclusie voor de eerste rechter dat de vordering van V.M. en de dochters V.R. tot herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 kadert in de globale gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van Joseph D.B. Hij wijst op het beginsel «non bis in idem». Zodoende kunnen V.M. en de dochters V.R., gelet op de dagvaarding van 14 april 2008 en het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van Joseph D.B., deze vordering tot herroeping niet afzonderlijk en wars van de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling instellen, aldus Pierre D.B.

Pierre D.B. vervolgt dat een en ander (eerst) in het raam van de werkzaamheden van de gerechtelijke vereffening-verdeling zal moeten worden beoordeeld, omdat inmiddels en meer precies bij vonnis van 13 januari 2011 een notaris-vereffenaar werd aangewezen.

Ook Jozef D.B. gaf reeds bij conclusie voor de eerste rechter aan dat de interpretatie van de litigieuze schenking(en) van 16 maart 1998 en (o.m.) meer concreet de toestemming van V.M. overeenkomstig art. 918, tweede lid BW, als centraal discussiepunt rijst in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van Joseph D.B.

Zelfs V.M. en de dochters V.R. opperen voor de eerste rechter dat het vruchtgebruik van V.M. als langstlevende echtgenote op de bedoelde acht overige certificaten een zuiver juridische discussie is. Zij vervolgen dat het al dan niet aanwezig zijn van een verboden erfovereenkomst in de bedoelde schenkingsakte (gelet op de toestemming overeenkomstig art. 918, tweede lid BW) zelfs ambtshalve door de rechter moet worden opgeworpen. Zij geven zelf aan dat deze discussiepunten in het raam van de bedoelde gerechtelijke vereffening-verdeling zullen moeten worden uitgeklaard.

2. De bepalingen inzake de rechterlijke organisatie alsook die betreffende de gerechtelijke vereffening-verdeling, raken de openbare orde. Zodoende dient het hof, zelfs ambtshalve maar met naleving van het recht van verdediging van de partijen, te onderzoeken of het kan kennis nemen van het voorgelegde geschil. De gerechtelijke verdeling zoals opgevat door het Gerechtelijk Wetboek is een logische, rigoureuze en volmaakt gestructureerde procedure die als zodanig dient te worden gevolgd en waarvan niet kan worden afgeweken. De taken van de rechtbank enerzijds en de notaris-vereffenaar anderzijds zijn in het gerechtelijk Wetboek systematisch afgelijnd (Luik 24 oktober 1986, JT 1987, 7).

In de lijn van de uitvoerige bespreking ter terechtzitting van 26 november 2015 rijst aldus allereerst de cruciale vraag of V.M. en de dochters V.R. de vorderingen tot herroeping en nietigverklaring van de schenking(en) van 16 maart 1998 op ontvankelijke wijze konden instellen, (telkens) bij aparte dagvaarding los van de voordien reeds ingestelde procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling.

Daarbij staat buiten kijf dat de betwisting betreffende de geldigheid en de ontbinding van een rechtshandeling van de decujus en hier meer precies de nietigverklaring en herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 van Joseph D.B. een geschil is binnen de vereffening-verdeling van zijn nalatenschap.

3. Zodra een of meer deelgenoten dagvaarden tot uitonverdeeldheidtreding en vereffening-verdeling neemt de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de (oude) artt. 1207 e.v. Ger.W.) een aanvang. In casu hebben V.M. en de dochters V.R. hiertoe het startschot gegeven met de dagvaarding van 14 april 2008.

4. Reeds sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek (Verslag Van Reepinghen, Parl.St. Senaat, 1963-64, nr. 60, p. 273 e.v.) en nog meer sinds de wet van 13 augustus 2011 «houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling» (BS 14 september 2011, in werking op 1 april 2012) (wetsvoorstel houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, Parl.St. Senaat 2010-2011, nr. 5 405/1, p. 3) krijgt de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke vereffening-verdeling een cruciale rol toebedeeld. De rechtspraak en rechtsleer beamen deze centrale functie van de notaris-vereffenaar meer en meer volmondig. De door de rechtbank aangewezen notaris-vereffenaar leidt als gerechtelijke opdrachthouder de procedure van vereffening-verdeling. De notaris-vereffenaar is de zogeheten «eerste rechter» in de oplossing van de geschillen tussen de partijen (Antwerpen 23 december 1987, RNB 1988, 431; C. Engels, Procesrecht in verband met het notariaat, Brugge, die Keure, 2010, 169-170; Ph. De Page en I. Destefani (eds.), Liquidation et partage: commentaire pratique, Brussel, Kluwer, 2008, T1.5-5; 185; J. Verstraete, «Valkuilen bij gerechtelijke verdelingen» in Vlaamse Conferentie der Balie van Gent (ed.), Knelpunten vereffening-verdeling, Antwerpen, Maklu, 2008, 10; C. Declerck, «Draaiboek van een vereffening-verdeling» in W. Pintens en J. Du Mongh (eds.), Familiaal vermogensrecht. Themis 22, Brugge, die Keure, 2004, p. 11, nrs. 17-18; R. Bourseau, «Questions diverses liées à l’expertise» in Les incidents du partage judiciaire, Brussel, Bruylant, 2001, p. 96, nr. 94).

De reden daarvoor is dat de notaris de specialist bij uitstek is van het familiale vermogensrecht. Hij heeft daarenboven een grondige kennis van de immobiliënmarkt. Hij geniet het vertrouwen van het publiek. Heel vaak is hij vertrouwd met de familiale achtergrond van de partijen bij de gerechtelijke verdeling, wat soms pleit voor de aanwijzing van de familienotaris tot notaris-vereffenaar. Tot slot worden in de beslotenheid van een notariskantoor heel vaak problemen opgelost die de partijen niet zo graag in de zittingszaal van de rechtbank zien terechtkomen (B. Luyten, «Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling», T.Not. 1995, 387-388).

De rechtspraak en rechtsleer leggen steeds meer nadruk op de actieve tussenkomst van de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke verdeling en meer in het bijzonder op zijn bemiddelende en verzoenende rol (Luik 5 december 2006, RTDF 2007, 1266; Brussel 20 december 1995, RW 1997-98, 14; Antwerpen 22 mei 1995, RW 1995-96, 456; Luik 24 oktober 1986, JT 1987, 7; A. Wylleman, «Onwil, vertraging en misverstand in de procedure tot gerechtelijke verdeling na echtscheiding», AJT 1995-96, p. 208, nrs. 40-42; Ch. Sluyts, «Notariële en procesgerechtelijke aspecten van de vereffening-verdeling» in Vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap, W. Pintens (ed.), Antwerpen, Maklu, 1987, 133; Ph. De Page, «La saisine du tribunal pendant la phase notariale de liquidation et de partage», RTDF 1995, p. 129-136, nr. 134; L. Raucent en M. Grégoire, «Examen de jurisprudence (1987-94) – Les successions, les partages et les libéralités», RCJB 1996, p. 469, nr. 97).

Ook V.M. en de dochters V.R. geloven in de bemiddelende en verzoenende rol van de notaris-vereffenaar wanneer ze in hun syntheseconclusie (...) 2012 in de procedure van beperkt hoger beroep tegen het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 in het licht van het door hen reeds beoogde deskundigenonderzoek omtrent de waarde van de litigieuze certificaten argumenteren: «Het is trouwens goed mogelijk dat na een expertise, precies omdat hierdoor de waarde van hetgeen het belangrijkste deel van de nalatenschap uitmaakt een bekende wordt, en dankzij de bemiddelende rol van de notaris, tot een regeling in der minne kan gekomen worden» (cursivering door het hof).

In de beslotenheid van een notariskantoor komen onder leiding van een actieve, bemiddelende notaris-vereffenaar vaak akkoorden, minstens deelakkoorden tot stand. Ook de wet van 13 augustus 2011 stelt het bevorderen van (deel)akkoorden als een doel voorop (memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, Parl.St. Senaat, 2010-11, nr. 5/405-1, p. 2-3).

Deze doelstellingen en de bijzondere plaats van de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke vereffening-verdeling brengen mee dat eenmaal de notaris-vereffenaar is aangewezen, alle geschillen binnen de vereffening-verdeling eerst aan hem moeten worden voorgelegd. Het aanwijzingsvonnis is immers een eindvonnis: het geschil betreffende de verdeling is niet meer bij de rechtbank aanhangig, de zaak is aan de rechtbank onttrokken. De notaris-vereffenaar zal over alle punten die de partijen verdelen, zowel in feite als in rechte, standpunt dienen in te nemen (Cass. 19 december 1991, RNB 1991, 102; Cass. 28 oktober 1999, T.Not. 1999-2000, 406; W. Pintens, e.a., Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 281, nr. 515; A. Vanderhaeghen, «Gerechtelijke procedure tot vereffening-verdeling. Hervorming», NJW 2011, 634-650).

Enkel in geval van blijvende betwisting geeft de notaris-vereffenaar het laatste woord aan de rechtbank (terug). Betwistingen over de staat van vereffening-verdeling worden door de notaris-vereffenaar met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W. (of thans het nieuwe art. 1223, § 3 Ger.W.) bij de rechter aanhangig gemaakt door neerlegging ter griffie van de vereiste notariële akten en in het bijzonder de betwiste vereffeningsstaat en het proces-verbaal van bezwaren met het notariële advies. Deze specifieke wijze van saisine van de rechtbank spoort met de geschetste unieke rol van de notaris-vereffenaar.

Tijdens de vereffening-verdeling kunnen reeds vrij snel bepaalde geschillen opduiken die het de notaris-vereffenaar onmogelijk maken op een zinnige wijze een staat van vereffening-verdeling op te stellen. Stelt hij toch een staat op, dan riskeert de notaris-vereffenaar, bij een andere beoordeling door de rechtbank op het einde van de rit, zijn hele vereffeningswerk te mogen overdoen. Hier creëerde de rechtspraak een elegante oplossing door de notaris-vereffenaar met analoge toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W. toe te laten ook tussentijds essentiële geschillen op dezelfde wijze bij de rechtbank aanhangig te maken. Het cassatiearrest van 5 november 1993 (en het nieuwe art. 1216 Ger.W.) bevestigde(n) intussen deze praetoriaanse creatie (Cass. 5 november 1993, Arr.Cass. 1993, 926; Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318; T. Van Sinay, «Grasduinen in de nieuwe gerechtelijke verdeling – Commentaar bij de wet van 13 augustus 2011», T.Fam. 2012, 88-110).

Ook hier houden (wetgever,) rechtspraak en rechtsleer de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in balans. Het initiatiefrecht tot het opstellen van een dergelijk tussentijds proces-verbaal komt (eveneens) uitsluitend aan de notaris-vereffenaar toe, terwijl de rechtbank de opportuniteit en de noodzaak van haar voortijdse tussenkomst (en gebeurlijk het tussengeschil) zal beoordelen (Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318). In de lijn van dit evenwicht en teneinde vertragingsmaneuvers tegen te gaan, is het in de regel aan de partijen, zelfs in onderling akkoord, niet toegelaten zelf de rechtbank op een andere wijze te adiëren. Andere wijzen van rechtsingang, zoals bij een dagvaarding of conclusie, kunnen niet en stuiten op een niet-ontvankelijkheid van de vordering (Luik 23 januari 2002, RTDR 2005, 1190; Bergen 16 december 1996, JT 1997, 459; M. Puelinckx-Coene e.a., «Overzicht van rechtspraak – Erfenissen» (1996-2004), TPR 2005, 663; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 280 e.v.; B. Luyten, «Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling», T.Not. 1995, 398-399). De economie van de gerechtelijke vereffening-verdeling maakt het niet mogelijk dat de rechtbank te pas en te onpas door (vertragingslustige) partijen wordt geadieerd.

Rijzen evenwel reeds van in het begin, bv. naar aanleiding van de aangifte van nalatenschap of tijdens de voorafgaande (mislukte) poging tot minnelijke vereffening-verdeling, welomlijnde twistvragen met een determinerende invloed op de vereffening-verdeling, dan kan het vanuit proceseconomisch oogpunt nuttig zijn dat de partijen deze geschillen reeds aan de rechtbank kunnen voorleggen nog voordat de notaris-vereffenaar aan het werk gaat. Het oude (en nieuwe) art. 1209, eerste lid BW biedt de partijen deze mogelijkheid: de rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is bewezen.

Aldus kunnen de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffeningsprocedure hun geschilpunten reeds aan de (vereffenings)rechter voorleggen (Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318; Luik 7 juli 1998, TBBR 2001, 107; W. Pintens, e.a., Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 279, nr. 512); Ph. De Page en I. De Stefani, Liquidation et partage – commentaire pratique, Brussel, Kluwer, 2003, nr. 16, II. 1-3).

Ook hier blijven de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in evenwicht, met oog voor het sui generis-karakter van de gerechtelijke vereffening-verdeling en de proceseconomie. De rechtbank kan de haar voorgelegde geschillen reeds beslechten. Zij kan de oplossing van een of meer van de haar voorgelegde geschillen evengoed uitstellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling en zo de geschetste centrale rol van de notaris-vereffenaar bij de gerechtelijke vereffening-verdeling ten volle laten spelen (Brussel 13 april 2010, NJW 2010, 506, noot K. Vandenberghe; Brussel 24 maart 1987, RNB 1991, 296; Brussel 17 december 1986, RNB 1991, 298, noot Ph. De Page; A. Wylleman, «Onwil, vertraging en misverstand in de procedure tot gerechtelijke verdeling na echtscheiding», AJT 1995-96, p. 208, nrs. 61-64). Dit is een discretionaire, soevereine bevoegdheid van de rechtbank. De keuze om het geschil al dan niet steeds (voorafgaandelijk aan de notariële werkzaamheden en zonder het advies van de notaris-vereffenaar) te beslechten, ligt uitsluitend bij de rechtbank, niet bij de partijen (Antwerpen 12 mei 2004, T.Not. 2007, 11).

Enkel art. 1209, eerste lid BW biedt de partijen in de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de regel) het enige moment waarop zij dergelijke geschillen zelf aan de rechtbank kunnen voorleggen. Daarbij is het van primordiaal belang dat de beslechting van deze geschillen in de gedinginleidende dagvaarding wordt gevraagd. Jammer genoeg wordt van deze mogelijkheid in de praktijk onvoldoende gebruik gemaakt (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, p. 276-277, nr. 408; P. Van Den Eynde e.a., «La partage judiciaire – quelques questions pratiques», RNB 1991, (226), nr. 10). Worden in het raam van art. 1209, eerste lid Ger.W. geen geschillen aan de rechtbank voorgelegd of stelt de rechtbank de behandeling ervan uit, dan is de zaak niet meer aanhangig bij de rechtbank. De zaak is ingevolge het aanwijzingsvonnis in handen van de notaris-vereffenaar.

5. Zoals reeds aangegeven, hebben V.M. en de dochters V.R. het startschot van de gerechtelijke vereffening-verdeling (zelf) gegeven met hun dagvaarding van 14 april 2008.

Zoals evenzeer reeds aangegeven, staat het buiten kijf dat de betwisting betreffende de nietigverklaring en de herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 van Joseph D.B. een geschil is binnen de vereffening-verdeling van zijn nalatenschap.

Tevergeefs voeren V.M. en de dochters V.R. aan dat deze vorderingen niet het gevolg zijn van het openvallen van de nalatenschap. Zij verwarren met de door hen ingeroepen grond tot nietigverklaring en herroeping. Bij wijze van uitbreidende vordering verzoeken V.M. en de dochters V.R. de rechtbank in onderhavig geschil te beslissen dat bij «de samenstelling van de fictieve massa en het bepalen van het beschikbare deel», ten aanzien van V.M. en/of de dochters V.R., met de waarde (ten tijde van het overlijden van Joseph D.B.) van bepaalde of alle litigieuze certificaten rekening zal worden gehouden, terwijl daarbij geen toepassing kan worden gemaakt van art. 918 BW. Het samenstellen van de fictieve massa en het bepalen van het beschikbare deel zijn bij uitstek werkzaamheden van de notaris-vereffenaar bij de gerechtelijke vereffening-verdeling. Het geschil is en blijft duidelijk een geschil binnen de voordien reeds aangevatte vereffeningsprocedure.

In de lijn van voormelde redengeving zijn er dus maar drie tijdstippen om dergelijke geschillen aan de rechtbank voor te leggen: door de notaris-vereffenaar tussentijds of op het einde door middel van een proces-verbaal van bezwaren of door de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffening-verdeling met toepassing van art. 1209, eerste lid Ger.W. andere mogelijkheden voor het aanbrengen van deze geschillen bij de rechtbank zijn er niet (Cass. 6 april 1990, T.Not. 1990, 235, noot F. Bouckaert, RTDF 1991, 29, noot Ph. De Page; Cass. 5 november 1993, RTDF 1995, 123, noot Ph. De Page).

6. De vorderingen tot herroeping en nietigverklaring van de schenking(en) van 16 maart 1998 telkens bij aparte dagvaarding respectievelijk van 5 juni 2008 en 1 juli 2009, los van de voordien (op 14 april 2008) reeds aangevatte procedure tot vereffening-verdeling, kunnen niet worden toegelaten. Anders oordelen zou schromelijk afbreuk doen aan de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling, de centrale rol van de notaris-vereffenaar met de controlerende rol van de rechtbank en niet in het minst aan de bepaling van art. 1209, eerste lid Ger.W.

7. Komt een vereffeningsgeschil vóór de aanwijzing van de notaris-vereffenaar bij de rechtbank, dan moet de rechtbank krachtens art. 1209, eerste lid Ger.W. de keuze hebben om het geschil reeds te beslechten of uit te stellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling.

Het staat buiten kijf, alleen al (1) door de plaats in het Gerechtelijk Wetboek en meer precies onder de afdeling 2 «Gerechtelijke verdeling» en na de wet van 13 augustus 2011 ook onder de onderafdeling 1 «De inleiding van de vordering en het vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt» en (2) de in de bepaling gekozen bewoordingen, dat art. 1209, eerste lid Ger.W. met «de rechtbank» uitsluitend de vereffeningsrechter bedoelt en kan bedoelen.

Zoals reeds aangegeven, moet de rechtbank hierbij kunnen oordelen of het voor een goede rechtsbedeling in het concrete geval al dan niet past om ab initio bestaande geschilpunten reeds te beslechten. In een concreet geval zou het immers, omwille een goede rechtsbedeling, passend kunnen zijn dat, ook voor bestaande geschillen tussen de deelgenoten (zelfs als ze reeds in staat van wijzen zijn), de notaris-vereffenaar zijn informatieve en raadgevende taak en zijn verzoeningsopdracht kan uitoefenen en een geheel of deelakkoord tracht te bewerkstelligen, zodat het vanuit die optiek niet wenselijk is dat de vereffeningsrechter ab initio deze geschillen reeds zou beslechten (C. De Busschere, «De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris terzake», Not.Fisc.M. 2010, 268-272; K. Vandenberghe, «Taak rechtbank versus taak boedelnotaris bij gerechtelijke vereffening-verdeling», NJW 2010, 507-508). Voor dergelijke geschillen telkens (een) aparte procedure(s), los van de (reeds gestarte) vereffeningsprocedure toestaan, ondergraaft compleet deze (door de wetgever in de lijn van de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling) exclusief aan de vereffeningsrechter gegeven keuzemogelijkheid.

Bovendien was in casu op het ogenblik dat de eerste rechter eensdeels bij vonnis van 6 september 2012 en anderdeels bij vonnis van 4 april 2013 over de beoogde nietigverklaring en herroeping van de bedoelde schenking(en) oordeelde, de notaris-vereffenaar reeds aangewezen bij vonnis van 13 januari 2011. De zaak was ingevolge het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 al in handen van de notaris-vereffenaar (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 278-279, nrs. 410-411).

Enkel artikel 1209, eerste lid Ger.W. kan op juridisch vlak voldoende de beslissing van de rechtbank schragen om zelf dergelijke tussen de deelgenoten hangende geschilpunten, zonder enige tussenkomst van de gevorderde (en in casu zelfs reeds aangewezen) notaris-vereffenaar, te beslechten. Bijgevolg (en zoals reeds aangegeven) kan enkel de vereffeningsrechter ten laatste in het aanwijzingsvonnis dergelijke geschillen (gebeurlijk) reeds beslechten. Alleen al omdat art. 1209, eerste lid Ger.W. elders niet kan spelen, is het uitgesloten dat de partijen een «andere» rechter verplichten een dergelijk geschil toch te beslechten. Dit toelaten, zou betekenen dat de partijen niet alleen de vereffeningsnotaris maar ook (de discretionaire en soevereine keuzemogelijkheid van) de vereffeningsrechter volkomen buitenspel kunnen zetten.

Het argument van V.M. en de dochters V.R. dat de rechtbank en niet de notaris-vereffenaar dient te beslissen over de beoogde herroeping en nietigverklaring van de bedoelde schenking(en), is meer dan vergeefs. Zoals geduid, beslist de rechtbank (uiteindelijk) (bij blijvende betwisting) altijd. Zo blijft het fundamentele recht op toegang tot de rechtbank gewaarborgd. Zo blijft de unieke functie van de notaris-vereffenaar als (enkel) gerechtelijke opdrachthouder zuiver. Geschillen zoals prefentiële toewijzing (artt. 1446-1447 BW), de mogelijke toepassing van art. 1278, derde en vierde lid Ger.W. en burgerlijke heling (art. 792 BW) passen volgens (inmiddels unanieme) rechtspraak en rechtsleer naadloos in het geschetste eigen verloop van de vereffeningsprocedure, terwijl de artt. 1447 BW en 1278, derde en vierde lis Ger.W. zelf(s) uitdrukkelijk bepalen dat «de rechtbank» beslist (B. Luyten, «Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling», T.Not. 1995, 392-393). Het spreekt voor zich dat «zelfstandige» vorderingen (bijvoorbeeld op grond van art. 792 BW) mogelijk zijn, zij het buiten het globale kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke vereffening-verdeling van de opengevallen nalatenschap, waarbij er geen notaris-vereffenaar aan te pas komt, wat in casu duidelijk anders is (C. De Busschere, «De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris terzake», Not.Fisc.M. 2010, 268-272).

Bovendien erkennen V.M. en de dochters V.R. hier zelf uitdrukkelijk de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank krachtens art. 1209, eerste lid Ger.W. Zo betogen zij dat de vereffeningsrechter terecht de betwisting inzake de aandelen van de NV N. en van de NV A. als incident van de vereffening-verdeling naar de notaris-vereffenaar heeft gestuurd.

Ze vragen zelf(s) (het hof in het raam van het beperkte hoger beroep tegen het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011) hetzelfde te doen met hun tussenvordering tegen Pierre Z. tot teruggave van de gestolen gelden aan de nalatenschap, zodat de notaris-vereffenaar als eerste rechter hierover kan oordelen. Waarom deze discretionaire bevoegdheid van de vereffeningsrechter voor een ander verdelingsincident (en meer precies de betwiste herroeping en nietigverklaring van de bedoelde schenkingen) niet zou gelden, leggen zij evenwel niet uit.

8. Anders oordelen zou niet alleen de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling, de centrale rol van de notaris-vereffenaar met de controlerende rol van de rechtbank en niet in het minst de bepaling van art. 1209, eerste lid Ger.W. volkomen fnuiken, maar bovendien vertraging(smaneuvers) in de hand werken. De vereffening, het werk van de notaris-vereffenaar, zou worden vertraagd en zelfs stilgelegd door aparte, los van de vereffeningsprocedure ingeleide procedures, wat in casu overigens ook duidelijk blijkt.

V.M. en de dochters V.R. voeren zelf aan dat het verloop van de bedoelde procedures (tot herroeping en nietigverklaring van de bedoelde schenkingen) mogelijk een vertraging teweegbrengt in de vereffening en de verdelingsverrichtingen.

In het proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 16 december 2014 geeft ook de intussen aan het werk gezette notaris-vereffenaar aan dat er klaarblijkelijk diverse procedure hangende zijn die van belang zullen zijn voor het eindresultaat van de vereffening-verdeling. Noodgedwongen voegt zij eraan toe dat de vereffening-verdeling al zoveel als mogelijk kan worden «voorbereid».

In het proces-verbaal tot verderzetting van werkzaamheden van 12 mei 2015 confronteert (de advocaat van) Pierre D.B. (de advocaat van) V.M. met deze veroorzaakte patstelling/vertraging, terwijl hij op haar vraag naar zijn standpunt m.b.t. het vruchtgebruik op een derde van de certificaten die aan V.M. werden geschonken, repliceert dat dit antwoord kadert in de (nog) hangende procedure.

Zoals reeds aangegeven, zijn deze patstelling en vertraging nu net niet de bedoeling. Ook de wet van 13 augustus 2011 beoogt als een van de belangrijkste doelstellingen de procedure te versnellen, met inbegrip van de notariële fase ervan door (o.m. dergelijke) patstellingen en nodeloze procedures voor de rechtbank te voorkomen (wetsontwerp houdende hervorming van de gerechtelijke vereffening-verdeling – Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl.St. Kamer, 53-1513-004).

9. Ook verjaringstermijnen en/of (andere) door de wet opgelegde termijnen om dergelijke vorderingen tot herroeping en nietigverklaring van de bedoelde schenking in te stellen, leiden niet tot een ander oordeel.

De terechte overwegingen van de eerste rechter dat (1) een en ander en inzonderheid de beoogde herroeping niet van rechtswege plaatsheeft; (2) V.M. en de dochters V.R. hiertoe aldus binnen een door de wet vastgelegde (verjarings)termijn een vordering in recht dienen in te stellen en (3) V.M. en de dochters V.R. bij deze vordering aldus belang hebben, kunnen geen afbreuk doen aan voormelde redengeving.

Anders dan de eerste rechter verder oordeelt, herhaalt het hof dat onderhavige betwistingen wel degelijk incidenten en geschillen zijn in het raam van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van Joseph D.B.

Niets belette V.M. en de dochters V.R. om hun vorderingen tot herroeping en nietigverklaring tijdig binnen de opgelegde (verjarings)termijnen in te stellen in het raam van de (nauwelijks drie maanden eerder ingestelde) procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling. Dit was overigens in casu (op dat ogenblik) de enige toegelaten geëigende weg.

Na het aanwijzingsvonnis maakt het eigen karakter van een gerechtelijke vereffening-verdeling dat een deelgenoot, die om een of andere gegronde reden niet eerder kon ageren, de opgelegde (verjarings)termijnen nog steeds kan naleven door de vordering(en) aan te brengen door middel van formele briefwisseling om deel uit te maken van een notarieel proces-verbaal dat met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W. in rechte kan dienen om de zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Het kan en mag, hangende een gerechtelijke vereffening-verdeling, alleen al om kosten en overlast van het gerechtelijke apparaat te vermijden, immers niet de bedoeling zijn dat, telkens wanneer een deelgenoot de verjaring van een vordering wil stuiten of een andere termijn moet naleven, een (klassieke) dagvaarding (sensu stricto) wordt vereist (met verzoek om de zaak naar de bijzondere rol te verzenden, teneinde een afwijzende rechterlijke uitspraak in de zin van art. 2247 BW te vermijden). Dat zou overigens absurd zijn. Die (klassieke) dagvaarding (sensu stricto) zou immers nooit tot een behandeling/berechting ten gronde kunnen/mogen leiden, aangezien de notaris-vereffenaar als zogeheten «eerste trancherende instantie» wordt gepasseerd.

10. Om die reden en in de lijn van voormelde redengeving zijn, behalve de in casu met toepassing en/of in het raam van de artt. 19 en 735 Ger.W. ingestelde vorderingen, (...), alle, zowel primair als subsidiair aangehouden, gewijzigde, uitgebreide, nieuwe en tegenvorderingen van alle partijen tot en/of in het raam van de beoogde herroeping en nietigverklaring van de bedoelde schenkingen, onontvankelijk.

De hogere beroepen van Pierre en/of Jozef D.B. tot niet-ontvankelijkheid van de bedoelde vorderingen van V.M. en de dochters V.R. zijn in die zin en in de lijn van deze redengeving gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/02/2018 - 17:00
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.