-A +A

Vereffening en verdeling – Procedure – Onsplitsbaar en ondeelbaar karakter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/03/2017
A.R.: 
C.15.0508.N

Naar Belgisch recht is de vereffening-verdeling onsplitsbaar en ondeelbaar.

Art. 1208, § 4 Ger.W. maakt een gebeurlijk afzonderlijke vereffening-verdeling van in het buitenland gelegen goederen mogelijk bij wijze van een facultatieve uitzonderingsbepaling. 

Art. 1208, § 4 Ger.W. verschaft slechts de mogelijkheid om voor buitenlandse goederen een afzonderlijke verdeling te bevelen aangezien in andersluidend geval de gehele vereffening en verdeling in België mogelijk geblokkeerd zou worden of in een patstelling zou kunnen belanden. Het maatgevend criterium is of er, in acht genomen o.a. de aard en de ligging van de goederen, een negatieve impact uitgaat van de verdeling van buitenlandse goederen op de in België gecentraliseerde vereffening en verdeling.

In bevestigend geval kunnen deze goederen worden uitgesloten van het «Belgische onderdeel» van de gerechtelijke vereffening en verdeling, zodat een doeltreffende voortgang van dit onderdeel gevrijwaard blijft. Deze uitzonderingsbepaling (als afwijking op de principiële ondeelbaarheid van de vereffenings- en verdelingsvordering) beoogt zodoende slechts de efficiëntie van de gerechtelijke vereffening en verdeling, maar heeft niets te maken met de problematiek van rechtsmacht noch met het toepasselijke recht op die in het buitenland gelegen (en in voorkomend geval van de vereffening en verdeling afgesplitste) goederen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1420
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F. t/ N.

...

Procedure – Feitelijke antecedenten

1. Partijen waren feitelijk samenwonend. Hun relatie duurde van 2004 tot 2014. Zij woonden samen in Lille.

Partijen hebben een onroerend goed in Frankrijk, dat zij tijdens hun relatie (in 2007) samen hebben aangekocht. Op de grond hebben zij nadien een woning opgetrokken.

Mevr. N.V.C. (hierna: «de vrouw») werkte destijds in de frituur van de h. F.C. (hierna: «de man»). De uitbating van deze frituur is in handen van een vennootschap, de cvba (...).

Gelet op de relatiebreuk vorderde de vrouw bij dagvaarding van 7 juli 2015 de vereffening en verdeling en de aanstelling van een notaris-vereffenaar.

Bij het thans bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 6 november 2015 werd de vordering van de vrouw ontvankelijk en gegrond verklaard.

De vereffening en verdeling werd bevolen van de «onverdeeldheden tussen partijen bestaan hebbende». Tevens werd een notaris-vereffenaar aangesteld.

...

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep, ingesteld door de man, appellant, strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering van de vrouw af te wijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

3. De vrouw, geïntimeerde, concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

De vrouw maakt in haar conclusies ook nog voorbehoud voor wat betreft het onroerend goed van partijen, dat – zoals hierboven vermeld – in Frankrijk gelegen is. Zij beklaagt zich over de langdurige leegstand en stelt dat zij hierdoor schade lijdt.

...

Beoordeling

5. In eerste instantie werpt de man de onbevoegdheid op van de Belgische rechter, aangezien het onroerend goed van partijen in Frankrijk is gelegen (...). Het hof begrijpt de argumentatie van de man dan ook als een afwijzing van de rechtsmacht van de Belgische rechter.

5.2. De vrouw repliceert dat op basis van art. 1208, § 4 Ger.W., sedert de nieuwe wet op de vereffening en verdeling, de vereffening en verdeling kan worden gevraagd voor een onroerend goed, gelegen in het buitenland.

In dat verband wenst het hof evenwel op te merken dat art. 1208, § 4 Ger.W. niet tot roeping heeft te functioneren als autonome bevoegdheids- of rechtsmachtsregel. Deze wetsbepaling staat derhalve de normale toepassing van het internationaal privaatrecht niet in de weg. Uit de bewoordingen van dit wetsartikel blijkt trouwens dat als preliminaire vereiste geldt dat er minstens ook in België onverdeeldheden (een of meer te verdelen goederen) bestaan.

Art. 1208, § 4 Ger.W. verschaft slechts de mogelijkheid om voor buitenlandse goederen een afzonderlijke verdeling te bevelen aangezien in andersluidend geval de gehele vereffening en verdeling in België mogelijk geblokkeerd zou worden of in een patstelling zou kunnen belanden. Het maatgevend criterium is of er, in acht genomen o.a. de aard en de ligging van de goederen, een negatieve impact uitgaat van de verdeling van buitenlandse goederen op de in België gecentraliseerde vereffening en verdeling.

In bevestigend geval kunnen deze goederen worden uitgesloten van het «Belgische onderdeel» van de gerechtelijke vereffening en verdeling, zodat een doeltreffende voortgang van dit onderdeel gevrijwaard blijft. Deze uitzonderingsbepaling (als afwijking op de principiële ondeelbaarheid van de vereffenings- en verdelingsvordering) beoogt zodoende slechts de efficiëntie van de gerechtelijke vereffening en verdeling, maar heeft niets te maken met de problematiek van rechtsmacht noch met het toepasselijke recht op die in het buitenland gelegen (en in voorkomend geval van de vereffening en verdeling afgesplitste) goederen.

5.3. Spijts voormelde overweging in randnr. 5.2 oordeelt het Hof dat de door de man opgeworpen exceptie van gebrek aan rechtsmacht faalt, om de redenen die worden vermeld in volgende randnummers.

5.4. Partijen wonen feitelijk samen. Op het vlak van het (wetboek van) internationaal privaatrecht worden hiervoor geen specifieke bepalingen voorgeschreven. Enkel voor wettelijk samenwonenden gelden specifieke voorschriften.

Overeenkomstig art. 58 WIPR betekent het begrip «relatie van samenleven» in deze wet een toestand van samenleven die registratie bij een openbare overheid vraagt en tussen de samenwonende personen geen band schept die evenwaardig is aan het huwelijk. Hiervan is geen sprake, aangezien er geen wettelijke samenwoning bestond, c.q. er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap.

5.5. Partijen wonen beiden in België. Aangezien de man – initieel gedaagde partij – in België woont en aldaar zijn verblijfplaats ook heeft (dit evenzeer reeds ten tijde van de dagvaarding), is de Belgische rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vereffening en verdeling.

In feite is een verwijzing naar de algemene bevoegdheidsgrond neergelegd in art. 5, § 1 WIPR, zoals vooropgesteld door de vrouw, zelfs niet vereist, niet in het minst aangezien de zaak eigenlijk strikt gezien zelfs geen grensoverschrijdende elementen heeft, behalve het feit dat een van de bestanddelen van de – beweerd – onverdeelde boedel van partijen in Frankrijk gelegen is.

Met toepassing van art. 13 WIPR worden, indien de Belgische rechter bevoegd is op grond van deze wet, de volstrekte en de territoriale bevoegdheid vastgesteld volgens de relevante bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. In dat verband spelen o.a. artt. 1207 e.v. Ger.W., die handelen over de gerechtelijke vereffening en verdeling (en de aanstelling van een notaris-vereffenaar) wanneer een minnelijke verdeling niet tot de mogelijkheden behoort. Het hof neemt immers aan dat de rechtsmacht van de rechter, net als de bevoegdheid, wordt bepaald naar het voorwerp van de eis, zoals die uit de inleidende dagvaarding blijkt: een prejudicieel onderzoek dat verder reikt dan de bewoordingen van de dagvaarding als gedinginleidende akte kan hier in beginsel niet aan de orde zijn, behoudens de nuancering die hierna nog wordt aangebracht.

De Belgische rechter, thans dit hof, put in essentie rechtsmacht (internationale bevoegdheid) uit het feit dat de gedaagde partij (huidige appellant) in België woont, aangezien er in casu duidelijk geen sprake is van een exclusieve bevoegdheid van een buitenlandse (Franse) rechter, zoals toegelicht in randnr. 5.6 van onderhavig arrest.

De vrouw vorderde slechts de (gerechtelijke) vereffening en verdeling van de onverdeeldheden, zodat de Belgische rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de deze vordering. Dat er ook onverdeelde tegoeden in het buitenland zijn gelegen, doet hieraan geen afbreuk.

5.6. Naar het oordeel van het hof faalt het beroep van de man op de zgn. Brussel I-Vordering, aangezien hier geen geschil over zakelijke rechten aan de orde is. Opdat sprake zou zijn van een geschil over zakelijke rechten dient het voorwerp van het geding en dus van de vordering(en) immers betrekking te hebben op zakelijke rechten; het is niet voldoende dat zakelijke rechten zijdelings of incidenteel in het geding zijn betrokken en het volstaat bijgevolg ook niet dat de vordering slechts in verband staan met een onroerend goed.

Opdat sprake zou zijn van een geschil over zakelijke rechten, dient er sprake te zijn van een echte zakenrechtelijke betwisting over het onroerend goed, wat restrictief te interpreteren is, gelet op de afwijking van de algemene bevoegdheids- of rechtsmachtvoorschriften (zie ook ter vergelijking: Antwerpen 7 oktober 2015, RW 2016-17, 547).

Het (onverdeeld of mede-)eigendomsrecht van partijen op het in Frankrijk gelegen onroerend goed staat als zodanig trouwens ook niet ter discussie. Ook andere zakenrechtelijke betwistingen worden niet gevoerd, alleszins toch zeker niet aangevoerd door de partijen.

Dat de vereffening-verdeling finaal resulteert hetzij in een afstand van onverdeelde rechten hetzij in een gedwongen (openbare) verkoop, maakt er geen geschil over zakelijke rechten van; dit betreft slechts een verdelingsmodaliteit, c.q. de tegeldemaking van een vermogensbestanddeel van de boedel, ongeacht het gegeven dat dit bestanddeel in het buitenland is gesitueerd.

De door de man aangevoerde rechtspraak (o.a. die van de Burgerlijke Rechtbank te Gent) is niet dienend, aangezien het bewuste vonnis een andere situatie betrof: de vordering was aldaar immers beperkt tot één onroerend goed, gelegen in Frankrijk, en deze vordering beoogde ook geen gerechtelijke vereffening en verdeling van een ruimere onverdeeldheid.

5.7. Ook het beroep op art. 629, 1o Ger.W., dat de rechter van de plaats van de ligging van het onroerend goed bevoegd maakt om kennis te nemen van het geschil, faalt, aangezien voormelde bevoegdheidsregel (evenzeer) impliceert dat het geschil een vordering aangaande zakelijke rechten op onroerende goederen betreft, wat hier niet het geval is, zoals hiervoor reeds uiteengezet. Overigens is art. 629, 1o Ger.W. een voorschrift (territoriale bevoegdheidsbepaling) van intern procesrecht.

5.8. In zoverre de man verwijst naar de lex rei sitae, haalt hij materieel recht en procesrecht (bevoegdheidsregels) door elkaar. Bij het onderzoek van zijn rechtsmacht moet de rechter geen toepassing maken van materiële rechtsregels.

5.9. Louter ten overvloede (bovenstaande overwegingen volstaan immers reeds om de rechtsmacht van de Belgische rechter aan te nemen) kan het hof nog verwijzen naar de relevante bepalingen van het Verdrag tussen België en Frankrijk betreffende de rechterlijke bevoegdheid, het gezag en de uitvoering van rechtelijke uitspraken, van de scheidsrechtelijke uitspraken en de rechtsgeldige akten, ondertekend te Parijs op 8 juli 1899, goedgekeurd bij de wet van 30 maart 1900 (BS 30 en 31 juli 1900), dat het principe bevat dat de interne bevoegdheidsregels van de ene verdragsstaat van rechtswege worden erkend in de andere verdragsstaat. Uit art. 7 van dit verdrag (dat handelt over nalatenschappen) volgt overigens het principe dat aan de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van de eis tot verdeling geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat goederen die afhangen van deze nalatenschap, gelegen zijn in de andere verdragsstaat.

5.10. Ten slotte maakt het Hof zich nog de bedenking welk belang de man kan hebben om het geding van gerechtelijke vereffening en verdeling niet in België te laten berechten, aangezien hij aldaar woonachtig is en de Belgische nationaliteit heeft.

5.11. Het Hof neemt dan ook de rechtsmacht van de Belgische rechter aan en bevestigt het oordeel van de eerste rechter, zij het enerzijds met wijziging en anderzijds met toevoeging van motieven.

...

6.6. Van het in Frankrijk gelegen onroerend goed wordt alleszins ook niet betwist dat het in onverdeeldheid is.

6.7. De vrouw maakt het prima facie afdoende aannemelijk dat er onverdeeldheden zijn, die niet uitsluitend in Frankrijk zijn gelegen.

Naast de hierboven vermelde verklaringen in de boedelbeschrijving kan ook de lange duur van de relatie (ongeveer tien jaar) in aanmerking worden genomen als feitelijk vermoeden dat het bestaan van onverdeeldheden aannemelijk maakt.

Het hof herhaalt dat het geen concrete onverdeeldheden bewezen acht maar slechts aannemelijk, wat volstaat om de vereffening-verdeling te bevelen.

6.8. Het gegeven dat er, zoals reeds vermeld, een onroerend goed in Frankrijk is gelegen en het gegeven dat de vrouw hiervan per definitie ook de uitonverdeeldheidtreding wenst, staat aan de rechtsmacht van de Belgische rechter niet in de weg, onverminderd de eventuele noodzaak een beroep te doen op de buitenlandse rechter (en bij uitbreiding op buitenlandse openbare ambtenaren, c.q. notarissen) om de eventuele realisatie te bewerkstellingen van deze goederen.

De man maakt, getuige zijn argumentatie, niet het belangrijke onderscheid tussen de «uitonverdeeldheidtreding» enerzijds en de verdeling(smodaliteiten) anderzijds.

De organisatie van een gebeurlijke gedwongen openbare verkoop verloopt in beginsel volgens de lex rei sitae. Deze eventuele verkoop kan echter niet worden beschouwd als een rechtshandeling die op zichzelf moet worden beoordeeld; deze eventuele verkoop geldt namelijk als een verdelingsverrichting.

Op internationaal privaatrechtelijk vlak is het niet uit te sluiten dat de organisatie van de gerechtelijke vereffening en verdeling enerzijds en de organisatie van de gerechtelijke verkoop van een bestanddeel van de onverdeeldheid anderzijds onderworpen zijn aan onderscheiden wetten (vgl. C. de Busschere, «Enkele IPR-aspecten van de gerechtelijke verkoop van een in het buitenland gelegen onroerend goed afhangende van een in België opengevallen nalatenschap», RW 1980-81, (2280), p. 2281, nr. 5).

Finaal zal alles in beginsel hoe dan ook moeten «terugkeren» naar de Belgische notaris-vereffenaar en in voorkomend geval naar de Belgische rechter ter vervollediging van de gerechtelijke vereffening en verdeling van partijen.

Op dit ogenblik is echter nog niet duidelijk noch a priori reeds vaststaand dat de gedwongen verkoop noodzakelijk zal zijn, aangezien de gevoeglijke verdeelbaarheid in natura niet louter afhankelijk is van zuiver fysieke eigenschappen van het goed, aangezien ook vorderingsrechten en aanspraken een rol kunnen spelen.

6.9. Het hoger beroep faalt op dit onderdeel.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/05/2018 - 17:45
Laatst aangepast op: wo, 09/05/2018 - 21:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.