-A +A

Verduistering is een daad die er toe strekt goederen aan de inboedel te onttrekken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 25/10/2016
A.R.: 
P.16.0383.N

Art. 1183 gerechtelijk wetboek stelt:
"Behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, bevat de boedelbeschrijving ook : [...] 11° de eed van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen."

Onder verduistering in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek moet worden verstaan iedere daad of iedere nalatigheid die ertoe strekt een goed te onttrekken aan de boedel (1). (1) Zie Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1735.N, AC 2012, nr. 318.

De eed die bij de boedelbeschrijving wordt afgelegd heeft betrekking op de vermeldingen die nuttig zijn voor het vaststellen van de omvang van de boedel en hoewel de eed geen betrekking heeft op verklaringen betreffende de oorsprong of de eigendom van de goederen, waarover de strafrechter niet te oordelen heeft en die aan bod zullen komen ter gelegenheid van de vereffening en verdeling, dienen de belanghebbenden niettemin zo dit van belang is voor het bepalen van de omvang van de boedel, correcte opgave te doen van de plaats waar de goederen zich bevinden of zich op elk voor het opmaken van de boedelbeschrijving relevant tijdstip hebben bevonden, wie de goederen onder zich heeft of op elk voor het opmaken van de boedelbeschrijving relevant tijdstip in bezit had of wat ermee is gebeurd; een verzwijging van die gegevens of het vermelden van onjuiste gegevens kan immers een onttrekking inhouden van de goederen aan de boedel en dus een verduistering in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek (1). (1) Zie Cass. 3 maart 2015, AR P.14.0032.N, AC 2015, nr. 152; VANOVERBEKE, S., 'Het begrip 'verduistering' bij de eedaflegging n.a.v. een boedelbeschrijving' (noot onder Antwerpen 14 mei 2002), RW 2002-03, 909-912.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0383.N
I
1. M M E H,
beklaagde,
2. H L G C,
beklaagde,
3. L R A C,
beklaagde,
eisers,

II
PATRIMCO nv, met zetel te 2431 Laakdal (Veerle), Kruisstraat 38,
beklaagde,
eiseres,
alle cassatieberoepen tegen
J C,
burgerlijke partij,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 februari 2016.

De eiseres I.1 en de eisers I.2 en I.3 voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens twee gelijkluidende middelen aan.

De eiseres II voert geen middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I.1

1. Het arrest verklaart de strafvordering voor zover zij betrekking heeft op de beweerdelijk door de eiseres I.1 ten nadele van de verweerder gepleegde diefstal onontvankelijk en verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder voor zover daarop gesteund niet ontvankelijk.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep I.1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 226, tweede lid, Strafwetboek en artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de eisers I ten onrechte schuldig aan de telastleggingen A en D; een boe-delbeschrijving die wordt opgesteld naar aanleiding van een nalatenschap heeft tot doel de omvang van die nalatenschap vast te stellen; de partijen hebben de ver-plichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven en dat een invloed kan hebben op de samenstelling van de nalatenschap; de eisers I hebben wel degelijk het bestaan van de aandelen meegedeeld, alsook het feit dat er een eigendomsbetwisting bestond; het arrest is bovendien tegenstrijdig; ener-zijds oordeelt het dat in strijd met de waarheid werd verklaard dat de 177 aandelen van de eiseres II niet meer in het bezit waren van de huwgemeenschap C.-H. en anderzijds stelt het vast dat de aandelen wel in handen waren van E. D. en dus niet van de voormelde huwgemeenschap.

3. Artikel 226, tweede lid, Strafwetboek stelt strafbaar hij die bij een verzege-ling of een boedelbeschrijving een valse eed aflegt.

Artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving tot doel heeft de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen.

Artikel 1183, 8° en 11°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving onder meer bevat de verklaringen door de belanghebbenden gedaan ten laste of ten bate van de boedel, de aan de partijen gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden, alsook de eed van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen hebben bewoond, dat zij niets hebben verduisterd en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen.

4. Onder verduistering in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek moet worden verstaan iedere daad of iedere nalatigheid die ertoe strekt een goed te onttrekken aan de boedel. De eed die bij de boedelbeschrijving wordt afgelegd heeft betrekking op de vermeldingen die nuttig zijn voor het vaststellen van de omvang van de boedel. Hoewel de eed geen betrekking heeft op verklaringen be-treffende de oorsprong of de eigendom van de goederen, waarover de strafrechter niet te oordelen heeft en die aan bod zullen komen ter gelegenheid van de vereffe-ning en verdeling, dienen de belanghebbenden niettemin zo dit van belang is voor het bepalen van de omvang van de boedel, correcte opgave te doen van de plaats waar de goederen zich bevinden of zich op elk voor het opmaken van de boedel-beschrijving relevant tijdstip hebben bevonden, wie de goederen onder zich heeft of op elk voor het opmaken van de boedelbeschrijving relevant tijdstip in bezit had of wat ermee is gebeurd. Een verzwijging van die gegevens of het vermelden van onjuiste gegevens kan immers een onttrekking inhouden van de goederen aan de boedel en dus een verduistering in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest oordeelt dat:

- op basis van de elementen die het vermeldt er van een overdracht van de 177 aandelen van de eiseres II aan E. D. S. en International Lb Management Incorporation geen sprake is en dat de beweerdelijk overgedragen aandelen steeds in het bezit zijn gebleven van de eisers I;

- met zekerheid blijkt dat de ganse constructie betreffende de beweerde over-dracht van de aandelen werd opgezet met het enkele doel deze aandelen op een slinkse manier uit de nalatenschap van vader C. te halen en zo de verweerder te benadelen in zijn erfdeel;

- de eisers I wel degelijk op de hoogte waren van die constructie en van dit opzet en er gebruik van maakten en zij om één en ander te verdoezelen, overgingen tot het opstellen van de in de telastlegging B vermelde notulen;

- de met de telastlegging A vervolgde valsheid erin bestaat dat de eisers I in het proces-verbaal van sluiting van inventaris en eedaflegging lieten opnemen dat zij niets verduisterden of van zodanige verduistering geen kennis hadden, ter-wijl zij in strijd met de waarheid en bewust voorhielden dat de 177 aandelen van de eiseres II niet meer in het bezit waren van de huwgemeenschap C.-H. terwijl dit wel het geval was;

- het feit dat uit de verklaringen die de eiseres I.1 op 11 januari 2007 aan de no-taris aflegde met betrekking tot de beweerde overdracht van de aandelen en uit de verklaringen die zij samen met de eisers I.2 en I.3 op 21 augustus 2007 en 20 september 2007 aflegde, het bestaan bleek van de kwestieuze aandelen, geen afbreuk doet aan de schuld van de eisers I;

- de eisers I zich met deze verklaringen indekten voor het geval het verhaal van de overdracht van de aandelen zou worden doorprikt.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de schuldigverklaring van de eisers I aan de telastleggingen A en D.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Het arrest oordeelt niet alleen dat gerechtsdeurwaarder Deckmijn op 17 fe-bruari 2006 vaststelde dat E. D. S. effectief in het bezit was van 177 aandelen van de eiseres II, maar ook dat het duidelijk is dat er in deze een samenwerking was tussen de familie C en E. D. S. en dat het derhalve geenszins uitgesloten is dat met het oog op het creëren van bewijsstukken de familie C. de betrokken aandelen tijdelijk toevertrouwde aan D. S. om de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder te laten doen. De door het middel aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wet-boek: met het oordeel dat de eisers zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschriften en valse eed miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van opening van verrichtingen van 11 januari 2007 en van het proces-verbaal van sluiting van inventaris en eedaflegging van 20 september 2007, waaruit blijkt dat wel degelijk uitdrukkelijk melding werd gemaakt van de aandelen en de eigendomsbetwisting; de eisers hebben wel degelijk meegedeeld dat de aandelen be-stonden en dat er een eigendomsbetwisting was.

8. Het arrest geeft van de door het middel bedoelde akten geen uitlegging, maar het beoordeelt de bewijswaarde ervan.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 746,27 euro, waarvan op de cassatieberoepen van de eiseres I.1 en de eisers I.2 en I.3 390,45 euro is verschuldigd en op het cas-satieberoep van de eiseres II 355,82 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2016 uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 10:19
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 10:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.