-A +A

Verdediging dient uit eigen initiatief op verplichte verbeurdverklaring verdediging te voeren zelfs zonder vordering parket

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/10/2013
A.R.: 
P030084F

Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel maakt het bevelen van een verplichte verbeurdverklaring zoals die bedoeld door de artt. 42, 1o en 43 Sw. afhankelijk van een voorafgaande vordering van het openbaar ministerie of de mededeling door de rechter dat een dergelijke straf kan worden uitgesproken. Een beklaagde die wordt vervolgd voor een feit dat tot een verplichte bijzondere verbeurdverklaring aanleiding kan geven, moet daarmee bij het voeren van zijn verdediging rekening houden.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0430.N
J J,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 2 maart 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij van de hem ten laste gelegde feiten sub A.III van de zaak I en sub D van de zaak II.
In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest kan niet oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden en die beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord; het arrest specificeert niet het begin- of het eindpunt van de redelijke termijn; het oudste feit dateert van 25 april 2005; de eiser was verplicht maatregelen te nemen voor zijn verdediging eerst na het verhoor door een natuurhandhavingswachter op 27 augustus 2008 en vervolgens na een verhoor op 20 april 2009 door de politie nadat hem op 17 april 2009 een stakingsbevel werd betekend; er is dan ook een termijn van 7,5 jaar verstreken; de zaak is niet complex: er werd geen deskundigenonderzoek bevolen, geen complexe onder-zoeksmaatregelen uitgevoerd, er was niet buitengewoon veel bewijsmateriaal en er waren niet veel getuigen; de appelrechters verwijzen naar de houding van de eiser, maar er blijkt niet dat hij niet heeft meegewerkt, terwijl hij het recht heeft rechtsmiddelen aan te wenden.

3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

4. Met de verwijzing naar de houding van de eiser tijdens het volledige onderzoek, oordeelt het arrest niet dat de eiser niet heeft meegewerkt of dat hij ten on-rechte rechtsmiddelen heeft aangewend.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

5. Bij de beoordeling van de redelijke termijn-vereiste dient de rechter zich te plaatsen op het tijdstip van zijn beslissing. Hij dient bijgevolg het eindpunt van die redelijke termijn niet te preciseren.

Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie is de rechter niet verplicht het aanvangstijdstip van de redelijke termijn uitdrukkelijk te preciseren.

6. Bij de beoordeling van de redelijke termijn kan de rechter wel degelijk re-kening houden met het groot aantal feiten waarvoor een beklaagde wordt ver-volgd, zelfs als het onderzoek naar die feiten geen complexe onderzoekshandelin-gen vergt.

7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.

8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van de redelijkheid van de termijn en is het bijgevolg niet ontvan-kelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt enerzijds dat er rekening zal worden gehouden met het verstrijken van de tijd en het legt anderzijds met verwijzing naar de persoon en de ingesteldheid van de eiser, de psychische toestand, de strafrechtelijke voorgaanden, de staat van wettelijke herhaling, de omstandigheden en de ernst van de feiten en het verstrijken van de tijd een zwaardere straf op dan de door de eerste rechter opgelegde straf, die nochtans rekening hield met exact dezelfde elementen behoudens het verstrijken van de termijn.

10. Bij de beoordeling of de appelrechters bij de straftoemeting rekening hebben gehouden met het verstrijken van de termijn is de door de eerste rechter opgelegde straf zonder relevantie. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

11. Het middel voert miskenning aan van eisers recht van verdediging: de appelrechters verklaren de bulldozer JCB bij toepassing van de artikelen 42, 1° en 43 Strafwetboek verbeurd, zonder dat het openbaar ministerie die bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd of de appelrechters de eisers hebben ingelicht over de mogelijkheid van die bijzondere verbeurdverklaring, zodat hij zich ter zake kon verdedigen.

12. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel maakt het bevelen van een verplichte verbeurdverklaring zoals die bedoeld door de artikelen 42, 1° en 43 Strafwetboek afhankelijk van een voorafgaande vordering van het openbaar mi-nisterie of de mededeling door de rechter dat een dergelijke straf kan worden uit-gesproken. Een beklaagde die wordt vervolgd voor een feit dat tot een verplichte bijzondere verbeurdverklaring aanleiding kan geven, moet daarmee bij het voeren van zijn verdediging rekening houden.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 130,41 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 14 juni 2016 uitgesproken

Noot: 

E. Francis, «De verwittiging voor bijkomende straffen: naar meer coherentie?» in Amicus Curiae. Liber Amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Intersentia, 2013, 151-167.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/09/2017 - 14:35
Laatst aangepast op: ma, 18/09/2017 - 14:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.