-A +A

Verbod verkoop met verlies en de bescherming consument

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/09/2016
A.R.: 
C.15.0116.N

Art. 101 WMBC betreft niet alleen een oneerlijke handelspraktijk die betrekking heeft op de economische belangen van concurrenten of betrekking heeft op transacties tussen handelaars, maar beoogt ook de bescherming van de consument.

Art. 101 WMPC valt dan ook onder Richtlijn 2005/29/EG.

Art. 101 WMPC als algemeen en ongenuanceerd verbod  is strenger is dan de Richtlijn en kan dan ook geen toepassing kan vinden  (art. 4 Richtlijn).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
895
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

cvba E.B. t/ Vennootschap naar Nederlands recht bv K.E. en bvba K.E.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 16 december 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Art. 1.1 van Richtlijn 2005/29 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, bepaalt dat het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.

2. Punt 6 van de considerans van Richtlijn 2005/29 luidt als volgt: “(...) de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, (wordt) bij deze richtlijn geharmoniseerd. (...). Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren; met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de mogelijkheid dergelijke praktijken aan banden te leggen, overeenkomstig de communautaire wetgeving, indien zij zulks wensen. (...)”

3. Krachtens art. 101, § 1 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming is het elke onderneming verboden goederen met verlies te koop aan te bieden of te verkopen. Als een verkoop met verlies wordt beschouwd, elke verkoop tegen een prijs die niet ten minste gelijk is aan de prijs waartegen de onderneming het goed heeft gekocht of die de onderneming zou moeten betalen bij herbevoorrading, na aftrek van eventueel toegekende en definitief verworven kortingen. Om uit te maken of er verkoop met verlies is, wordt geen rekening gehouden met kortingen die, al dan niet uitsluitend, toegekend worden in ruil voor verbintenissen van de onderneming andere dan de aankoop van goederen.

4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij beschikking van 7 maart 2013, in de zaak C-343/12, verklaard voor recht: “Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (“Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als aan de orde in het hoofdgeding die een algemeen verbod behelst om goederen met verlies te koop aan te bieden of te verkopen, voor zover deze bepaling de bescherming van de consument beoogt.”

5. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn, overeenkomstig punt 6 van de considerans van de richtlijn, slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die “alleen” de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars, uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn. Nationale wettelijke regelingen die naast de economische belangen van de concurrenten ook de belangen van de consumenten beogen te beschermen, zijn dus aan de voorschriften van de richtlijn onderworpen (met name HvJ 14 januari 2010, zaak C-304/08, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV, rechtsoverwegingen 38-40, 9 november 2010, zaak C-540/08, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag GmbH & Co. KG, rechtsoverwegingen 21-23, 30 juni 2011, zaak C-288/10, Wamo bvba, rechtsoverweging 22, en 15 december 2011, zaak C-126/11, Inno nv, rechtsoverwegingen 28-30).

6. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt aldus kennelijk dat van zodra een nationale wettelijke regeling naast de economische belangen van de concurrenten, ook de belangen van de consumenten beoogt te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken die de belangen van de consumenten schaden, ook al is dit slechts onrechtstreeks, deze regeling onderworpen is aan de voorschriften van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en dat slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die “alleen” de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars uit de werkingssfeer van de richtlijn zijn gesloten.

7. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met art. 101, § 1 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming niet alleen formeel een dubbele doelstelling vooropstelde, maar ook daadwerkelijk en met opgave van redenen beoogde, naast de economische belangen van de concurrenten, de consumenten te beschermen. Er werd daarbij uiteengezet dat verkoop met verlies wordt toegepast door grotere ondernemingen die de verlieslatende prijs hanteren om aan de klanten, die zij eerst naar hun winkels hebben gelokt met hun lage verlieslatende prijs, andere goederen met een hogere winstmarge te kunnen verkopen, dat deze praktijk kan leiden tot het verdwijnen van de speciaalzaken, dat de consument er belang bij heeft dat er voldoende alternatieve distributiekanalen beschikbaar blijven, inzonderheid de speciaalzaken waar de nadruk wordt gelegd op een betere dienstverlening, en dat het verbod van verkoop met verlies daartoe kan bijdragen.

Hieruit volgt dat de praktijk van verkoop met verlies de belangen van de consumenten schaadt en dat de uitgevaardigde maatregel kan bijdragen tot de door de wetgever beoogde bescherming van de consumenten.

8. Uit enerzijds, deze vaststellingen, en anderzijds, de rechtspraak van het Hof van Justitie, volgt dat art. 101, § 1 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming onder het toepassingsveld van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken valt.

9. Door te oordelen dat “art. 101 WMBC niet alleen een oneerlijke handelspraktijk betreft die betrekking heeft op de economische belangen van concurrenten of betrekking heeft op transacties tussen handelaars, maar ook de bescherming van de consument beoogt”, dat “art. 101 WMPC dan ook onder (...) Richtlijn 2005/29/EG valt (...)” en dat “art. 101 WMPC daarenboven als algemeen en ongenuanceerd verbod, strenger is dan de Richtlijn en dan ook geen toepassing kan vinden (art. 4 Richtlijn)”, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Arrest a quo: Gent 16 december 2013, NJW 2014, 658, noot R. Steennot, RW 2014-15, 543, na HvJ nr. C-343/12, 7 maart 2013, JLMB 2013, 1876, noot A. Meulder, TBH 2014, 606, noot T. Baes.

Noot: 

• Gent 16 december 2013, NJW 2014, 658, noot R. Steennot, RW 2014-15, 543, na HvJ nr. C-343/12, 7 maart 2013, JLMB 2013, 1876, noot A. Meulder, TBH 2014, 606, noot T. Baes.

Het art. 101 WMBC, werd evenwel herschreven in art. VI. 116. WER:

" § 1. Teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen, [is het elke onderneming] verboden goederen met verlies te koop aan te bieden of te verkopen.
Als een verkoop met verlies wordt beschouwd, elke verkoop tegen een prijs die niet ten minste gelijk is aan de prijs waartegen de onderneming het goed heeft gekocht of die de onderneming zou moeten betalen bij herbevoorrading, na aftrek van eventueel toegekende en definitief verworven kortingen, alsook van niet definitief verworven volumekortingen berekend op basis van 80 % van de volumekorting die de onderneming in het voorbije jaar voor hetzelfde goed heeft verworven. Om uit te maken of er verkoop met verlies is, wordt geen rekening gehouden met kortingen die, al dan niet uitsluitend, toegekend worden in ruil voor verbintenissen van de onderneming andere dan de aankoop van goederen.
§ 2. In geval van gezamenlijk aanbod van verscheidene, al dan niet identieke goederen, geldt het verbod bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, slechts wanneer het aanbod in zijn geheel een verkoop met verlies uitmaakt".

Dit artikel verbiedt elke handelaar een goed met verlies te verkopen en stelt zeer uitdrukkelijk dat dit verbodt beoogt “eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen". Deze toevoeging werd duidelijk opgesteld om de strijdigheid met richtlijn 2005/29/EG [Richtlijn oneerlijke handelspraktijken] weg te werken.

Een verkoop met verlies is een verkoop tegen een prijs die niet ten minste gelijk is aan de prijs waartegen een onderneming het goed heeft gekocht, na aftrek van:

• toegekende en definitief verworven kortingen;
•niet definitief verworven volumekortingen, ten belope van 80% van de verworven volumekortingen in het voorbije jaar voor hetzelfde goed.

Het Boek VI WER, voorziet een reeks uitzonderingen gekoppeld aan bijzondere omstandigheden, waarin verkoop met verlies (art. VI.117 WER) toegelaten is:

• naar aanleiding van soldenverkoop of uitverkoop;
• met als doel de goederen die vatbaar zijn voor snel bederf van de hand te doen als hun bewaring niet meer kan worden verzekerd;
• ten gevolge externe omstandigheden;
• goederen die technisch voorbijgestreefd zijn of beschadigd zijn;
• de noodzakelijkheid van concurrentie.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 08/03/2017 - 11:44
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 11:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.