-A +A

Verbod tot delegatie van rechtsmacht aan de deskundige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 01/02/2011

Een rechter mag zijn rechtsmacht niet aan een derde overdragen (art. 11 Ger. W.). De opdracht aan een deskundige om het al dan niet betalen van een vordering te bepalen is een verboden overdracht van rechtsmacht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1072
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Faillissement BVBA L. e.a. t/ O.

...

Appellanten stellen hoger beroep in teneinde het bestreden vonnis te horen vernietigen in de mate dat het hen veroordeeld heeft tot betaling van 11.068,68 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, en teneinde geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het hoger beroep.

Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in teneinde het bestreden vonnis te horen vernietigen in de mate dat het een deskundigenonderzoek heeft bevolen en teneinde appellanten te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het hoger beroep.

Dat partijen al dan niet een akkoord zouden hebben gehad voor de eerste rechter om een deskundigenonderzoek te bevelen, doet in het geheel niets ter zake. Een onderzoeksmaatregel kan niet het voorwerp van een eis uitmaken in de zin van art. 1138 Ger.W., zodat hij niet het voorwerp kan uitmaken van een akkoordvonnis. In geen geval is de rechter gebonden door het akkoord van partijen om een deskundigenonderzoek te laten plaatshebben. De rechter dienst steeds op onaantastbare wijze – mits hij het principieel recht op bewijs en de tegenspraak eerbiedigt – te oordelen of een onderzoeksmaatregel opportuun is en voor wat het deskundigenonderzoek betreft, noodzakelijk voor de beslechting van het geschil.

Het deskundigenonderzoek is een onderzoeksmaatregel waarbij de tussenkomst van een specialist bevolen wordt om de rechter in staat te stellen een beter inzicht te krijgen in de technische aspecten van het geschil dat hem wordt voorgelegd, zowel wat de feiten als hun oorzaken en gevolgen betreft. Het deskundigenonderzoek kan geen ander doel hebben dan de rechter een onafhankelijk en onpartijdig advies te verschaffen over technische punten die door hem beoordeeld dienen te worden, teneinde het voor hem gebrachte geschil te beslechten. Het is de rechter in elk geval verboden zijn rechtsmacht over te dragen (art. 11, eerste lid Ger.W.). Deze regel raakt de openbare orde. De deskundige mag derhalve geen juridisch advies geven over de gegrondheid van de eis.

De betaling is de rechtshandeling waarmee een schuldenaar zich van zijn verbintenis kwijt. De vragen of de schuldenaar betaald heeft, hoe en hoeveel, zijn rechtsvragen die behoren tot de rechtsmacht van de rechter en die niet aan een deskundige kunnen worden overgedragen.

In dit geschil ligt geen enkele technische vraag voor, waarover een technisch advies zou kunnen worden ingewonnen alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van de eis. Door een deskundigenonderzoek te bevelen waarbij aan de deskundige als enige opdracht werd gegeven om na te gaan wat en hoeveel appellanten reeds aan geïntimeerde hebben betaald en teneinde de eindafrekening tussen partijen op te stellen, heeft de eerste rechter zijn rechtsmacht overgedragen aan de deskundige en aldus de voormelde bepaling van openbare orde geschonden.

In de mate dat een deskundigenonderzoek in het bestreden vonnis werd bevolen, dient dit bestreden vonnis dan ook vernietigd te worden. Het incidenteel hoger beroep is gegrond.

...

Noot: 

Vraag aan deskundige door onderzoeksrechter om inlichtingen over oorzaak verwondingen is geen verboden delegatie van rechtsmacht

Hof van Cassatie 24/05/2016, AR P.16.0128.N, RW 2017-2018, 224, met noot van B. De Smet, Techniciteit van het deskundigenonderzoek

Samenvatting

Artikel 11, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de rechters hun rechtsmacht niet kunnen overdragen, houdt in dat de opdracht waarmee de rechter een gerechtsdeskundige belast, beperkt moet zijn tot het doen van vaststellingen of het geven van een technisch advies, maar geen vraag mag bevatten om advies te geven over de gegrondheid van de strafvordering of van de burgerlijke rechtsvordering (1). (1) Cass. 6 maart 2014, AR C.12.0615.N, AC 2014, nr. 179 met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM.

Het enkele feit dat de onderzoeksrechter een deskundige opdraagt hem voor te lichten over de aard en de omstandigheden van een misdrijf, daarin begrepen de oorzaken van de verwondingen van de bij een misdrijf betrokken persoon, houdt niet in dat de onderzoeksrechter zijn rechtsmacht aan deze deskundige overdraagt; krachtens de artikelen 43 en 44 Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeksrechter de deskundige immers met een dergelijke opdracht belasten (1). (1) Cass. 28 april 2015, AR P.14.1623.N, AC 2015, nr 279, P&B 2015, 190-194 met noot TOREMANS T., 'Jurisprudentiële temperingen op het verbod van overdracht van rechtsmacht in het kader van het gerechtelijk deskundigenonderzoek'.

Om na te gaan of de onderzoeksrechter zijn rechtsmacht al dan niet aan de gerechtsdeskundige heeft overgedragen, dient de formulering van de opdracht aan de deskundige in haar geheel te worden nagegaan en moeten alle gegevens in acht worden genomen, zoals de redenen waarvoor en de context waarin de deskundige is aangesteld; de rechter die deze beoordeling doet, mag evenwel uit de door hem aldus vastgestelde gegevens geen gevolgen trekken die met de bedoelde overdracht geen verband houden of die het oordeel daarover niet kunnen verantwoorden (1). (1) Zie voetnoot (2); HUYBRECHTS L., 'Is de rechterlijke opdracht aan de deskundige om aanwijzingen van misdrijven te zoeken een overdracht van rechtsmacht?', noot onder Corr. Antwerpen 11 oktober 2013, NC 2014, 331-334.

Tekst arrest

Nr. P.16.0128.N
Mario VANDROMME, wonende te 8790 Waregem, Driekoningenstraat 28,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
Pedro Janique Jozef DEZITTER, geboren te Kortrijk op 31 mei 1989, wonende te 8500 Kortrijk, Doorniksewijk 147,
beklaagde,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 december 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 11, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest weert ten onrechte het tweede en het derde aanvullend des-kundigenonderzoek uit het debat omdat de opdracht van de onderzoeksrechter aan de gerechtsdeskundige een onwettige delegatie inhoudt van de louter rechterlijke functie; het arrest stelt vast dat de onderzoeksrechter aan de gerechtsdeskundige heeft gevraagd "diens advies te verlenen omtrent de vraag of kan worden uitgemaakt of de bij [de eiser] vastgestelde oogletsels eerder afkomstig zijn van de inslag van een zware ring ten gevolge van een krachtige vuistslag, dan wel ten gevolge van het feit dat [de eiser] met zijn gezicht tegen een glas zou zijn terechtgekomen" en besluit dat die vraagstelling "in concreto een gerichte vraag is naar de oorzaak van de letsels"; die vaststellingen wettigen niet de beslissing dat er sprake is van een onwettige overdracht van rechtsmacht; het gevraagde advies vereist immers geen beoordeling van de schuld van een welbepaalde beklaagde, maar betreft louter een technisch advies over de vraag of de aard van de bij de eiser vastgestelde verwondingen eerder kan overeenstemmen met een vuistslag dan wel met een botsing met een glas.

2. Artikel 11, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechters hun rechtsmacht niet kunnen overdragen. Die bepaling houdt in dat de opdracht waarmee de rechter een gerechtsdeskundige belast, beperkt moet zijn tot het doen van vaststellingen of het geven van een technisch advies, maar geen vraag mag bevatten om advies te geven over de gegrondheid van de strafvordering of van de burgerlijke rechtsvordering.

3. Het enkele feit dat de onderzoeksrechter een deskundige opdraagt hem voor te lichten over de aard en de omstandigheden van een misdrijf, daarin begrepen de oorzaken van de verwondingen van de bij een misdrijf betrokken persoon, houdt niet in dat de onderzoeksrechter zijn rechtsmacht aan deze deskundige overdraagt. Krachtens de artikelen 43 en 44 Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeks-rechter de deskundige immers met een dergelijke opdracht belasten.

4. Om voor het overige na te gaan of de onderzoeksrechter zijn rechtsmacht al dan niet aan de gerechtsdeskundige heeft overgedragen, dient de formulering van de opdracht aan de deskundige in haar geheel te worden nagegaan en moeten alle gegevens in acht worden genomen, zoals de redenen waarvoor en de context waarin de deskundige is aangesteld. De rechter die deze beoordeling doet, mag evenwel uit de door hem aldus vastgestelde gegevens geen gevolgen trekken die met de bedoelde overdracht geen verband houden of die het oordeel daarover niet kunnen verantwoorden.

5. Het arrest oordeelt dat:
- de in het onderdeel vermelde vraagstelling in concreto een gerichte vraag is naar de oorzaak van de letsels;
- in die vraagstelling de zwaarte van de ring en de kracht van de vuistslag wor-den beklemtoond, maar de reeds gekende verklaringen van Chade Naessens en de verweerder worden genegeerd of geminimaliseerd in de voorwaardelijke wijs naar "tegen een glas zou terechtkomen", en van een mogelijke kopstoot uitgaande van de eiser geen gewag wordt gemaakt;
- het laatste deel van deze beide deskundigenopdrachten in strijd is met artikel 11 Gerechtelijk Wetboek, dat van openbare orde is, en met artikel 6.1 EVRM, gezien dit een onwettige delegatie inhoudt van de louter rechterlijke functie;
- tijdens het gerechtelijk onderzoek de gerechtsdeskundige immers geen stand-punt mocht innemen inzake de verantwoordelijkheden, hetgeen behoort tot de specifiek juridische aspecten van de strafprocedure;
- uit de door de gerechtsdeskundige gehanteerde bewoordingen blijkt dat hij wel degelijk heeft aangevoeld dat hij zich op glad ijs bevond, wat uitvoerig wordt besproken in de beroepsconclusie van de verweerder;
- bovendien beide partijen niet op voet van gelijkheid zijn behandeld geweest;
- alvorens de aanvullende opdrachten zijn gegeven, de verweerder nooit gehoord noch herverhoord is geweest over het al dan niet dragen van een ring, wat hij ten stelligste betwist, terwijl de eiser meermaals is onderzocht geweest door de gerechtsdeskundige en gehoord is geweest;
- de gerechtsdeskundige nooit het medisch attest van Chade Naessens in zijn oordeel heeft betrokken omdat haar klacht wegens opzettelijke slagen tegen de eiser niet behoorde tot de saisine van de onderzoeksrechter;
- ingevolge dat attest de hypothese dat eisers verwonding niet is veroorzaakt door een vuistslag van de verweerder, maar door een champagneglas dat werd geplet tussen het hoofd van de eiser en een lichaam, plausibel kan zijn;
- de eerste rechter de bewijswaardering quasi uitsluitend heeft geput uit de des-kundigenverslagen en door het tijdsverloop thans een degelijk verweer niet meer mogelijk is, ook niet na verhoor onder eed van de gerechtsdeskundige;
- de appelrechters het tweede en het derde aanvullend deskundigenonderzoek weren wegens de manifeste schending van artikel 11 Gerechtelijk Wetboek juncto artikel 6.1 EVRM.

6. Eensdeels kan uit de deskundigenopdrachten zoals zij in concreto zijn ge-formuleerd, niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter de door haar aange-stelde gerechtsdeskundige heeft belast met het oordeel over de schuld van de ver-weerder aan het hem ten laste gelegde feit van het opzettelijk toebrengen van sla-gen met blijvende werkonbekwaamheid aan de eiser. Die opdrachten houden im-mers enkel een vraag in tot het verkrijgen van een medisch-technisch advies over twee mogelijke oorzaken van de bij de eiser vastgestelde verwondingen. Ander-deels houden de overige door het arrest vastgestelde gegevens geen verband met de vraag of de onderzoeksrechter een aan de rechter voorbehouden oordeel heeft overgedragen aan de gerechtsdeskundige, maar wel met onvolkomenheden in het gerechtelijk onderzoek, de opportuniteit van de concrete vraagstelling aan de ge-rechtsdeskundige en de bewijswaarde van zijn bevindingen. Het arrest dat uit die omstandigheden afleidt dat artikel 11, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is ge-schonden, verantwoordt de beslissing dan ook niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 24 mei 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 22/02/2013 - 21:20
Laatst aangepast op: ma, 02/10/2017 - 15:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.