-A +A

verbod strafverzwaring op verzet en beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
zon, 11/06/2006
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
406

N.B. t/ Openbaar ministerie

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 18 maart 2008.

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Over het ambtshalve middel dat de schending aanvoert van de artikelen 187, 188, 202 en 203 Sv.

Wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis dat het verzet van de beklaagde ongedaan verklaart, krijgt de appelrechter door dat rechtsmiddel tevens kennis van het geschil dat is beslecht door de beslissing waartegen verzet is gedaan.

Wanneer het openbaar ministerie evenwel hoger beroep instelt tegen het vonnis dat het verzet ongedaan verklaart, zonder hoger beroep te hebben ingesteld tegen het vonnis waartegen verzet is gedaan, mag, op grond van de relatieve werking van het verzet, de toestand van de beklaagde vergeleken met dat vonnis niet worden verzwaard.

Het verbod voor de rechter om, hoe dan ook, de toestand van de beklaagde te verzwaren ten opzichte van de beslissing bij verstek, heeft tot gevolg dat de ambtshalve veroordelingen die de verplichte aanvulling van de straffen uitmaken of aan de Staat de borgsom toewijzen die in het raam van de voorlopige hechtenis is gestort, evenmin als de straffen, voor het eerst op het verzet van de beklaagde kunnen worden verhoogd of uitgesproken.

Bij verstekvonnis van 19 juni 2006 werd de eiser tot een gevangenisstraf, een geldboete en verbeurdverklaring veroordeeld, evenals tot een vergoeding van 25 euro, met toepassing van art. 77, tweede lid, van het K.B. van 27 april 2007 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

Op 5 september 2006 heeft de correctionele rechtbank het verzet ongedaan verklaard.

Bij de uitspraak over de hogere beroepen die door het openbaar ministerie en de eiser tegen het vonnis van 5 september zijn ingesteld, bevestigt het bestreden vonnis de straffen die bij vonnis van 5 september 2006 zijn opgelegd, beveelt het daarnaast de verbeurdverklaring van de vier voertuigen die in de telastleggingen C.1, C.2, C.3, C.4, D.1 en D.2 zijn bedoeld, veroordeelt het de eiser tot een vergoeding van 29,30 euro aan gerechtskosten en zegt het dat de borgsom die ter uitvoering van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 16 februari 2001 is gestort, aan de Staat wordt toegewezen.

Omdat het arrest de toestand van de eiser verzwaart, ofschoon het openbaar ministerie geen hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis waartegen verzet is gedaan, wordt het vernietigd, in zoverre deze verzwaring met schending van de in het middel vermelde bepalingen is uitgesproken.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

...

 

Noot: 

NOOT onder deze uitspraak in het RW  – Draagwijdte van het hoger beroep tegen ongedaan verzet


De staat van wettelijke herhaling vaststellen is een strafverzwaring.

Wanneer een veroordeelde door de Correctionele Rechtbank hoger beroep aantekent, kan de straf in hoger beroep principieel niet verzwaard worden, behoudens wanneer het Parket ook hoger beroep instelt.

Wanneer het Parket dus geen hoger beroep instelt, kan de straf in graad van beroep niet zwaarder zijn dan de straf opgelegd in eerste aanleg, onverminderd de mogelijkheid voor het Hof van Beroep om de straf te verminderen of zelfs tot vrijspraak te beslissen.

Wanneer de eerste rechter in zijn vonnis geen staat van wettelijke herhaling heeft weerhouden en de rechter in graad van beroep, oordelend over het beroep van de veroordeelde, waarbij het Parket geen hoger beroep heeft ingesteld, oordeelt dat er staat is van wettelijke herhaling, houdt deze beslissing een strafverzwaring in die niet toegelaten is door de wet en aanleiding kan geven tot cassatie.

Aldus oordeelde het Hof van Cassatie in haar arrest van 30.10.2012, RW 2013-2014, kolom 654.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/11/2009 - 23:02
Laatst aangepast op: wo, 11/05/2016 - 15:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.