-A +A

Verbod dat iemand in de toekomst nooit geen wapens meer mag bezitten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 24/05/2016
A.R.: 
234.814

De Raad van State stelt de vraag rijzen of een beslissing om in de toekomst nog wapens te dragen niet op preventieve wijze heeft beslist dat verzoeker in de toekomst geen dergelijke wapens meer zal mogen bezitten en zo ja, of de gemachtigde van de Minister, in het licht van de hem op grond van art. 30 van de Wapenwet toegekende bevoegdheid, ratione materiae bevoegd is om een dergelijke preventieve beslissing te nemen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
261
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

J.P. t/ Belgische Staat, minister van Justitie

Arrest nr. 234.814

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 oktober 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 12 augustus 2013 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 3 augustus 2012.

...

VI. Onderzoek van de middelen

Ambtshalve middel

9. De bevoegdheid ratione materiae van de steller van de bestreden beslissing raakt de openbare orde, zodat de Raad van State dit in voorkomend geval vermag op te werpen.

10. Deze bestreden beslissing is door de gemachtigde van de Minister genomen in administratief beroep zoals dit is georganiseerd in art. 30 van de Wapenwet. Door de devolutieve werking van dit georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Zij kan aldus op dezelfde wijze als de gouverneur het recht om een wapen voorhanden te hebben beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren.

Volgens art. 11, § 3, 5o van de Wapenwet – dat op grond van de voormelde devolutieve werking van het administratief beroep ook geldt voor de gemachtigde van de Minister – moet de persoon aan wie een wapenvergunning wordt verleend, voldoen aan de voorwaarde “niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp zijn geweest van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen”. Op grond van deze bepaling moet aldus, wanneer verzoeker een nieuwe aanvraag tot het verkrijgen van een wapenvergunning zou indienen, de gouverneur, of zoals te dezen de minister van Justitie of zijn gemachtigde, op grond van een individuele beoordeling nagaan of de redenen die tot de bestreden beslissing hebben geleid op dat ogenblik nog steeds actueel zijn. Deze bepaling staat eraan in de weg dat de gemachtigde van de Minister op preventieve wijze beslist dat de rechtzoekende in de toekomst geen wapens meer zal mogen bezitten.

Te dezen betreft het voorwerp van de bestreden beslissing het verbod opgelegd aan verzoeker om “zolang het gevaar voor de openbare orde in [zijnen] hoofde bestaat” vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te hebben. Dit doet bij de Raad van State de vraag rijzen of deze bestreden beslissing niet op preventieve wijze heeft beslist dat verzoeker in de toekomst geen dergelijke wapens meer zal mogen bezitten en zo ja, of de gemachtigde van de Minister, in het licht van de hem op grond van art. 30 van de Wapenwet toegekende bevoegdheid, ratione materiae bevoegd is om een dergelijke preventieve beslissing te nemen.

Mocht blijken dat de bestreden beslissing geen dergelijk preventief verbod inhoudt, dan rijst in dit geval evenwel ambtshalve de vraag of de bestreden beslissing hier enig rechtgevolg kan hebben en of derhalve deze in voorkomend geval een aanvechtbare administratieve rechtshandeling betreft, wat de Raad van State desnoods vermag op te werpen.

11. Deze vraag naar de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing en de aard van de bestreden beslissing werd niet onderzocht door het auditoraat. Aangezien dit een element betreft dat ertoe strekt de beslechting van het geschil te beïnvloeden en dit niet het voorwerp is geweest van een debat op tegenspraak, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis: EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova t/ Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek t/ Tsjechische Republiek, punt 45).

Daarom is er aanleiding tot het bevelen van een aanvullend onderzoek wat de bevoegdheid ratione materiae van de gemachtigde van de Minister betreft tot het nemen van de bestreden beslissing, alsook in voorkomend geval wat het aanvechtbare karakter ervan betreft.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/10/2016 - 11:56
Laatst aangepast op: za, 22/10/2016 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.