-A +A

Verbintenis onder opschortende voorwaarde begrip

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/03/2017
A.R.: 
F.16.0067.N

Een verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde wanneer haar uitvoering afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis of van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

Krachtens artikel 1174 Burgerlijk Wetboek is iedere verbintenis nietig wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt. Een verbintenis die is aangegaan onder een louter potestatieve voor-waarde van de zijde van de schuldeiser is geldig.

Anders dan bij een alternatieve en een facultatieve verbintenis is het bij een ver-bintenis onder opschortende voorwaarde onzeker of de schuldenaar uiteindelijk zal moeten presteren. De opeisbaarheid van de verbintenis onder opschortende voorwaarde hangt immers af van de verwezenlijking van de voorwaarde.

Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen naderhand hun huwelijkscontract hebben wijzigen door toevoeging van een "finaal verrekenbeding", waarin onder meer bedongen kan bedongen worden:

"Bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot, komt aan de langstlevende echtgenoot de optie toe, geheel facultatief en vrijblijvend, om tussen de langstlevende echtgenoot en de erfgenamen van de eerst overleden echtgenoot op verbintenisrechtelijke wijze af te rekenen, bij wijze van huwelijksovereenkomst, alsof de echtgenoten waren gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeenschap van goederen volgens Belgisch recht".

Aldus dient geoordeeld dat:

- de verrekenschuld haar oorzaak en oorsprong vindt in de wijziging van het hu-welijkscontract en dus vóór het overlijden van de eerste overleden echtgenoot is ontstaan;

- de nalatenschap enkel kan worden vastgesteld en de successierechten enkel kunnen berekend en geheven worden nadat de huwelijksovereenkomst is uitgevoerd en indien deze optioneel is, nadat de optie is gelicht;

- de verrekening, volgend uit de wijziging van het huwelijkscontract, de samenstelling van de nalatenschap voorafgaat;

- de schuld ontstaat vóór het overlijden maar slechts definitief, bepaald en opeisbaar wordt als de optie wordt gelicht en dus na het overlijden;

- de uitoefening van het optierecht niet de schuld doet ontstaan, maar wel de omvang ervan bepaalt.

Aldus mag geoordeeld worden dat de echtgenoten bij de opname van het finaal verrekenbeding een verbintenis aangaan onder opschortende voorwaarde van hun vooroverlijden en van het lichten van de optie door de langstlevende van hen, zodat de schuld reeds vóór het overlijden bestaat.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1384
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.16.0067.N

Vlaams Gewest t/ L.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 juni 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Een verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde wanneer haar uitvoering afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis of van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

Krachtens art. 1174 BW is iedere verbintenis nietig wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt. Een verbintenis die is aangegaan onder een louter potestatieve voorwaarde van de zijde van de schuldeiser is geldig.

Anders dan bij een alternatieve en een facultatieve verbintenis, is het bij een verbintenis onder opschortende voorwaarde onzeker of de schuldenaar uiteindelijk zal moeten presteren. De opeisbaarheid van de verbintenis onder opschortende voorwaarde hangt immers af van de verwezenlijking van de voorwaarde.

2. De appelrechters stellen vast dat de rechtsvoorgangster van de verweerder en wijlen haar echtgenoot gehuwd waren onder het stelsel van scheiding van goederen en dat zij naderhand hun huwelijkscontract hebben gewijzigd door toevoeging van een «finaal verrekenbeding», waarin onder meer bedongen werd: «Bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot, komt aan de langstlevende echtgenoot de optie toe, geheel facultatief en vrijblijvend, om tussen de langstlevende echtgenoot en de erfgenamen van de eerst overleden echtgenoot op verbintenisrechtelijke wijze af te rekenen, bij wijze van huwelijksovereenkomst, alsof de echtgenoten waren gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeenschap van goederen volgens Belgisch recht.»

Zij oordelen dat:

– de verrekenschuld haar oorzaak en oorsprong vindt in de wijziging van het huwelijkscontract en dus vóór het overlijden van de eerst overleden echtgenoot is ontstaan;

– de nalatenschap enkel kan worden vastgesteld en de successierechten enkel kunnen berekend en geheven worden nadat de huwelijksovereenkomst is uitgevoerd en indien deze optioneel is, nadat de optie is gelicht;

– de verrekening, volgend uit de wijziging van het huwelijkscontract, de samenstelling van de nalatenschap voorafgaat;

– de schuld ontstaat vóór het overlijden maar slechts definitief, bepaald en opeisbaar wordt als de optie wordt gelicht en dus na het overlijden;

– de uitoefening van het optierecht niet de schuld doet ontstaan, maar wel de omvang ervan bepaalt.

3. Door aldus te oordelen dat de echtgenoten bij de opname van het finaal verrekenbeding een verbintenis onder opschortende voorwaarde van hun vooroverlijden en van het lichten van de optie door de langstlevende van hen aangaan, zodat de schuld reeds vóór het overlijden bestaat, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Noot: 

Julie del Corral, Het voorwaardelijke karakter van een optioneel finaal verrekenbeding, RW 2017-2018, 1384

Rechtspraak:

• De vier arresten uitgesproken over de kwalificatie van een optioneel finaal verrekenbeding

Cass. 24 maart 2017, AR nrs.

1.. F.15.0190.N,

2.. F.16.0042.N,

3. F.16.0067.N,

F.16.0068.N.

• Cass. 20 maart 2014, Arr.Cass. 2014, nr. 222: «Als op de dag van het overlijden bestaande schulden kunnen slechts worden beschouwd de schulden die een zekere en definitieve last van de nalatenschap vormen»

• Cass. 5 juni 1981, Arr.Cass. 1980-81, nr. 576;

• Cass. 8 december 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 631;

• Cass. 21 april 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 238

 

Rechtsleer:

• H. Casier, «Erfbelasting» in Comm.Erfr. 2016, p. 104, nr. 120;

• J. Decuyperen J. Ruysseveldt, Successierechten 2016-2017, Mechelen, Kluwer, 2017, p. 661, nr. 660 en p. 666, nr. 672

• D. De Groot, Handboek Successierechten, Antwerpen, Intersentia, 2016, 77 en 191;

• H. Casier, «Erfbelasting» in Comm.Erfr. 2016, p. 106 nr. 122

• Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] MACALUSO, Patrizia; Noot 'Het Hof van Cassatie bevestigt de fiscale doorwerking van het optioneel finaal verrekenbeding. De Vlaamse decreetgever slaat terug' 2017, nr. 531, p. 903-908.

• Conclusie advocaat-generaal D. Thijsvoor Cass. 31 oktober 2014, Arr.Cass. 2014, 2423

• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, p. 289, nr. 283;

• N. Peeters, «Verbintenissen met meerdere voorwerpen» in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht 2000, afl. 3, III.3-4;

• S. Stijns, Verbintenissenrecht, 2, Brugge, die Keure, 2009, p. 28, nr. 36, 3°;

• P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, III, Brussel, Bruylant, 2010, p. 1757, nr. 1227;

• M. Van Quickenborneen J. Del Corral, «Verbintenissen met verscheidene voorwerpen» in Comm.Bijz.Ov. 2013, p. 21, nr. 3;

• W. Van Gervenen A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 549

• R. Barbaixen A.-L. Verbeke, «Finaal verrekenbeding: civielrechtelijk en fiscaalrechtelijk performant bevonden!», Not.Fisc.M. 2012, (209), p. 212, nr. 7;

• C. De Bruyn, noot onder Cass. 31 oktober 2014, Fisc.Koer. 2015, 588;

• S. Seyns, «Het Hof van Cassatie spreekt zich (niet) uit over de aftrekbaarheid van een verrekenschuld van een optioneel finaal verrekenbeding» in Vermogensplanning in de praktijk 2015, (29), p. 34, nr. 15;

• E. Dhaeneen G. Deknudt, «(Optioneel) finaal verrekenbeding: is de verrekenschuld aannemelijk passief?», Nieuwsbrief Successierechten 2016, (1) 7;

• R. Barbaix, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 326, nr. 571

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 23/04/2018 - 15:11
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.