-A +A

Verbeurdverklaring - Witwassen - Aanspraken van derden - Rechtmatigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 04/03/2014
A.R.: 
P.13.1852.N

Het feit dat een derde niet veroordeeld is voor de feiten van witwassen of feiten die het witgewassen vermogensvoordeel hebben voortgebracht, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat zijn bezit van die goederen rechtmatig is.

Krachtens artikel 505, derde lid (oud) Strafwetboek, wordt het voorwerp van het misdrijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen eigendom van de veroordeelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt.

Die bepaling vereist niet dat de aldus verbeurd te verklaren goederen tot het vermogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden, dit zijn personen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf, krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden.

De wederrechtelijke oorsprong van de goederen die als voorwerp van het misdrijf witwassen in aanmerking komen voor de verbeurdverklaring, volstaat niet om de aanspraken van derden op die goederen zonder meer af te wijzen. In dat geval zou immers geen enkele derde aanspraken kunnen doen gelden op deze goederen, die krachtens de voormelde bepaling allemaal een wederrechtelijke oorsprong hebben.

Voor het overige beoordeelt de rechter onaantastbaar in feite of het bezit dat derden op die goederen beweren te hebben, rechtmatig is. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle voorliggende omstandigheden, zoals de deugdelijkheid van het voorgehouden bezit en de goede trouw van de derde die aanspraken op die goederen doet gelden of wiens aanspraken daarop worden uitgeoefend. Die goede trouw is aanwezig wanneer die derde kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen.

Bijgevolg heeft het feit dat een derde niet veroordeeld is voor de feiten van witwassen of feiten die het witgewassen vermogensvoordeel hebben voortgebracht, niet noodzakelijk tot gevolg dat zijn bezit van die goederen rechtmatig is.

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/14
Pagina: 
944
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 oktober 2013.

De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 505, derde lid Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007: het arrest dat de stiefmoeder van de eiseressen, I.A.K., veroordeelt wegens witwasmisdrijven, beveelt de verbeurdverklaring van een bedrag van 4.946.602 USD en oordeelt dat die verbeurdverklaring ten uitvoer dient gelegd te worden op in beslag genomen rekeningen (…) waarop het saldo van de rekening (…) werd omgezet met voortzetting van het beslag, (…) en (…), die op naam staan van de veroordeelde en van V.G.K.; de eiseressen zijn de dochters uit een vorig huwelijk en de wettige erfgenamen van K.; het arrest wijst het verzoek van de eiseressen tot vrijgave van de rekeningen (…), (…) en (…) af omdat, gelet op de illegale oorsprong van de gelden, zij geen rechtmatige onderdelen van enig particulier vermogen vormen, zodat particuliere derden geen rechtmatige aanspraken erop kunnen doen gelden en de verbeurdverklaring geen nadeel toebrengt aan rechtmatige aanspraken van derden; het arrest oordeelt eveneens dat de eiseressen ten aanzien van die gelden geen ruimere aanspraken kunnen laten gelden dan hun rechtsvoorganger; het beroepen vonnis heeft echter de strafvordering ten aanzien van K. vervallen verklaard wegens overlijden, zodat hij niet is veroordeeld voor enig witwasmisdrijf of onderliggend misdrijf; evenmin blijkt uit het arrest dat de eiseressen enige betrokkenheid bij de feiten hebben; bijgevolg oordeelt het arrest ten onrechte dat de verplichte verbeurdverklaring ingevolge de bewezen verklaarde witwasmisdrijven ten uitvoer dient te worden gelegd op rekeningen die zich in het vermogen van derden bevinden en wijst het ten onrechte de aanspraken van die derden af louter op grond van de illegale oorsprong van de gelden.

2. Krachtens artikel 505, derde lid (oud) Strafwetboek, wordt het voorwerp van het misdrijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen eigendom van de veroordeelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt.

Die bepaling vereist niet dat de aldus verbeurd te verklaren goederen tot het vermogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden, dit zijn personen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf, krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat die bepaling niet toelaat goederen verbeurd te verklaren die zich in het vermogen van derden bevinden, faalt het naar recht.

3. De wederrechtelijke oorsprong van de goederen die als voorwerp van het misdrijf witwassen in aanmerking komen voor de verbeurdverklaring, volstaat niet om de aanspraken van derden op die goederen zonder meer af te wijzen. In dat geval zou immers geen enkele derde aanspraken kunnen doen gelden op deze goederen, die krachtens de voormelde bepaling allemaal een wederrechtelijke oorsprong hebben.

Voor het overige beoordeelt de rechter onaantastbaar in feite of het bezit dat derden op die goederen beweren te hebben, rechtmatig is. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle voorliggende omstandigheden, zoals de deugdelijkheid van het voorgehouden bezit en de goede trouw van de derde die aanspraken op die goederen doet gelden of wiens aanspraken daarop worden uitgeoefend. Die goede trouw is aanwezig wanneer die derde kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen.

Bijgevolg heeft het feit dat een derde niet veroordeeld is voor de feiten van witwassen of feiten die het witgewassen vermogensvoordeel hebben voortgebracht, niet noodzakelijk tot gevolg dat zijn bezit van die goederen rechtmatig is.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

4. Wat de feiten van witwassen betreft, oordeelt het arrest (ro. 6, 7 en 14.5) dat:

de gelden die aan K. en I.K. werden gestort op de bedoelde rekeningen als zogenaamde commissielonen, in werkelijkheid smeergelden betroffen die aan K. waren betaald in ruil voor het toekennen van aankopen van medische apparatuur door de administratie van Sint-Petersburg, zodat die gelden uit misdrijf werden verkregen en dus een illegale oorsprong hebben;
I.K., die perfect ervan op de hoogte was dat haar echtgenoot K. smeergelden ontving, in dezelfde mate als K. betrokken was bij het verbergen of verdoezelen van de illegale herkomst van de gelden op de rekeningen;
aldus de bedragen van 2.767.355 USD en 2.179.247 USD, in totaal 4.946.602 USD, werden witgewassen, die volledig kunnen worden teruggevonden in het vermogen van I.K. en van K., welke te beschouwen is als een derde;
de verbeurdverklaring van die gelden dient ten uitvoer te worden gelegd op de in beslag genomen rekeningen (…) waarop het saldo van de rekening (…) werd omgezet met voortzetting van het beslag, (…) en (…), die op naam staan van hetzij I.K. en van K. gezamenlijk, hetzij op naam van K. alleen;
gelet op de illegale oorsprong van de witgewassen gelden, deze geen rechtmatige onderdelen van enig particulier vermogen vormen, zodat particuliere derden geen rechtmatige aanspraken erop kunnen doen gelden en de verbeurdverklaring geen nadeel toebrengt aan dergelijke aanspraken.
5. Wat de aanspraken van de eiseressen op de verbeurdverklaarde gelden betreft, oordeelt het arrest (ro. 19) vervolgens dat:

de verplichte verbeurdverklaring zich richt op het eigenlijke voorwerp van het witwassen en zich krachtens artikel 505 Strafwetboek dan ook opdringt aan derden, voor zover geen schade wordt berokkend aan de rechten die derden op de verbeurd te verklaren zaken kunnen doen gelden;
de eiseressen hun aanspraken uitsluitend putten uit de gebeurlijke aanspraken die K. ten aanzien van deze gelden had kunnen maken, of anders gezegd, de eiseressen op die gelden geen andere of ruimere aanspraken hebben dan hun rechtsvoorganger;
uit wat voorafgaat en uit de beoordeling van het arrest met betrekking tot de wederrechtelijke oorsprong van deze gelden volgt dat de eiseressen niet naar eis van recht bewijzen dat zij rechtmatige aanspraken of rechten kunnen doen gelden op de verbeurdverklaarde zaken en dat hun beweerde aanspraken niet kunnen worden beschouwd als rechtmatige aanspraken of rechten van derden waarvan artikel 505 Strafwetboek de bescherming beoogt.
6. Met het geheel van die redenen geeft het arrest te kennen dat K. als derde geen rechtmatig bezit op de verbeurdverklaarde gelden kon doen gelden omdat hij, gelet op de aangehaalde feitelijke omstandigheden, niet kon geloven in de wettelijkheid van de oorsprong van de gelden, zodat de eiseressen die als erfgenamen enkel in zijn rechten zijn getreden, dat evenmin konden doen.

Het arrest dat aldus de vordering van de eiseressen tot vrijgave van de verbeurdverklaarde gelden verwerpt, niet enkel op grond van de illegale oorsprong van die gelden, maar ook op grond van omstandigheden die de aanspraken van de eiseressen betreffen, verantwoordt de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

7. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen die de beslissing niet schragen en die de hiervoor vermelde, zelfstandige redenen op grond waarvan het arrest het verzoek van de eiseressen verwerpt, onaangetast laten.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 731,18 EUR, waarvan 260,21 EUR verschuldigd is.

Noot: 

Rechtspraak

• Cass. 6 november 2007, RW 2007-08, 1716, noten C. Idomon, B. Weyts en A. Van Oevelen; Cass. 27 april 2010, T.Strafr. 2010, 281, noot D. Libotte;

• Cass. 17 december 2013, Arr.Cass. 2013, p. 2791, nr. 690.

Rechtsleer:

• F. Van Volsem, “Witwassen: de sancties”, T.Strafr. 2011, (400), p. 404-420, nrs. 28-123.

• CONTRA Cass. 10 september 2014, AR nr. P.14.0475.F OOK OP DEZE SITE. www.elfri.be/node/12053 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 15:23
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 15:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.