-A +A

Verbeurdverklaring en raming ex aequo et bono

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 22/05/2015
A.R.: 
P.14.1306.N

Het feit dat de rechter de geldwaarde van de vermogensvoordelen ex aequo et bono kan ramen en die waarde kan verbeurdverklaren, verplicht hem niet over te gaan tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen waarvan hij onaantastbaar oordeelt dat zij, hoewel zij bestaan, onvoldoende te begroten zijn. Ook een begroting ex aequo et bono van vermogensvoordelen vereist immers, om niet willekeurig te zijn, dat het strafdossier voldoende gegevens bevat om zo nauwkeurig mogelijk de omvang van die voordelen te bepalen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016--2017
Pagina: 
991
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent t/ R.P.H.H., J.R.R.H. en BVBA R.H.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni 2014.

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 42, 3o en art. 43bis Sw.: met het oordeel “Spijts het fraudecircuit op zichzelf onomstotelijk bewezen is en ontegensprekelijk moet hebben geresulteerd in een vermogensvoordeel, staat de cijfermatige omvang daarvan niet vast. Het openbaar ministerie baseert zich daartoe immers op verklaringen van personeelsleden die slechts een ruwe en benaderende schatting inhouden en die in strikt cijfermatig opzicht niet steeds accuraat zijn. Dientengevolge wordt de vordering strekkende tot bijzondere verbeurdverklaring als ongegrond afgewezen”, gaan de appelrechters eraan voorbij dat zij niet gebonden zijn door de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en dat zij het geldelijke bedrag dat overeenkomt met de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen voordelen kunnen ramen en desnoods bij gebrek aan nauwkeurige gegevens ex aequo et bono kunnen bepalen; aan het openbaar ministerie wordt een bewijslast opgelegd die wettelijk niet is bepaald.

2. Krachtens art. 42, 3o Sw. wordt bijzondere verbeurdverklaring toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen.

Art. 43bis, tweede lid Sw. bepaalt dat, indien de zaken niet kunnen worden teruggevonden in het vermogen van de veroordeelde, de rechter de geldwaarde ervan raamt en de verbeurdverklaring betrekking heeft op een daarmee overeenstemmend bedrag.

Overeenkomstig art. 43bis, eerste lid Sw. is de verbeurdverklaring van de vermelde zaken en de daarvan geraamde geldwaarde facultatief en vereist zij een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie.

3. Het feit dat de rechter de geldwaarde van de vermogensvoordelen ex aequo et bono kan ramen en die waarde kan verbeurdverklaren, verplicht hem niet over te gaan tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen waarvan hij onaantastbaar oordeelt dat zij, hoewel zij bestaan, onvoldoende te begroten zijn. Ook een begroting ex aequo et bono van vermogensvoordelen vereist immers, om niet willekeurig te zijn, dat het strafdossier voldoende gegevens bevat om zo nauwkeurig mogelijk de omvang van die voordelen te bepalen.

4. Bij de beoordeling of het strafdossier voldoende gegevens bevat om met het oog op een begroting ex aequo et bono zo nauwkeurig mogelijk de omvang van de vermogensvoordelen te bepalen, mag de rechter zich evenwel niet beperken tot de gegevens opgenomen in de door art. 43bis, eerste lid Sv. bedoelde vordering van het openbaar ministerie, maar dient hij rekening te houden met alle elementen van het strafdossier.

5. Het arrest oordeelt: “Spijts het fraudecircuit op zichzelf onomstotelijk bewezen is en ontegensprekelijk moet hebben geresulteerd in een vermogensvoordeel staat de cijfermatige omvang daarvan niet vast. Het openbaar ministerie baseert zich daartoe immers op verklaringen van personeelsleden die slechts een ruwe en benaderende schatting inhouden en die in strikt cijfermatig opzicht niet steeds accuraat zijn. Dientengevolge wordt de vordering strekkende tot bijzondere verbeurdverklaring als ongegrond afgewezen.”

Aldus beperkt het arrest zijn beoordeling tot de in de vordering van het openbaar ministerie vermelde gegevens en is de afwijzing van de vordering tot bijzondere verbeurdverklaring niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Noot: 

• E. Francis, “Algemene principes van de bijzondere verbeurdverklaring en het beslag in strafzaken”, T.Strafr. 2011, (306), p. 318, nr. 3;

• J. Rozie, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 225, nr. 164;

• F. Schuermans, “Cassatie verduidelijkt regels rond begroting van crimineel vermogensvoordeel”, De Juristenkrant 2016, afl. 321, p. 5.

Overige cassatierechtspraak:

• Cass. 14 december 1994, RW 1996-97, 850, noot A. Vandeplas;

• Cass. 13 november 2007, NC 2008, 201, noot E. Francis.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 20/03/2017 - 16:23
Laatst aangepast op: ma, 20/03/2017 - 16:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.