-A +A

Vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/11/2013
A.R.: 
C.12.0570.N

Vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al zijn deze ontstaan vóór het tijdstip van hun toetreding tot de vennootschap.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0570.N

Jean de CHAFFOY de COURCELLES, advocaat, met kantoor te 1000 Brussel, Kunstlaan 24, bus 9 A, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van P & P,
eiser,

tegen
1. K P,
2. V V,
verweerders,

3. J S,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 27 juni 2011 en 12 maart 2012.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 23 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste middel
Ontvankelijkheid

1. De eerste verweerder en de tweede verweerster voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel laat na de schending in te roepen van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

2. In het arrest van 27 juni 2011 oordeelt de appelrechter dat:

– de vordering van de eiser ontvankelijk is, omdat de eiser gerechtigd is de vordering in te stellen tot aanzuivering van het passief van de vennootschap tegen de met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoten, aangezien de eiser gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers;
– de vordering van de eiser tegen de voormalige vennoten van de V.O.F. ontvankelijk is, omdat de eiser vorderingsrechten uitoefent tegen derden die hebben in te staan voor de schulden van de gefailleerde en waarvan de gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al kan er tussen de schuldeisers een differentiatie ontstaan ingevolge het tijdselement.

3. De aangevoerde grief betreft geen tegenstrijdigheid tussen beschikkingen, maar enkel tussen redenen van het bestreden arrest zodat artikel 1138, 4°, Gerech-telijk Wetboek geen verband houdt met de deze grief.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

4. De aangevoerde tegenstrijdigheid is geen feitelijke maar een juridische tegenstrijdigheid die slechts kan beoordeeld worden op grond van de uitleg van wetsbepalingen.

Het middel dat enkel een schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, houdt geen verband met de motiveringsplicht van deze bepaling en is derhalve niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 204 Wetboek van Vennootschappen zijn de vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dit namens de vennootschap is geschied.

Vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al zijn deze ontstaan vóór het tijdstip van hun toetreding tot de vennootschap.

6. Uit het arrest van 27 juni 2011 blijkt dat:

– eerste en tweede verweerders P & P vof hebben opgericht in 2002;
– eerste en tweede verweerders hun aandelen op 29 januari 2005 hebben overgedragen aan de derde verweerder en aan W;
– de derde verweerder en W hun aandelen op 7 december 2006 hebben overgedragen aan D en D;
– de vof op 30 oktober 2007 failliet werd verklaard.

7. De appelrechter oordeelt dat “[de derde verweerder] enkel gehouden [kan] zijn voor de verbintenissen die zijn ontstaan nadat hij de aandelen heeft overgenomen van [de eerste verweerder] en [de tweede verweerster] d.d. 29 januari 2005” en dat “de nieuwe vennoot-overnemer niet aansprakelijk [is] voor het bestaande passief op het ogenblik van zijn intrede in de vennootschap”.

Door aldus te oordelen schendt de appelrechter artikel 204 Wetboek van Vennootschappen.

Het middel is gegrond.

Derde middel

8. Volgens artikel 209 Wetboek van Vennootschappen kan de overdracht van deelneming, wanneer zij door het vennootschapscontract is toegelaten, slechts geschieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht en kan zij geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.

Uit de artikelen 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen volgt dat de vennoten onder firma die hun deelneming hebben overdragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn aangegaan.

De omstandigheid dat de schuldeisers wiens schuldvorderingen zijn ontstaan nadat een vennoot zijn deelneming heeft overgedragen, deze niet kan aanspreken, staat er niet aan in de weg dat deze vennoot gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers wiens schuldvorderingen voordien zijn ontstaan.

9. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet toe aan de gefailleerde.
De gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid verschillend.

10. Uit het vorenstaande volgt dat een gedifferentieerde gehoudenheid van uittredende vennoten van een vennootschap onder firma er niet aan in de weg staat dat de curator zijn vorderingsrecht uitoefent tegen al deze vennoten.

11. De appelrechter die in het eindarrest van 12 maart 2012 oordeelt dat aangezien geen van de verweerders als achtereenvolgende uittredende vennoten op gelijke wijze gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers, de curator niet vorderingsrechtigd is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

In zoverre is het middel gegrond.

Overige grieven

12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 27 juni 2011, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, de vordering van de curator tegen de verweerders ontvankelijk verklaart en voor recht zegt dat de eerste en tweede verweerders enkel door de curator kunnen worden aangesproken voor de verbintenissen die dateren van vóór 29 januari 2005.

Vernietigt het bestreden arrest van 12 maart 2012.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 27 juni 2011 en van het vernietigde arrest van 12 maart 2012.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken.

C.12.0570.N
Conclusie van advocaat-generaal Christian Vandewal (uittreksels):

Situering en procedurevoorgaanden

1. Bijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werd de vennootschap onder firma POTE & PARTNERS bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 30 oktober 2007 failliet verklaard.
Verweerders waren ooit vennoot van deze vennootschap, maar hadden voor het faillissementsvonnis hun aandelen overgedragen.

2. Bij dagvaarding van 19 november 2007 vorderde eiser dat zou worden gezegd dat de acht gedaagde personen, als vennoten of gewezen vennoten van de vennootschap onder firma, hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor het volledig passief van de vennootschap, kosten van het faillissement en vereffening inclusief, omdat zij nooit op aan de boedel tegenstelbare wijze hun hoedanigheid van vennoot verloren hadden.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 26 november 2009 werd aan eiser en aan de derde, vierde en zesde gedaagden akte verleend van afstand van geding, werd de vordering tegen de zevende en achtste gedaagde zonder voorwerp verklaard en werd de vordering tegen de eerste, tweede en vijfde gedaagden, zijnde huidige verweerders, ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Tevens werd eiser veroordeeld tot de kosten.

3. Op het hoger beroep van eiser verklaarde het hof van beroep te Brussel, bij tussenarrest van 27 juni 2011, het hoger beroep ontvankelijk, doch heropende het, alvorens recht te doen, de debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de splitsing van het faillissementspassief in functie van het ontstaan van de verbintenissen.

Bij eindarrest van 12 maart 2012 werd het hoger beroep ongegrond verklaard, het beroepen vonnis bevestigd en eiser veroordeeld tot de kosten.

4. Het cassatieberoep tegen deze beide arresten maakt het voorwerp uit van de huidige procedure.
(...)

Het tweede cassatiemiddel

8. Het tweede cassatiemiddel is gericht tegen de beslissing van de appelrechter in het tussenarrest van 27 juni 2011 dat derde verweerder, als nieuwe vennoot, enkel kan worden aangesproken voor verbintenissen die zijn ontstaan in de periode lopend van zijn intrede in de vennootschap door overname van aandelen tot de dag dat hij de vennootschap verliet door verkoop van zijn aandelen.

Eiser voert aan dat uit artikel 209 van het Wetboek van Vennootschappen alleen volgt dat de gewezen vennoot niet meer kan worden aangesproken voor verbintenissen die na de bekendmaking van de overdracht van zijn aandelen worden aangegaan, maar niet dat de nieuwe aandeelhouder niet zou kunnen aangesproken worden voor de reeds aangegane verbintenissen; ingevolge de overdracht van aandelen verwerft hij immers de hoedanigheid van vennoot, die overeenkomstig artikel 204 van hetzelfde Wetboek met alle andere vennoten hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap, al heeft hij die zelf niet getekend.

Bespreking van het tweede cassatiemiddel

9. Het tweede cassatiemiddel nodigt het Hof uit zich uit te spreken over de vraag of de nieuw toegetreden vennoot van de vennootschap onder firma kan worden aangesproken voor de schulden van die vennootschap die ontstonden voordat hij tot die vennootschap toetrad.

10. De rechtsleer blijkt verdeeld te zijn over het antwoord op deze rechtsvraag.

11. L. FREDERICQ is van oordeel dat de nieuwe vennoot niet aansprakelijk is voor het op het ogenblik van zijn toetreding bestaande passief van de vennootschap. Hij wijst erop dat de derden inderdaad niet op zijn persoonlijke solvabiliteit konden rekenen op het ogenblik dat zij contracteerden. Hij vindt deze oplossing overigens billijk, omdat de nieuwe vennoot slechts vanaf zijn toetreding tot de vennootschap aanspraak kan maken op zijn aandeel in de winst(1).

Deze stelling wordt bijgetreden door J. VAN RYN, die stelt dat de nieuwe vennoot de last van het passief ontstaan na zijn intrede opneemt. Hij vervolgt dat de strenge oplossing die in Frankrijk wordt aangenomen, namelijk dat de nieuwe vennoot ook gehouden is tot de schulden ontstaan voor zijn intrede in de vennootschap, niet gerechtvaardigd lijkt, nu de schuldeisers van voor de overdracht niet konden rekenen op de persoonlijke solvabiliteit van de nieuwe vennoot(2).

12. Ander auteurs verdedigen het tegenovergestelde standpunt. Zo stelt J. RUYSSEVELDT, in zijn studie over de gewone commanditaire vennootschap(3): "Het beginsel van de hoofdelijke en onbeperkte aansprakelijkheid in hoofde van de gecommanditeerde voor alle verbintenissen van deze vennootschapsvorm en het gemeenrechtelijk beginsel waarbij de toetreder geacht wordt partij te zijn geweest vanaf het ontstaan van de overeenkomst, zijn de argumenten die ervoor pleiten dat de nieuwe toetredende vennoot ook gehouden is tot de reeds bestaande schulden op het ogenblik van zijn toetreding."

Hierbij dient voor ogen te worden gehouden dat dezelfde principes immers eveneens van toepassing zijn op de commanditaire vennootschap; krachtens artikel 205 van het Wetboek van Vennootschappen is, wanneer de commanditaire vennootschap meerdere beherende vennoten telt, de vennootschap ten aanzien van hen immers onder firma.

Ook J. RONSE, J.-M. NELISSEN-GRADE en K. VAN HULLE bestempen het standpunt "volgens welke een vennoot, die toetreedt tot een eerder bestaande V.O.F., alleen aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap die ontstaan zijn na zijn intreden" als een "onjuiste stelling"(4).

Ook de meerderheidsopvatting in Franse rechtsleer huldigt dit tweede standpunt(5).

13. Persoonlijk meen ik de tweede stelling te moeten bijtreden; het komt mij dan ook voor de het antwoord op de onder nr. 9 geformuleerde rechtsvraag bevestigend dient te worden beantwoord.

14. Het Hof oordeelde in zijn arrest van 19 december 2008(6):

"Personen die handel drijven onder firma worden geacht koopman te zijn. Zij ontlenen die hoedanigheid aan hun lidmaatschap van de vennootschap.

Alle vennoten van een vennootschap onder firma worden als kooplieden aangemerkt. De faillietverklaring van een vennootschap onder firma impliceert dat is vastgesteld dat alle vennoten hebben opgehouden te betalen en dat hun krediet is geschokt."

Om die reden bevestigde Uw Hof tevens dat de vorderingen tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en die van de vennoten een onsplitsbaar geschil doen rijzen in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek(7).

15. Het faillissement van de vennootschap impliceert dus dat is vastgesteld dat ook de vennoten hebben opgehouden te betalen, waarmee het passief van de vennootschap wordt geviseerd. Het passief van de vennootschap zal bijgevolg de bestaande schulden van de vennootschap omvatten.

16. Artikel 204 van het Wetboek van vennootschappen bepaalt dat de vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dit namens de vennootschap geschied is.

Dit wetsartikel maakt geen onderscheid tussen oude en nieuwe schulden, wat naar mijn mening impliceert dat ook de nieuwe vennoot hoofdelijk gehouden is voor schulden ontstaan voor zijn intrede.

17. Uit artikel 209 van het Wetboek van Vennootschappen kan enkel worden afgeleid dat de vennoten aansprakelijk blijven ten aanzien van derden, totdat de overdracht van hun aandelen openbaar is gemaakt; voor schulden die voordien zijn ontstaan, blijven de uittredende vennoten aansprakelijk. Uit deze bepaling kan echter geen antwoord worden afgeleid op de vraag of de intredende vennoot eveneens voor oude schulden aangegaan voor zijn toetreding kan worden aangesproken.

18. Het bezwaar dat een toetredende vennoot aldus wordt geconfronteerd met een door hem niet voorziene schuld, lijkt mij niet overtuigend te zijn; er mag van een normaal voorzienige toekomstige vennoot worden verwacht dat hij zich terdege inlicht van de financiële situatie van de vennootschap alvorens hij aandelen overneemt.

Wie toetreedt tot een bestaande vennootschap, waarvan de identiteit blijft voortbestaan, heeft de gevolgen te aanvaarden die deze rechtsbetrekking, naar zijn aard en regeling, aan deelneming verbindt.

Tot deze gevolgen behoren ook de hoofdelijke verbondenheid voor alle verbintenissen van de vennootschap. Wenst hij de daarmee verband houdende risico's niet te aanvaarden, dan beschikt hij over andere mogelijkheden, zoals de ontbinding van de vennootschap en de oprichting van een nieuwe(8).

Daarenboven kan een evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de oude schuldeiser en de nieuwe vennoot doordat de vennoten van een vennootschap onder firma kunnen afwijken van de regel en op het vlak van de contributio een andere regeling kunnen opnemen, waarbij de nieuwe vennoot intern de oude schulden niet moet dragen. In dat geval loopt hij slechts risico voor zover het overeengekomen regres op zijn medevennoten onmogelijk zou blijken.

Een arrest van het Hof van 1 december 1925 wees overigens het bezwaar dat de erin gehanteerde oplossing ernstige nadelen vertoont voor de vennoot omdat hij, in dit geval door de aanvaarde retroactiviteit van een fiscale schuldvordering, lasten moet dragen die hij niet kon voorzien en een grotere bijdrage moet leveren dan zijn aandeel in het actief, als ongegrond af(9).

19. De vennootschap onder firma is overigens een volwaardige rechtspersoon. De vennoot die haar vertegenwoordigt, doet dit namens de vennootschap en niet namens de verschillende (mede)vennoten. In de vennootschap onder firma is de vennootschap zelf de drager van rechten en verplichtingen, maar deze worden net als in de maatschap meteen ook aan de vennoten zelf toegerekend(10).

Daardoor kan de "oude" schuldeiser nog steeds het volledige vennootschapsvermogen uitwinnen, alhoewel dit ten dele ook de nieuwe vennoot toebehoort.

20. De beslissing van de appelrechter dat derde verweerder enkel kan gehouden zijn voor de verbintenissen die zijn ontstaan nadat hij de aandelen heeft overgenomen van eerste en tweede verweerders op 29 januari 2005 en dat de nieuwe vennoot-overnemer niet aansprakelijk is voor het bestaande passief op het ogenblik van zijn intrede in de vennootschap, is naar mijn mening dan ook niet naar recht verantwoord.

21. Het middel lijkt mij gegrond te zijn.

Het derde cassatiemiddel

22. Het derde cassatiemiddel komt op tegen het eindarrest van 12 maart 2012. Het voert de schending aan van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 203, 204 en 209 van het Wetboek van Vennootschappen en van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet 1997.

23. Eiser voert aan dat het hof van beroep, na in het tussenarrest te hebben aanvaard dat de curator ten aanzien van de gewezen vennoten vorderingsgerechtigd was, ongeacht de mogelijke differentiatie tussen de schuldeisers ingevolge het tijdselement, differentiatie die trouwens inherent is aan de regeling van artikel 209 van het Wetboek van Vennootschappen, en de curator te hebben uitgenodigd om over te gaan tot een uitsplitsing van het faillissementspassief in functie van het tijdstip van ontstaan van de verbintenissen, vervolgens bij het eindarrest niet wettig meer kon beslissen dat eisers vordering tot veroordeling van verweerders tot aanzuivering van het passief van de failliete vennootschap volledig ongegrond was omdat uit de door hem verstrekte informatie blijkt dat deze verbintenissen op zodanige wijze waren ontstaan dat geen enkele verweerder ten aanzien van alle schuldeisers kon gehouden worden, nu het aldus

- uitspraak doet over een rechtspunt waarover het zijn rechtsmacht reeds had uitgeput bij het tussenarrest van 27 juni 2011, te weten de mogelijkheid voor de curator om de gewezen vennoten aan te spreken, niettegenstaande een mogelijke differentiatie tussen de schuldeisers, ontstaan ingevolge het tijdselement;

- de inwilliging van de door de curator tegen de gewezen vennoten van een vennootschap onder firma ingestelde vordering tot aanzuivering van het passief op grond van hun wettelijke gehoudenheid, volgend uit de artikelen 203, 204 en 209 van het Wetboek van Vennootschapen, op onwettige wijze onderwerpt aan de vereiste dat de betrokken derde in concreto kan worden aangesproken tot betaling van alle, op datum van faillietverklaring, openstaande schulden van de failliete vennootschap onder firma.

Bespreking van het derde cassatiemiddel

24. Het Hof omschreef in zijn arrest van 19 december 2008(11) duidelijk de taak van de curator als volgt:

"De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet aan de gefailleerde toe"

Deze regel werd nogmaals bevestigd in 'sHofs arrest van 6 december 2012(12).

25. De rechtsvraag die door het middel aan de orde wordt gesteld betreft de juiste invulling van de vereiste dat "de derde heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde" en dat "die gehoudenheid bestaat tegenover alle schuldeisers".

26. Ik meen dat deze voorwaarde pragmatisch dient te worden benaderd en niet te beperkend geïnterpreteerd mag worden. De gehoudenheid tegenover alle schuldeisers lijkt mij te bestaan, ook als de omvang van die gehoudenheid ongelijk is; derden zijn tegenover alle schuldeisers gehouden, ook al verschilt de omvang van hun gehoudenheid. De wet maakt de uitoefening van het vorderingsrecht niet afhankelijk van de voorwaarde dat de bewuste derde door elke individuele schuldeiser van de gefailleerde werkelijk in concreto zou kunnen worden aangesproken.

Het recht om de vennoten of gewezen vennoten van de vennootschap onder firma aan te spreken indien de vennootschap zelf haar verplichtingen niet nakomt, komt toe aan alle schuldeisers in abstracto, en kan derhalve na faillissement van de vennootschap door de curator worden uitgeoefend. Het feit dat bij onderzoek van de vordering ten gronde blijkt dat niet alle schuldeisers de bewuste vennoot in concreto konden aanspreken, zal enkel een impact hebben op het bedrag waartoe hij ten aanzien van de curator kan worden veroordeeld, maar doet geen afbreuk aan het vorderingsrecht van de curator.

27. In zijn noot onder het voormelde arrest van 19 december 2008 geeft H. DE WULF in deze context het voorbeeld van de onrechtmatige daad van een derde die de waarde van het onderpand van de schuldeisers aantast:

"Dergelijke onrechtmatige daad doet een (minstens virtuele) claim ontstaan van alle schuldeisers van de gefailleerde die voor de onrechtmatige daad met de gefailleerde gecontracteerd hebben. Hoewel het hier duidelijk om collectieve schade gaat (het actief vermogen van de gefailleerde is door een onrechtmatige daad aangetast), bestaat de schuld van de schadeverwekker niet tegen alle schuldeisers van de gefailleerde.

Toch vermoeden wij dat het Hof van Cassatie de curator in zulke gevallen een exclusief vorderingsrecht wil geven. Men mag wellicht de woorden ‘wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers' uit het geannoteerde cassatiearrest niet al te letterlijk nemen. De curator zal bevoegd zijn wanneer de wet of een overeenkomst in abstracto rechten aan alle schuldeisers (die geen ‘separatisten' zijn) toekent, ook al zijn er specifieke omstandigheden in hoofde van bepaalde van die schuldeisers die tot gevolg hebben dat zij, in tegenstelling tot andere schuldeisers, in concreto geen of beperktere rechten kunnen uitoefenen."(13)

Deze auteur pleit dan ook terecht voor een pragmatische interpretatie van de gehoudenheid "tegenover alle schuldeisers": "Als men er anders over oordeelt, komt men weer terecht in de eindeloze discussies die bestonden vóór het Unac-arrest. Het zou verwonderen dat het Hof met zijn arrest van 19 december 2008 die discussie (in hoeverre er niet langer sprake is van collectieve schade in gevallen waarin er schuldeisers met een bijzondere positie zijn, die bv. zelf schuld aan het ontstaan van deze schade hebben) heeft willen heropenen.

Dit betekent op zijn beurt niet dat verschillen tussen de concrete rechtspositie van individuele schuldeisers irrelevant zijn. Bij de verdeling van het provenu van de door hem uitgeoefende vorderingen zal de curator wel rekening moeten houden met die verschillende posities; maar die verschillen zijn irrelevant voor het bepalen van de vorderingsbevoegdheid van de curator."(14)

28. Krachtens de voormelde artikelen 204 en 209 van het Wetboek van Vennootschappen blijven de vennoten onder firma die hun deelneming overdragen, hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn aangegaan.

29. Ik meen dat de omstandigheid dat de schuldeisers wiens schuldvorderingen zijn ontstaan nadat de verweerders hun deelneming hebben overgedragen hen niet kunnen aanspreken, geen afbreuk doet aan de gehoudenheid van verweerders ten aanzien van alle schuldeisers wiens schuldvorderingen voordien zijn ontstaan.

30. Ik ben dan ook van oordeel dat de appelrechter die oordeelt dat "(eiser) dient te worden afgewezen van zijn vordering" aangezien "de vordering van de curator enkel maar kan worden toegekend wanneer de derde die heeft in te staan voor de schuldvordering van de gefailleerde gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers (...) en dit in onderhavig geding op basis van de verstrekte informatie niet het geval blijkt te zijn", zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord.

31. Het middel lijkt mij in zoverre gegrond te zijn.

Conclusie

32. Vernietiging van beide bestreden arresten.
__________________________
(1) L. FREDERICQ, Traité de droit commercial belge, IV, Gent, Fecheyr 1950, 322-323.
(2) J. VAN RYN, Droit commercial, I, Brussel, Bruylant 1954, p. 292-293, nr. 414.
(3) J. RUYSSEVELDT, De gewone commanditaire vennootschap, Antwerpen, Kluwer 1997, p. 100, nr. 306.
(4) J. RONSE, J.-M. NELISSEN-GRADE en K. VAN HULLE, "Overzicht van rechtspraak (1978-1985) vennootschappen", TPR 1986, (859) 975, voetnoot 16.
(5) M. GERMAIN, Les sociétés commerciales, Parijs, L.G.D.J. 2009, 150 ; P. DIDIER en P. DIDIER, Les sociétés commerciales, Parijs, Economica 2011, 456.
(6) Cass. 19 dec. 2008, AR C.07.0281.N, AC 2008, nr. 746, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM; TRV 2009, 456, noot H. DE WULF; RW 2008-09, 1428, noot J. VANANROYE.
(7) Cass. 19 april 2012, AR F.11.0018.N, AC 2012, nr. 239; Cass. 15 april 2011, AR C.10.0544.N, AC 2011, nr. 262.
(8) A.L. MOHR, Van personenvennootschappen, Deventer, Kluwer 2009, 290-291.
(9) Cass. 1 dec. 1925, Pas. 1926, 88.
(10) J. VANANROYE, "Het lot van de (werkende) vennoten bij het faillissement van een V.O.F. of Comm.V.", noot onder Cass. 19 dec. 2008, RW 2008-09, (1429) 1430.
(11) Cass. 19 dec. 2008, AR C.07.0281.N, AC 2008, nr. 746, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM; TRV 2009, 456, noot H. DE WULF; RW 2008-09, 1428, noot J. VANANROYE.
(12) Cass. 6 dec. 2012, AR C.11.0654.F, AC 2012, nr. 671, met concl. van advocaat-generaal J.-M. GENICOT in Pas. 2012, nr. 671.
(13) H. DE WULF, "Het faillissement van onbeperkt aansprakelijke vennoten van een VOF en de taak en bevoegdheid van de curator", noot onder Cass. 19 dec. 2008, TRV 2009, (459) 479.
(14) Id.

Noot: 

• Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht [T.B.H.] DE WULF, Hans; Noot 'VOF-vennoten zijn ook aansprakelijk voor oude vennootschapsschulden' 2014, nr. 9, p. 846-853.

• Rechtskundig Weekblad [RW] PARREIN, Floris; Noot 'Aansprakelijkheid van oude en nieuwe vennoten voor de schulden van de failliete V.O.F.' 2014-15, nr. 1, p. 21-25.

• Revue critique de jurisprudence belge [R.C.J.B.] VAN GERVEN, Dirk; Note 'Les associés commandités sont-ils par nature commerçants lorsque la société en commandite simple l'est? Quelques réflexions sur la personnalité morale des sociétés à responsabilité illimitée' 2013, n° 3, p. 399-450.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/02/2018 - 16:04
Laatst aangepast op: zo, 04/02/2018 - 16:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.