-A +A

Vennoten onder firma zijn handelaars

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/12/2008
A.R.: 
C.07.0281.N

Personen die handel drijven onder firma worden geacht koopman te zijn; zij ontlenen die hoedanigheid aan hun lidmaatschap van de vennootschap

1. Luidens artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen is de gewone commanditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

2. Krachtens artikel 205 van hetzelfde wetboek, is de vennootschap onder firma ten aanzien van de onbeperkt aansprakelijke vennoten, en een gewone commanditaire vennootschap ten aanzien van de geldschieters.

3. Personen die handel drijven onder firma worden geacht koopman te zijn. Zij ontlenen die hoedanigheid aan hun lidmaatschap van de vennootschap.

4. Alle vennoten van een vennootschap onder firma worden als kooplieden aangemerkt. De faillietverklaring van een vennootschap onder firma impliceert dat is vastgesteld dat alle vennoten hebben opgehouden te betalen en dat hun krediet is geschokt.

5. Aldus dienen ook de beherende vennoten van de gewone commanditaire vennootschap als kooplieden te worden aangemerkt en heeft de faillietverklaring van de gewone commanditaire vennootschap het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.07.0281.N

LAUREYS Anne-Marie, advocaat, als curator van het faillissement van de gewone commanditaire vennootschap GEUDENS, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Tassijnslaan 84,
eiseres,

tegen

G.J.,
verweerder,

en in aanwezigheid van
1. VAN DIJCK Hilde, advocaat, als curator van het faillissement van J.G.,
2. CEUSTERS Ronny, advocaat, als curator van het faillissement van J.G.,
3. KBC LEASE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Parijsstraat 52,

partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

– artikel 1 van Boek I van het Wetboek van Koophandel;
– artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;
– de artikelen 2, 3,§2, en 202 van het Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen;
– artikel 33,§3, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank van ondernemingen;
– voor zover als nodig de artikelen 1, tweede lid, 2 en 18, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, opgenomen in boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, in de versie vooraleer zij werden vervangen bij wet van 7 mei 1999.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren in het bestreden arrest het hoger beroep van de verweerder en zijn vordering tot intrekking van zijn faillissement gegrond op grond van de volgende motieven:
“De curatoren leggen niet uit om welke redenen een beherend vennoot in een gewone commanditaire vennootschap noodzakelijkerwijze de hoedanigheid van handelaar heeft.
De commanditaire vennootschap is een rechtspersoon met een van haar vennoten onderscheiden rechtspersoonlijkheid en onderscheiden vermogen.
De verbintenissen die de vennootschap aangaat zijn haar eigen en zijn onderscheiden van de verbintenissen die haar beherende vennoten in eigen naam aangaan.
Dat de beherende vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap, doorbreekt de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid niet en vermengt haar rechtspersoonlijkheid noch haar vermogen met dit van de vennoten. Dat de met een handelsdoel opgerichte commanditaire vennootschap noodzakelijk handelt door haar beherende vennoten brengt niet mee dat deze omwille van hun functie, zelf handelaar worden; instaan voor de verbintenis van een handelaar betekent niet dat men daarom zelf handelaar is of als zodanig moet beschouwd worden.
Het feit dat zij zich uit kracht van de wet als hoofdelijke schuldenaar verbinden leidt evenmin tot dit gevolg.
Blijft de vraag of (de verweerder) persoonlijk effectief daden van koophandel stelde.
(…)
Dat (de verweerder) handelaar was/is wordt derhalve niet bewezen, zodat de faillietverklaring moet ingetrokken worden”.

Grieven

Overeenkomstig artikel 2 van de Faillissementswet, bevindt de koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement en kan diegene die geen handel meer drijft failliet worden verklaard indien hij heeft opgehouden te betalen toen hij nog koopman was.

Luidens artikel 1 van Boek I van het Wetboek van Koophandel, zijn kooplieden zij die daden uitoefenen, bij de wet daden van koophandel genoemd, en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, hun gewoon beroep maken.

Overeenkomstig de artikelen 2, 3,§2, en 202 van het Wetboek van Vennootschappen, is een gewone commanditaire vennootschap met handelsdoel een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

Dienovereenkomstig is een beherend vennoot in een commanditaire vennootschap met handelsdoel door zijn loutere deelneming in de commanditaire vennootschap handelaar, zonder dat is vereist dat hij daarnaast nog persoonlijk en daadwerkelijk handelsdaden stelt. In artikel 33,§3, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank der ondernemingen wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd dat werkende vennoten in de commanditaire vennootschap handelaars zijn.

Door te beslissen dat de omstandigheid dat een met handelsdoel opgerichte commanditaire vennootschap noodzakelijk handelt door haar beherende vennoten, niet meebrengt dat deze vennoten omwille van hun functie zelf handelaar zijn en dat een beherend vennoot enkel handelaar is indien hij daarnaast nog persoonlijk en daadwerkelijk daden van koophandel stelt en door op die grondslag het faillissement van de verweerder in te trekken, schenden de appelrechters alle als geschonden aangeduide wetsartikelen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

– artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij artikel 2 van de wet 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen;
– de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek;
– de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren in het bestreden arrest de vordering van de eiseres jegens verweerder tot betaling van een bedrag van 35.151,33 euro “ongegrond”, op grond van de volgende motieven:
“Uit artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen volgt dat de beherende vennoten van een commanditaire vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap maar deze aansprakelijkheid geldt enkel ten overstaan van de schuldeisers van de vennootschap en niet ten overstaan van de vennootschap zelve.
De hoofdelijke en onbeperkte aansprakelijkheid van de beherende vennoten schept in hoofde van de commanditaire vennootschap geen recht haar verbintenissen te doen uitvoeren door deze vennoten die niet haar schuldenaar zijn.
De curator van de gefailleerde vennootschap kan niet de rechten van de individuele schuldeisers uitoefenen ook niet wanneer wordt ingeroepen dat in casu het recht van alle schuldeisers wordt uitgeoefend”.

Grieven

Overeenkomstig de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, bestaat de algemene opdracht van de curator erin de activa van de failliet ten gelde te maken en het provenu te verdelen.

Dienovereenkomstig kan de curator namens de failliete boedel in rechte de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uitoefenen.

In geval van faillissement van een commanditaire vennootschap komt een vordering op grond van artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen jegens een beherend vennoot tot aanzuivering van het passief van de commanditaire vennootschap ten goede aan alle schuldeisers van de commanditaire vennootschap en strekt zij tot vergoeding van collectieve, door alle schuldeisers geleden schade en tot vermindering van het passief van de commanditaire vennootschap, zodat deze vordering de uitoefening van de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers betreft en de curator van de commanditaire vennootschap deze vordering kan uitoefenen.

Dat de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen enkel zou gelden ten aanzien van de schuldeisers van de commanditaire vennootschap en niet ten overstaan van de commanditaire vennootschap zelf zolang de commanditaire vennootschap niet failliet is verklaard, doet geen afbreuk eraan dat, in geval van faillissement van de commanditaire vennootschap, de curator de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uitoefent wanneer hij op deze grondslag een vordering instelt jegens een beherend vennoot.

Door te beslissen dat de vordering van de eiseres jegens de verweerder op grond van artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen ongegrond is, omdat de in dit artikel neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid enkel zou gelden ten overstaan van de schuldeisers van de commanditaire vennootschap en niet ten overstaan van de commanditaire vennootschap zelf, omdat deze aansprakelijkheid geen recht zou scheppen aan de zijde van de commanditaire vennootschap om haar verbintenissen te doen uitvoeren door een beherend vennoot die niet haar schuldenaar is, of nog omdat de eiseres daarbij niet de rechten van de gezamenlijke schuldeisers zou uitoefenen, schenden de appelrechters artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen, alsook de wettelijke opdracht van de curator (vervat in de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997) en de wettelijke vereiste van hoedanigheid en belang (vervat in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Luidens artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen is de gewone commanditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

2. Krachtens artikel 205 van hetzelfde wetboek, is de vennootschap onder firma ten aanzien van de onbeperkt aansprakelijke vennoten, en een gewone commanditaire vennootschap ten aanzien van de geldschieters.

3. Personen die handel drijven onder firma worden geacht koopman te zijn. Zij ontlenen die hoedanigheid aan hun lidmaatschap van de vennootschap.

4. Alle vennoten van een vennootschap onder firma worden als kooplieden aangemerkt. De faillietverklaring van een vennootschap onder firma impliceert dat is vastgesteld dat alle vennoten hebben opgehouden te betalen en dat hun krediet is geschokt.

5. Aldus dienen ook de beherende vennoten van de gewone commanditaire vennootschap als kooplieden te worden aangemerkt en heeft de faillietverklaring van de gewone commanditaire vennootschap het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg.

6. Het arrest, dat overweegt dat een “met een handelsdoel opgerichte gewone commanditaire vennootschap noodzakelijk handelt door haar beherende vennoten (…) niet mee(brengt) dat deze omwille van hun functie, zelf handelaar worden”, en op die gronden oordeelt dat het faillissement van de vennootschap niet het faillissement van de vennoten tot gevolg heeft, schendt het artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen.

Het middel is gegrond.

Prejudiciële vraag

7. De verweerder werpt de vraag op naar de ongelijke behandeling die er zou bestaan tussen, enerzijds, de positie van een vennoot van een vennootschap onder firma en van een beherend vennoot van een gewone commanditaire vennootschap en, anderzijds, andere gevallen waar vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap zonder koopman te zijn.

De hoedanigheid van koopman van een vennoot van een vennootschap onder firma en van een beherend vennoot van een gewone commanditaire vennootschap berust niet louter op de onbeperkte aansprakelijkheid van deze vennoten voor de schulden van de vennootschap.

Aangezien de aangevoerde ongelijke behandeling berust op onjuiste juridische uitgangspunten, kan zij geen aanleiding geven tot het stellen van een prejudiciële vraag.

Tweede middel

8. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

9. De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet aan de gefailleerde toe.

10. De appelrechters die oordelen dat de curator niet gerechtigd is de vordering in te stellen tot aanzuivering van het passief van de failliete vennootschap tegen de met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.
Verklaart dit arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partijen.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Didier Batselé, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Sylviane Velu, en in openbare en voltallige terechtzitting van 19 december 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Conclusie Openbaar Ministerie
CONCLUSIE VAN DE HEER ADVOCAAT-GENERAAL MET OPDRACHT VAN INGELGEM

1. SITUERING

In juni 2001 wordt de gewone commanditaire vennootschap GEUDENS, met verweerder J.G. als enige beherende vennoot, failliet verklaard. Eiseres wordt aangesteld als curator.

Begin 2005 dagvaardt eiseres de verweerder. In hoofdorde wordt zijn faillietverklaring gevraagd, gelet op zijn hoedanigheid van gecommanditeerde vennoot en de deficitaire toestand van het faillissement van de commanditaire vennootschap. In ondergeschikte orde wordt de veroordeling van verweerder gevorderd tot aanzuivering van het passief van de vennootschap, op grond van artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen.

Het hof van beroep te Antwerpen hervormt het vonnis van faillietverklaring van verweerder
en verwerpt de vordering tot aanzuivering van het passief (1).

2. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

Eiseres voert tegen deze beslissing twee middelen tot cassatie aan.

2.1. In het eerste middel wordt aangevoerd dat, door anders te beslissen dan dat het faillissement van de gewone commanditaire vennootschap het faillissement van de onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijke vennoot met zich brengt, de appelrechters de als geschonden aangeduide wetsartikelen (i.v.m. artikel 1 van Boek I van het Wetboek van Koophandel, artikel 2 van de Faillissementswet en de artikelen 2, 3, §2, en 202 van het Wetboek van Vennootschappen) miskennen.

2.1.1. Centraal in deze betwisting staat de vraag of verweerder handelaar is door het enkele feit beherend vennoot van een commanditaire vennootschap te zijn.

Uw Hof heeft zich, wat deze rechtsvraag betreft, nog niet over dergelijke aangelegenheid in
deze vennootschapsvorm dienen uit te spreken.

Wel is het de (vaste) rechtspraak van uw Hof dat de vennoten van een vennootschap onder firma (VOF) met handelsdoel zelf ook handelaar zijn, en dat het faillissement van de VOF ipso facto de vaststelling meebrengt dat de faillissementsvoorwaarden ook in hoofde van die vennoten vervuld zijn (2).

Uit de aard van de vennootschap zelf, waarbij haar persoonlijkheid bijna versmelt en dermate verweven is met deze van de vennoten, volgt volgens uw Hof dat het faillissement van dergelijke vennootschap ook dat van de vennoten tot gevolg heeft, nu deze laatsten door hun hoedanigheid van vennoot, in wiens naam en voor wiens rekening eigenlijk de daden van koophandel gesteld worden, handelaar zijn (3). De vennoten van een VOF -die weliswaar een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezit- zijn aldus hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap, met dien verstande dat artikel 203 van het Wetboek van Vennootschappen een bepaling bevat die het subsidiair karakter van de veroordeling van de vennoten betreft.

2.1.2. Hoewel die opvatting ook werd bekritiseerd, onder meer omdat zij de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van de VOF en de vennoten zou miskennen en voorbij zou gaan aan de aspecten daaraan verbonden in verband met de onmiddellijke of rechtstreekse vertegenwoordiging inzake de in die context aangegane verbintenissen en de toerekening van de handelingen van de vennootschap aan de vennoot (4), wordt door de rechtspraak en de rechtsleer evenwel meestal geponeerd dat ook voor de commanditaire vennootschap de beherende (werkende) vennoten handelaar zijn (5).

Waar weliswaar door de evolutie in de vennootschapswetgeving een aantal argumenten, die de historisch ingekleurde grondslag van de uitspraak van uw Hof ondersteunden, zouden kunnen worden herbekeken (zoals onder meer met betrekking tot de wijziging omtrent de eigenlijke aard van de VOF -als samenwerkingsverband van een aantal personen onder een gemeenschappelijke naam- en in verband met haar statuut als opvangmaatschappij of restcategorie voor een andere vorm van onregelmatig opgerichte of feitelijke vennootschappen en het daaraan gekoppelde aspect van rechtspersoonlijkheid,samen met het afnemend belang van het aspect winstoogmerk t.o.v. een (meer) sociaal oogmerk) (6), komt het mij toch voor dat deze overwegingen op zich geen afbreuk doen aan het m.i. nog steeds aanwezige betaansrecht van dit precedent dat vooropstelt dat de regel dat het faillissement van een VOF dat van de vennoten impliceert, een gevolg is van de hoofdelijke en onbeperkte aansprakelijkheid van de vennoten voor de vennootschapsschulden.

Immers de beleidsmatig traditioneel wijdverbreide opvatting en toepassing van de rechtspraak van uw Hof biedt m.i., zonder uiteraard afbreuk te willen doen aan de invraagstelling van bepaalde premissen(7), daarentegen de garantie van rechtszekerheid waaromtrent de wetgever in de loop van de jaren blijkbaar ook twee wetsbepalingen heeft ingevoerd die daarop -weliswaar indirect en impliciet- geïnspireerd zijn (8). Aldus voorziet artikel 33 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen uitdrukkelijk dat de vennoten onder firma of de werkende vennoten, ofschoon zij handelaars zijn, niet afzonderlijk in het KBO dienen te worden ingeschreven, en legt artikel 9, derde lid, van de Faillissementswet de verplichting op om, wanneer een VOF aangifte van een faillissement doet, bepaalde gegevens over de hoofdelijk aansprakelijke vennoten mee te delen.

2.1.3. Vanuit voormelde context lijkt het mij dan ook duidelijk dat de redenering die schuilt achter het hierboven besproken precedent eveneens kan gelden voor de gecommanditeerden van een gewone commanditaire vennootschap.

Overeenkomstig de samenlezing van de artikelen 2, 3 en 202 van het Wetboek van Vennootschappen is een gewone commanditaire vennootschap met handelsdoel een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

Artikel 205 van datzelfde Wetboek stipuleert bovendien uitdrukkelijk dat wat aansprakelijkheid betreft (zijnde het aanknopingspunt om uiteindelijk tot handelaarschap te besluiten), de gewone commanditaire vennootschap tussen de gecommanditeerden als een vennootschap onder firma (VOF) dient beschouwd te worden.

Wat de gewone commanditaire vennootschap betreft, kan men tevens, met betrekking tot de gecommanditeerden, nog een uitdrukkelijk aanknopingspunt terugvinden in artikel 203 van het Wetboek van Vennootschappen waarbij, op grond van verbintenissen van de vennootschap, eveneens naar de VOF wordt verwezen.

Kortom, er zijn in mijn overtuiging voldoende aanwijzingen en overeenkomsten om de gewone commanditaire vennootschap te catalogeren als een vennootschap onder firma waaraan één of meer geldschieters (stille vennoten) worden toegevoegd, die enkel gehouden zijn tot hun inbreng.

Het komt mij dan ook voor dat de analogie waarop eiseres haar middel steunt met betrekking tot de gewone commanditaire vennootschap kan gevolgd worden.

Aldus dienen ook de beherende vennoten van dergelijke vennootschap als handelaars te worden aangemerkt zonder dat daarnaast vereist is dat zij nog persoonlijk en daadwerkelijk handelsdaden stellen (cf. trouwens supra artikel 33,§3, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen), en heeft de faillietverklaring van de gewone commanditaire vennootschap in toepassing van artikel 2 van de Faillissementswet en artikel 1, Boek I, van het Wetboek van Koophandel het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg.

De omstandigheid dat krachtens artikel 2, §2, van het Wetboek van Vennootschappen deze beide vormen van handelsvennootschappen erkend worden als hebbende rechtspersoonlijkheid, vermag m.i. hieraan geen afbreuk te doen, nu de hoofdelijke aansprakelijkheid uit kracht van wet van de beherende vennoten voor de verbintenissen van de vennootschap, om de hoger vermelde redenen, deze afzonderlijke rechtspersoonlijkheid doorbreekt en zij door hun loutere deelneming in de gewone commanditaire vennootschap de hoedanigheid van handelaar verkrijgen, zonder dat hun verbintenissen (die zij in eigen naam aangaan) zich onderscheiden van deze die de vennootschap aangaat.

Het arrest dat anders oordeelt, en op die gronden beslist dat het faillissement van de vennootschap niet het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg heeft, verantwoordt aldus naar mijn mening zijn beslissing niet naar recht.

Ik ben dan ook van oordeel dat het eerste middel gegrond is.

2.1.4. Deze opvatting lijkt mij – met betrekking tot het bestaan van de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van de vennootschap voor alle gelijkaardige vormen – geen afbreuk te doen aan de vooropgestelde principes van het door de Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, nu ze wel degelijk een redelijke verantwoording geeft voor dergelijke verschillende wijze van behandelen.

Het behoort mijns inziens dan ook niet, zoals gevraagd in de memorie van antwoord van verweerder, om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

2.2. Wat haar tweede middel betreft, voert eiseres – in ondergeschikte orde, voor zover uw Hof zou oordelen dat het bestreden arrest terecht besliste dat de hoedanigheid van handelaar van verweerder niet als dusdanig volgt uit zijn hoedanigheid van beherend vennoot – aan dat, door te beslissen dat haar vordering tot aanzuivering van het passief jegens verweerder ongegrond is, het bestreden arrest artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen schendt, alsook de wettelijke opdracht van de curator (vervat in de als geschonden aangeduide artikelen 16 tot en met 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet) en de wettelijke vereiste van hoedanigheid en belang (artikel 17 en 18 van het Ger.W.).

2.2.1. Uit artikel 202 van het Wetboek van Vennootschappen volgt dat de beherende vennoten van een commanditaire vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap.

Vorderingen van de gefailleerde vennootschap zelf, evenals vorderingen die gemeenschappelijk zijn aan alle schuldeisers van de gefailleerde, kunnen door de curator worden uitgeoefend. Dit is volgens vaste rechtspraak van uw Hof evenwel niet het geval voor schuldvorderingen die individueel aan elk van de schuldeisers toekomen (9).

In het verlengde van deze rechtspraak dient derhalve in casu de vraag beantwoord te worden of in deze de schuldvordering van de derde op de hoofdelijk aansprakelijke vennoot voor de schulden van de vennootschap een individueel dan wel een gemeenschappelijk karakter vertoont.

De aard van deze vordering tot aanzuivering van het passief komt m.i. alleszins niet duidelijk naar voor uit het bestreden arrest.

Elke vennoot is, op grond van een uitdrukkelijk wettelijke bepaling, in de verhouding naar derden-schuldeisers toe hoofdelijk gehouden voor de schulden van de vennootschap. In die hoedanigheid is hij aldus een mededebiteur van elke vennootschapsschuldeiser (10) die hem hiervoor individueel kan aanspreken (vordering van een derde op de medeschuldenaar van de gefailleerde). Anderzijds kan de vennootschap elk van de vennoten aanspreken om de verliezen aan te zuiveren. Hier kan de curator als vereffenaar van de gefailleerde vennootschap die vordering instellen.

2.2.3. In voormelde context komt het mij voor dat, vanuit een efficiënte afwikkeling van het faillissement en met de gelijke behandeling van de schuldeisers voor ogen, de curator aldus gerechtigd zou zijn om die vordering tegen deze derde (met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoot) in te stellen wanneer die daartoe gehouden is tegenover alle schuldeisers. Reeds eerder trouwens besliste uw Hof (11) dat de omstandigheid dat de gefailleerde zelf niet over een vordering op de derde beschikt, dit geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de curator om de gemeenschappelijke (vorderings)rechten van de schuldeisers uit te oefenen.

Door in deze anders te beslissen, verantwoordt het bestreden arrest mijns inziens deze beslissing niet naar recht, en ben ik van oordeel dat ook dit tweede middel gegrond is.

3. CONCLUSIE: VERNIETIGING

__________________
(1) Antwerpen, 15 februari 2007, T.B.H., 2007, afl. 4, 368 – 371, met commentaar van H. DE WULF, 371-373.
(2) Cass., 15 december 1938, Pas. 1938, I, 383; Cass.,2 december 1983, A.R. 3824, A.C., 1983-1984,nr. 188; Cass., 23 november 1987, A.R. 7688, A.C., 1987-1988, nr. 176; Cass., 20 december 1990, A.R.8804, A.C., 1990-1991, nr. 213; Cass., 15 december 1995, A.R. C. 94.0382.F, A.C., 1995, nr. 552.
(3) J. VAN RYN, Principes de droit commercial, Brussel, Bruylant, 1954; J. FREDERICQ, Traité de droit commercial belge, IV, Les sociétés commerciales en droit belge, Gent, Fecheyr, 1950, 295,nr. 175; A. CLOQUET, Les concordats et la faillite, III, Les Novelles, Droit commercial, Brussel, Larcier, 1985, 38-40, nrs. 127 en 128.
(4) V. SIMONART, La personalité morale en droit privé comparé, Brussel, Bruylant, 1995, 411,nr.473,en 439 e.v.; H. DE WULF, “Onbeperkte aansprakelijkheid van vennoten impliceert geen toerekening van handelaarshoedanigheid”, T.V.R., 2003, 679-686.
(5) Zie onder meer H. DE WULF,Commentaar onder arrest hof van beroep Antwerpen van 15 februari 2007, T.B.H. 2007, afl. 4, 371-372.
(6) Zie o.m. C. MATRAY en F. RINGELHEIM, “La société en nom collectif” en “La société en commandite simple”, in Les Sociétés, Traité pratique du droit commercial, C. JASSOGNE (ed.), Brussel, Story Scientia, 1998; K. GEENS en J. VANANROYE, “De gradaties in de rechtspersoonlijkheid en het persoonlijk vermogen”, in Rechtspersonenrecht, W.VAN EECKHOUTTE (ed.), Postuniversitaire cyclus W.DELVA 1998-1999, Antwerpen, Kluwer, 1999, 425-487.
(7) Zie o.m. I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la faillite et du concordat, Mechelen, Kluwer, 2003, 247, nr. 355.
(8) H.DE WULF, Commentaar onder Antwerpen, 15 februari 2007, zie supra voetnoot (1), 372-373.
(9) Cass., 2 maart 1995, A.R. C.93.0094.F, A.C., 1995, nr. 127; Cass., 5 december 1997, A.R. C.96.0306.F, A.C., 1997, nr. 532; Cass., 19 oktober 1999, A.R. P.98.1102.N, A.C., 1999, nr. 544; Cass., 24 oktober 2002, A.R. C.00.0476.N en C.00.477.N, met conclusie A.G. DUBRULLE; Cass., 29 oktober 2004, A.R. C.03.0115.N.
(10) O. VAN OVERZEE, “De aansprakelijkheid van een besturend vennoot in een gewone commanditaire vennootschap in geval van borgstelling en het voorrecht van eerdere uitwinning”, noot onder Cass. 25 oktober 1990, T.R.V.,1992, 175-176.
(11) Cass., 29 oktober 2004, A.R. C.03.0115.N.

Noot: 

Revue critique de jurisprudence belge [R.C.J.B.] VAN GERVEN, Dirk; Note 'Les associés commandités sont-ils par nature commerçants lorsque la société en commandite simple l'est? Quelques réflexions sur la personnalité morale des sociétés à responsabilité illimitée' 2013, n° 3, p. 399-450.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/02/2018 - 13:20
Laatst aangepast op: zo, 04/02/2018 - 13:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.