-A +A

Veiligheidscoördinator is aannemer en geen vrij beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel

De activiteit van een veiligheidscoördinator betreft aanneming en geen vrij beroep.

Een overeenkomst van aanneming is als een daad van koophandel aan te merken.

Artikel 2, vijfde streepje W.Kh. merkt als daad van koophandel aan : “alle verrichtingen van ondernemingen van openbare of particuliere werken,…”

Artikel 2 zesde streepje W.Kh. stelt dat onder daad van koophandel moet worden verstaan : “alle verrichtingen van ondernemingen van leveringen, …”

Verbintenissen tussen handelsvennootschappen zijn daden van koophandel betreffen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel, conform artikel 2, laatste streepje W.Kh.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtbank van koophandel Brussel op 19 november 2012 

IN DE ZAAK VAN :

Co. NV,
Appellante

Tegen :

C. NV,

Geïntimeerde

Gelet op de bestreden vonnissen van de vrederechter van het kanton Overijse-Zaventem van respectievelijk 5 oktober 2010 en 14 december 2010;

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep tijdig en regelmatig naar de vorm neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel van Brussel van 27 december 2010;
Gelet op de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel, in toepassing van artikel 747 §2 Ger.W. van 21 juni 201 1 ;
Gelet op de conclusies die door de partijen werden neergelegd;
Gehoord de raadslieden van partijen in hun pleidooien tijdens de openbare terechtzitting van 24 september 2011 waarna de zaak in beraad werd genomen.

1. FEITEN

Co. NV (“Co.”) is een veiligheidscoórdinator. C. NV (“C.”) liet in de loop van 2008-2009 werken uitvoeren waarvoor zij architect E.B. aanstelde.

In het kader van deze werken sloten Co. en C. op 7 februari 2007 per e-mail een overeenkomst af met als opdracht de veiligheidscoördinatie volgens volgende modaliteiten:
-coórdinatie ontwerp
-19 werfbezoeken en verslagen
-opstellen postinterventiedossier

De totale som voor deze opdracht werd vastgesteld op EUR 2.600,00.

Ieder bijkomend werfbezoek zou worden gefactureerd aan EUR 100,00 per bezoek.

Co. stelde op 12 oktober 2007 factuur 2007134 op voor een bedrag van EUR 250,00, excl. BTW, hetzij EUR 1.512,50 incl. BTW. Deze factuur vermeldde verkeerdelijk als referentie van C. “ASBL ST PIERRE”.

Het wordt niet betwist dat C. deze factuur betaalde zonder enig voorbehoud of opmerking m.b.t. de verkeerde vermelding.

Op 3 oktober 2008 stelde Co. een tweede factuur 8165 op voor EUR 1.000,00, excl. BTW, hetzij EUR 1.210,00 incl. BTW. Deze factuur vermeldde eveneens verkeerdelijk als referentie van C. “ASBL ST PIERRE”.

Deze factuur werd niet betaald door C.

Met e-mail van 18 augustus 2009 stuurde Co. een herinnering aan C. waarin zij C. aanmaande. In deze e-mail werd een verkeerd factuur nummer vermeld: “Ik merk dat onze factuur 141 dd. 7/7/8 ad 1210 EUR nog niet betaald is. Graag onmiddellijke betaling.”

In een e-mail van 20 oktober 2009 aan Co. stelde de architect van C., de heer E.B., dat hij de stand van de prestaties en facturatie van Co. had besproken met C. en dat in de afrekening tussen partijen rekening diende te worden gehouden met het feit dat slechts een deel van de overeenkomst werd uitgevoerd en dat Co. alle werfbezoeken in het eerste kwart gedeelte van de werf had verricht. Gelet hierop stelde hij in naam van C. voor om het afgesproken bedrag van EUR 2.500,00 te herleiden tot EUR 1.800,00. Tevens werd gemeld dat het postinterventiedossier nog moest worden opgemaakt nadat de heer B. de nodige documenten daartoe ter beschikking van Co. zou hebben gesteld.

Met e-mail van 22 oktober 2009 liet C. aan Co. weten dat zij de factuur niet ontvangen had en vroeg zij deze op.

Met e-mail van 22 oktober 2009 stuurde Co. een kopie van de factuur aan C. en meldde zij dat zij het voorstel van C. zoals vermeld in de e-mail van E.B. van 20 oktober 2009 niet aanvaardde, vermits de overeenkomst duidelijk was en C. nooit opmerkingen had gemaakt over de prestaties van Co.

Verder wees C. erop dat de onbetaalde factuur van EUR 1.210,00 onmiddellijk betaald moest worden, bij gebrek waaraan zij tot dagvaarding zou overgaan.

Met aangetekende brief van 26 oktober 2009 betwistte C. de factuur stellende dat zij de factuur en de rappel niet ontvangen had; tevens drukte zij haar ontevredenheid uit over de prestaties; zij herhaalde nogmaals bereid te zijn in totaal EUR 1.800,00 te betalen voor de opvolging van een kwart van de werf.

Op 16 december 2009 is Co. overgegaan tot dagvaarding.

Met tussenvonnis van 5 oktober 2010 verklaarde de vrederechter van het kanton Overijse-Zaventem de vordering van Co. ongegrond, omdat zij niet aantoonde dat C. de factuur ontvangen had. De vrederechter was van oordeel dat het feit dat de factuur in de boekhouding van Co. was ingeschreven niet het bewijs vormde dat ze effectief verstuurd was en dat C. ze ook ontvangen had. De factuur werd immers niet ingeschreven in het ingaand facturenboek van C., wat aantoonde dat zij de factuur niet ontvangen had.

Co. toonde evenmin op een andere manier aan dat C. de factuur ontvangen had. Verder was de vrederechter van oordeel dat omdat de ingebrekestelling per e-mail van 18 augustus 2009 verwees naar een andere factuur, deze e-mail niet relevant was. De vrederechter oordeelde bijgevolg dat C. pas met e-mail van 22 oktober 2009 kennis nam van de factuur en dat zij deze tijdig geprotesteerd had met aangetekende brief van 26 oktober 2009.

Verder stelde de vrederechter dat Co. in gebreke gebleven was om haar verplichtingen uit te voeren, vermits zij reeds 1’l werfbezoeken had afgelegd in het eerste kwart gedeelte van de werf, terwijl 7 bezoeken hiervan onnuttig waren omdat zij werden afgelegd terwijl de werf stillag.

De vrederechter oordeelde bijgevolg dat C. terecht weigerde het volledig overeengekomen bedrag te betalen en dat het voorstel van C. tot betaling van EUR 1.800,00 redelijk was. Zij verleende akte aan C. dat zij bereid was dit bedrag te betalen, doch slechts na de uitvoering van het postinterventiedossier. De zaak werd dan ook in voortzetting gezet op 7 december 2010.

Tijdens de zitting van de vrederechter van 7 december 2010 bleek dat Co. niet was overgegaan tot de opstelling van het postinterventiedossier. Met vonnis van 14 december 2010 oordeelde de vrederechter dan ook dat de oospronkelijke vordering van Co. ongegrond was en dat C. niet langer meer gehouden was om het bedrag van EUR 1.800,00 te betalen.

Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel van Brussel van 27 december 2010 tekende Co. hoger beroep aan tegen het vonnis van 14 december 2010. Met conclusie van 29 augustus 2011 werd eveneens hoger beroep aangetekend tegen het tussenvonnis van 5 oktober 2010 op grond van art. 1056,4″ Ger.W.

2. VORDERINGEN

De oorspronkelijke vordering van Co. strekte ertoe:

-C. te veroordelen tot betaling van EUR 1.210,00, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 18 augustus 2009 en gerechtelijke interesten,

-te horen zeggen voor recht dat Co. gerechtigd is een einde te stellen aan alle verdere werkzaamheden voor C., meer bepaald het opstellen van een postinterventiedossier,

-C. te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van EUR 400,00;

-Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling noch kantonnement.

In graad van beroep vordert Co. dat de vonnissen van 5 oktober 2010 en 14 december 2010 zouden worden tenietgedaan en dat haar oorspronkelijke vordering integraal zou worden gegrond verklaard.

In ondergeschikte orde vordert Co. de aanstelling van een deskundige tot opmaak van de afrekening tussen partijen, na kennisname van alle relevante stukken.

3. BEOORDELING

3.1. Bevoegdheid

C. stelt dat de rechtbank van koophandel, zetelend in graad van hoger beroep, onbevoegd is om kennis te nemen van huidig geschil. Zij stelt dat noch Co., noch C., kooplieden zijn en dat het geschil een overeenkomst van aanneming (huur van diensten) betreft, wat niet als een daad van koophandel te beschouwen is.

De rechtbank gaat niet akkoord met C.

De bevoegdheid in hoger beroep van de rechtbank van koophandel wordt geregeld in art. 577, lid 2 Ger.W.: “De rechtbank van eersÍe aanleg neemt in hoger beroep kennis van de vonnissen (in eerste aanleg gewezen door de vrederechter en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank).

Hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, wordt evenwel gebracht voor de rechtbank van koophandel”.

Een overeenkomst van aanneming is wel degelijk als een daad van koophandel aan te merken.

Artikel 2, vijfde streepje W.Kh. merkt als daad van koophandel aan : “alle verrichtingen van ondernemingen van openbare of particuliere werken,…”

Artikel 2 zesde streepje W.Kh. stelt dat onder daad van koophandel moet worden verstaan : “alle verrichtingen van ondernemingen van leveringen, …”

De activiteit van een veiligheidscoördinator betreft geen vrij beroep.

Verder kan ook niet betwist worden dat zowel Co. als C. handelsvennootschappen zijn, en dat dus conform artikel 2, laatste streepje W.Kh. al hun verbintenissen daden van koophandel betreffen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel. C. blijft in gebreke dit bewijs te leveren.

Bijgevolg is de rechtbank wel degelijk bevoegd.

3.2. Protest

C. stelt dat Co. niet bewijst dat zij factuur nr. 8165 van 3 november 2008 ontvangen heeft, dat zij de factuur in werkelijkheid pas ontvangen heeft op 22 oktober 2009 en dat haar protest met aangetekende brief van 26 oktober 2009 bijgevolg tijdig is.

De rechtbank gaat niet akkoord met C.

Uit de stukken die partijen voorleggen blijkt dat Co. de factuur heeft ingeboekt in haar uitgaand factuurdagboek op 3 november 2008.

Er is geen enkele schijn van onregelmatigheid van de boeken van Co.

In hoofde van een leverancier is het zinloos om een factuur in zijn boeken in te schrijven en er BTW op af te dragen, zonder het nodige te doen voor de verzending van de factuur (Antwerpen,24 juni 2002, Limb.Rechtsl.2003, 66; Gent, 1 juni2005, A.R.2004/465, onuitg.).

In huidig geschil moet daarenboven rekening gehouden worden met de volgende elementen.

Co. heeft een aanmaning gericht aan C. met e-mail van 18 augustus 2009. Weliswaar vermeldde deze aanmaning een verkeerd factuurnummer en een vekeerde datum, maar het bedrag was wel conect (EUR 1.210,00). Op deze email werd niet gereageerd.

De bewering van C. dat zij deze e-mail niet ontvangen heeft, is niet geloofwaardig, vermits hij werd verzonden aan het gebruikelijke e-mailadres van C.. Daarenboven werd de factuur ook aan de architect verzonden.

De eerste rechter besliste dat deze e-mail niet relevant was en er geen rekening mee gehouden kon worden, vermits hij een verkeerde referentie bevatte. De rechtbank gaat hiermee niet akkoord.

C. toont niet aan dat zij verschillende werven had waar Co. als veiligheidscoördinator was aangesteld. Zij kon er dan ook niet te goeder trouw van uitgaan dat deze e-mail een vergissing betrof, alleen omwille van het feit dat de referentie niet correct was.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat C. zeker de email van Co. van 18 augustus 2009 ontvangen heeft en dus van het bestaan van een tweede factuur van Co. op de hoogte was. Zij heeft evenwel nagelaten hierop te reageren.

Het is pas na ontvangst van de e-mail van 22 oktober 2009 dat zij de factuur geprotesteerd heeft.

Dit protest is dan ook manifest laattijdig.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het protest van 26 oktober 2009 eveneens manifest ongegrond is.

Met e-mail van 9 oktober 2007 liet de architect aan Co. weten : “De bouwheer en ikzelf wensen het totaal aantal werfbezoeken te houden op de hoeveelheid die voorzien is in de overeenkomst, namelijk 18. Tot op heden zijn I werfbezoeken uitgevoerd. Daarvan zijn een aantal die niet echt nuttig waren gezien er geen werfactiviteit wal Zonder uw vrijheid te beperken voor wat het bezoek aan de werf betreft, stel ik voor u op de hoogte te houden van de toestand van de werf via het werfverslag, met daarin eventueel een expliciet verzoek van mijnentwege voor een bezoek van Co. en dat u op basis daarvan de verdere verdeling van de resterende werfbezoeken plant. Zijn nog uit te voeren : deel metstel- en betonwerken, daama (vermoedelijk met een onderbreking van de werken) de houtskeletbouw en de afwerkingen. lk schat nog nodig een tweetalwerfuezoeken bij de werken Caspers, 4 werbezoeken bij de houtskeletbouw en 4 voor de afwerking.”

In de periode oktober november 2007 tot 28 maart 2008 voerde Co. 5 werfbezoeken uit waarvan zij telkens het verslag per e-mail aan C. en de architect bezorgde. Twee van de werbezoeken werden uitgevoerd op een ogenblik dat er geen activiteit was (19 november 2007 en 6 februari 2008). Er volgde geen enkele opmerking van C., noch van de architect.
Met e-mail van 28 mei 2008 informeerde Co. of het verslag nr. 24 van de werfvergadering (dat werd opgesteld door de architect) van 19 maart 2008 het laatste verslag was.

De architect meldde met e-mail van 28 mei 2008 dat dit inderdaad zo was, en dat er nog wekelijkse werfvergaderingen waren, maar dat er geen verslagen meer werden opgemaakt.

Hieruit blijkt dat de architect Co. blijkbaar sinds maart 2008 niet meer informeerde over de stand van de werf. C. legt ook geen stukken voor waaruit blijkt dat zij Co. specifiek verzocht heeft werfbezoeken uit te voeren.

Co. voerde vervolgens nog drie werfbezoeken uit op 26 mei 2008 (aanwezige aannemers: schrijnwerker en loodgieter), op 4 juli 2008 (aanwezige aannemer : binnenschrijnwerker) en 22 augustus 2008 (aanwezige aannemers : binnenschrijnwerken, bevloering, elektriciteit).

Met e-mail van 18 september 2008 deelde de architect aan Co. mee : “Ik stel voor om voor de rest van de werken u uit te nodigen als ik meen dat een werfbezoek nuttig is. Dit is voorlopig niet het geval.”

Op 3 november 2008 stelde Co. de tweede factuur op.

Co. informeerde vervolgens nog per e-mail van 9 januari 2009 bij de architect naar de stand van het project, waarop deze laatste op 10 januari 2009 liet weten dat de werf voorlopig stillag en dat er nog wat activiteiten zouden zijn in de komende maanden, waarvan hij Co. dan zou verwittigen.

Met e-mail van 11 februari 2009 reageerde C. op een opmerking in het werfverslag van architect B. over de veiligheidscoördinatie :”Ik lees in uw verslag : “Co. slechts 1 maal op de werfvergadering geweest – nota te maken” (?) Hoe moet ik deze zin interpreteren ? Er was afgesproken dat u ons ging verwittigen wanneer het relevant was om langs te komen. Plan ik nog een werfbezoek in dan ??”

De architect reageerde hierop met e-mail van 11 februari 2009 als volgt : “Ik heb met de bouwheer één en ander geëvalueerd over het voorbije verloop van de werf, waaronder de veiligheidscoördinatie. Ik heb in het werfverslag willen noteren dat, in strijd met hetgeen ik aan de bouwheer voorgeschoteld had en zoals ik jullie bureau in het verleden gekend had en zoals ik met Yvan afgesproken had, uw werfbezoeken niet gebeurden op het ogenblik van de werfvergaderingen. Ik zal u nog verwittigen van de komende gewenste bezoeken.”

Met e-mail van 28 juli 2009 informeerde C. voor de laatste maal bij de architect naar de stand van zaken : “nog werfbezoeken in te plannen, opmaak PID ?”

Hierop werd blijkbaar niet meer gereageerd door de architect, noch door C.

Uit het bovenstaande overzicht is gebleken dat Co. geen enkele tekortkoming aan haar verplichtingen kan worden verweten

In totaal voerde Co. 16 werfbezoeken uit tot 22 augustus 2008, op dat ogenblik was de woning blijkbaar in de faze van afwerking (binnenschrijnwerk, bevloering en elektriciteit). De bewering van C. dat de 16 werfbezoeken werden afgelegd toen slechts een kwart van de werken beëindigd was, snijdt bijgevolg geen hout en wordt tegengesproken door de stukken die Co. meedeelt.

C. deelt trouwens geen enkel stuk mee waaruit blijkt wanneer de werf werd beëindigd. Uit de e-mails van de architect van 10 januari 2009 bleek trouwens dat het project op dat moment stillag en dat er nog wat activiteiten zouden zijn in de komende maanden. Er werd geen reden aangegeven.

De rapporten van de werfbezoeken werden telkens per e-mail aan zowel C. als haar architect, E.B., bezorgd. Er werd in heel de periode geen enkele inhoudelijke opmerking op de verslagen of op het door Co. uitgevoerde werk gemaakt, noch door C., noch door de architect.

De enige opmerking, die pas op 9 oktober 2007 werd gemaakt (nadat Co. reeds 8 werfbezoeken had uitgevoerd) betrof het feit dat er een aantal werfbezoeken waren gebeurd op een ogenblik dat er geen activiteit op de werf was.

Deze opmerking werd evenwel pas gemaakt na de totstandkoming van de overeenkomst. C. toont niet aan dat bij de totstandkoming van de overeenkomst was overeengekomen dat Co. slechts werfbezoeken zou uitvoeren op een ogenblik dat er activiteit op de werf was. Dit is ook niet vereist voor of inherent aan de opdracht van de veiligheidscoördinator, vermits ook een werf zonder activiteit een gevaar kan opleveren en moet voldoen aan veiligheidsvoorschriften.

Daarenboven blijkt uit de stukken dat de architect Co. gemeld had dat hij Co. op de hoogte zou houden van de voortgang van de werf, wat blijkbaar gebeurd is tot maart 2008, en nadien niet meer of slechts sporadisch.

Uit het bovenstaande volgt dat Co. geen enkele tekortkoming in de naleving van haar verplichtingen kan worden verweten.

De vrederechter besliste dan ook ten onrechte dat de factuur van Co. niet verschuldigd is.

Ook het feit dat het postinterventiedossier niet werd opgemaakt is niet aan Co. te wijten.

Uit de e-mail van de architect van 10 januari 2009 bleek immers dat de werf in 2009 stil lag, om een niet meegedeelde reden.

Met e-mail van 28 juli 2009 informeerde Co. bij de architect of zij het postinterventiedossier nog moest opmaken, maar hierop is door de architect niet meer gereageerd.

De architect schreef in zijn e-mail van 20 oktober 2009 trouwens dat de opmaak van het postinterventiedossier diende te gebeuren op basis van gegevens die hij aan Co. diende te bezorgen.

C. toont niet aan dat de architect deze gegevens bezorgd heeft.

Bijgevolg is het feit dat het postinterventiedossier niet werd opgemaakt niet te wijten aan Co.

De rechtbank stelt vast dat de factuur 8165 van november 2008 geen betrekking heeft op de opmaak van het postinterventiedossier. In totaal heeft Co. immers EUR 2.250.00 zonder BTW gefactureerd.

Co. verzoekt de rechtbank te zeggen voor recht dat zij ontslagen is van de verplichting tot opmaak van het postinterventiedossier, gelet op het feit dat C. heeft nagelaten de nodige documenten ter beschikking van Co. te stellen om het postinterventiedossier op te maken.

Vermits vaststaat dat C. (of de door haar aangestelde architect) heeft nagelaten de nodige documenten ter beschikking van Co. te stellen om het postinterventiedossier op te maken kan op dit verzoek worden ingegaan.

De bestreden vonnissen worden dan ook hervormd.

OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,

Alle andere verwerpende als niet ter zake doende;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekende in beroep, op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep tegen de vonnissen van 5 oktober 2010 en 14 december 2010 zoals uitgesproken door de vrederechter van het kanton Overijse-Zaventem ontvankelijk en gegrond;

Doet deze vonnissen teniet, en opnieuw rechtdoende;

Verklaart de oorspronkelijke vordering van Co. NV gegrond;

Veroordeelt dienvolgens C. NV tot betaling aan Co. NV van EUR 1.210,00, meer de moratoire intresten vanaf 18 augustus 2009 en de gerechtelijke intrest vanaf 1 6 december 2009;

Zegt voor recht dat Co. NV niet gehouden is tot opmaak postinterventiedossier;

Veroordeelt C. NV tot alle kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg t.b.v. EUR 400,00 en in graad van hoger beroep, t.b.v. EUR 440.00.

Aldus gevonnist ter openbare terechtzitting van de 19de Kamer – Zaal C van de rechtbank van Koophandel zetelend te Brussel

Noot: 

• Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen, 11 december 2015, RW 2016-2017, 633

BVBA A.B.&L. t/ V.G.

...

2. Feiten en gegevens van de vorderingen

Eiseres heeft verweerder op 7 september 2015 gedagvaard voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, in betaling van onkosten en erelonen ten bedrage van 1 418,77 euro, vermeerderd met de interesten.

Verweerder liet verstek gaan en in het vonnis van 15 oktober 2015 twijfelt de verwijzende rechter ambtshalve aan de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, enerzijds omdat uit de gegevens, gevoegd bij de dagvaarding, blijkt dat verweerder al jaren geen commerciële activiteiten meer kent (hij is bijvoorbeeld geschrapt bij de BTW-administratie sedert april 2007) en anderzijds omdat de erelonen betrekking hebben op een echtscheidingsprocedure.

Met toepassing van art. 640 Ger.W. werd de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwezen.

3. Beoordeling

Krachtens art. 573 Ger.W. neemt de rechtbank van koophandel kennis van geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen.

Zelfs al mocht verweerder als een ondernemer te beschouwen zijn, kan de rechtbank van koophandel enkel bevoegd zijn voor zover het geschil betrekking heeft op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van het economisch doel van partijen.

Dat laatste is het geval voor eiseres, maar niet voor verweerder. Eiseres vordert immers erelonen en onkosten voor prestaties, geleverd naar aanleiding van de echtscheidingsprocedure van verweerder en die dus niet te maken hebben met het economisch doel dat eventueel door verweerder wordt nagestreefd.

Krachtens artikel 590 Ger.W. is de vrederechter bevoegd voor alle vorderingen waarvan het bedrag 2 500 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt. Dat laatste is niet het geval voor het opvorderen van advocaatkosten.

Aangezien verweerder te Hooglede woont, is het vredegerecht van het kanton Roeselare territoriaal bevoegd.

• Arrondissementsrechtbank Oost-Vlaanderen, 21 maart 2016, RW 2016-2017, 669

samenvatting:

En inschrijving in het KBO-register op het adres waarop de factuur betrekking heeft geldt als een vermoeden van handelaar.

Tekst vonnis

NV E.G. & P. t/ B.P.

Bij dagvaardingsexploot van 14 januari 2015 vordert de eisende partij de veroordeling van de verwerende partij tot betaling op grond van de onbetaald gebleven factuur nr. 141220310985 van 9 juni 2015, vermeerderd met de intresten tot 5 augustus 2015, de som van 160,91 euro, vermeerderd met de moratoire rente aan wettelijke rentevoet op 160,90 euro vanaf 6 augustus 2015, de gerechtelijke rente en de kosten van het geding.

Bij verstekvonnis van 14 januari 2016 oordeelde de vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde, dat er twijfel bestaat over de materiële bevoegdheid, gelet op het gewijzigde art. 573, 1°, eerste lid Ger.W. sinds 1 juli 2014.

Art. 2 van de wet van 26 maart 2014 wijzigde art. 573 Ger.W. en bepaalt dat sedert 1 juli 2014 de rechtbank van koophandel in eerste aanleg kennisneemt “1) van de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen”.

De verwerende partij heeft een inschrijving in het KBO-register op het adres waarop de factuur betrekking heeft. Dit geldt als een vermoeden van handelaar. Hij voldoet aldus aan het begrip “onderneming”, als zijnde een fysieke persoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft.

Aldus dient de Rechtbank van Koophandel Gent, afdeling Oudenaarde, als bevoegde rechter te worden aangewezen, zijnde rechtbank van de woonplaats (zetel) van de verwerende partij.

• Arrondissementsrechtbank te Antwerpen, 13/01/2015, RW 2016-2017, 1230

NV B.P.-B. t/ NV C.

Gelet op het vonnis van verwijzing van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 19 november 2014, waarin de rechter zich vragen stelt bij de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel.

De eerste rechter oordeelde:

“Dat de wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies, krachtens art. 17 van die wet, in werking trad op 1 juli 2014, zodat deze nieuwe wetsbepalingen dienen te worden toegepast;

“Dat in het kader van deze nieuwe wetsbepalingen de rechtbank van koophandel kennisneemt van “de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke verricht is in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen”;

“Dat de rechtbank de mening is toegedaan dat het criterium van het economisch doel moet worden beoordeeld in de persoon van beide partijen, één en ander in overeenstemming met J. Laenens, Art. 573, in Comm.Ger., p. 6, nr. 7; J. Laenens, D. Scheers, K. Broeckx en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 290, nr. 561; G. Closset-Marchal, La compétence en droit judiciaire privé, Brussel, Larcier, 2009, p. 210, nr. 306; G. Ballon, vo “Artikelen 2 en 3 W.Kh.: Inleiding”, in Comm.Handel., p. 7-8, nr. 15; Kh. Hasselt 18 maart 1997, RW 1997-98, 751; Arrondrb. Antwerpen 11 januari 2011, AR E/10, geen publicatie gekend”.

In vermeld vonnis werd beklemtoond dat er geen betwisting kon bestaan over het feit dat het geschil gevoerd werd tussen twee ondernemingen, maar dat niet werd voldaan aan de vereiste van verwezenlijking van een economisch doel.

Eisende partij bleek zich te beroepen op rechtsregels van openbaar recht en rechtshandhaving, die behoren tot het publieke domein (Vlaams Decreet van 9 juli 2010, retributiereglementering van de stad Geel, blauwe zone, concessieovereenkomst van openbare dienst, ...).

Aansluitend hierbij werd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie reeds bij herhaling geoordeeld dat de parkeerretributie een vergoeding is voor betalend parkeren, zijnde een door de overheid verstrekte dienst.

In de oude rechtspraak en rechtsleer werd geoordeeld dat de rechtbank van koophandel niet bevoegd is om kennis te nemen van geschillen van publiekrecht of van publieke vordering en enkel in het kader van de bijzondere bevoegdheden (faillissementen, vennootschapsrecht, ...) moet kennisnemen van geschillen van openbaar bestuur of van publieke vorderingen.

In casu gaat het om een publieke vordering, die behoort aan de publieke overheid (gemeente), maar in publieke concessie werd gegeven aan een onderneming.

Dat dit echter geenszins het publieke karakter van de vordering tenietdoet; dat het echter wel zeer duidelijk is dat indien de gemeente zelf tot invordering zou overgaan, de rechtbank van koophandel niet bevoegd zou worden geacht, aangezien het dan geen geschil meer is tussen twee ondernemingen.

De rechtbank van koophandel kwam dan ook tot het besluit dat niet werd voldaan aan het criterium van het economisch doel in de persoon van eisende partij.

Voorts moet er ook een economisch doel bestaan in de persoon van verwerende partij. Die werd echter niet gedagvaard op grond van haar hoedanigheid van ondernemer, noch op grond van haar economisch doel, maar enkel omdat een parkeerretributie niet betaald zou zijn voor haar wagen. Verwerende partij werd dus niet als ondernemer, maar als eigenaar (bezitter of gebruiker) van een wagen aangesproken.

Er werd niet aangetoond dat het economisch doel van verwerende partij iets te maken had met parkeren. Een pecuniair doel mag niet worden gelijkgesteld met een economisch doel, aangezien dan ook de invordering van onderhoudsgeld tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel zou behoren indien man en vrouw toevallig ondernemers zouden zijn. De rechtbank van koophandel kwam dan ook tot het tweede besluit dat niet werd voldaan aan het criterium van het economisch doel in de persoon van verwerende partij.

Uiteindelijk kwam de rechtbank van koophandel tot het derde en laatste besluit dat de rechtbanken van koophandel geenszins de “natuurlijke” rechter zijn om kennis te nemen van de vorderingen m.b.t. parkeerretributies, omdat parkeren het in gebruik nemen is van een plaats op het onroerend openbaar domein en dit privaatrechtelijk gekwalificeerd kan worden als huur of bezetting van een onroerend goed. Omdat zulke geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter met toepassing van art. 591, 1° Ger.W., besloot de rechtbank van koophandel dan ook tot de vraagstelling van haar materiële bevoegdheid.

De arrondissementsrechtbank werd op toelaatbare en ontvankelijke wijze geadieerd.

Opdat de rechtbank ambtshalve een middel van materiële onbevoegdheid zou kunnen opwerpen, dient aan de volgende voorwaarden cumulatief voldaan te zijn: 1) het middel mag niet door één van de procespartijen opgeworpen zijn; 2) het middel van onbevoegdheid raakt de openbare orde of moet in een bijzondere wettekst vermeld staan; 3) het middel van onbevoegdheid wordt opgeworpen in het eerste vonnis dat in de zaak werd bewezen (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 316, nr. 743).

Aan deze voorwaarden is in casu voldaan:

– geen van de gedingvoerende partijen wierp een exceptie van materiële onbevoegdheid op;

– de verwijzende rechter oordeelt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 573 Ger.W., omdat een parkeerretributie geen daad is die kadert in de uitoefening van een economische activiteit, zodat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 573 Ger.W. De regels inzake de materiële bevoegdheid raken de openbare orde; bijgevolg is ook aan de tweede toepassingsvoorwaarde van art. 640 Ger.W. voldaan;

– het verwijzend vonnis van 19 november 2014 is het eerste vonnis dat in deze zaak werd gewezen.

Het door de rechtbank van koophandel opgeworpen middel van materiële onbevoegdheid is gegrond.

De vordering strekt ertoe verwerende partij te veroordelen tot betaling van de som van 30,70 euro, vermeerderd met de kosten en de interesten. Oorzaak van de vordering is een onbetaald gebleven parkeerretributie, vermeerderd met de invorderingskosten.

Art. 573 Ger.W. bepaalt:

“De rechtbank van koophandel neemt in eerste aanleg kennis:

1° van de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen;

2o van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes.

“De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste lid, 1°, bepaalde voorwaarden eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk geding tot aanwijzing van een bevoegde rechter dat is gemaakt vóór het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, nietig”.

Opdat de rechtbank van koophandel thans bevoegd zou zijn, is vereist dat 1) het geschil wordt gevoerd tussen ondernemingen, d.w.z. namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven; 2) het geschil betrekking heeft op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en 3) het geschil niet tot de bijzondere bevoegdheid van een ander rechtscollege behoort.

Het is duidelijk dat de inning van een parkeerretributie voor de concessiegever zelf (de gemeentelijke overheid) geen commercieel doel heeft en louter gericht is op de vrijwaring van een coherent parkeerbeleid en de realisatie van een optimale parkeerrotatie op het grondgebied van de gemeente.

Vraag is of dat niet-commerciële oogmerk ook geldt voor de concessiehouder die de retributie in opdracht van de concessiegever daadwerkelijk invordert.

Eisende partij is zonder twijfel een onderneming in de zin van art. 573, 1° Ger.W., zijnde volgens art. 1.1 van het Wetboek van Economisch Recht “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft” (deze definitie werd door de wetgever ook toepasselijk verklaard op art. 573, 1° Ger.W.: zie Parl.St. Kamer, DOC 53 3076/004, p. 14).

Eisende partij streeft met het invorderen van de retributies ten aanzien van de concessiegever kennelijk een persoonlijk economisch doel na, namelijk het verwerven van inkomsten, bestaande uit een afgesproken vergoeding waarop zij ten laste van de concessiegever aanspraak kan maken bij de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel.

Uit art. 4 van haar statuten van 29 december 2004 blijkt dat tot het maatschappelijk doel van eisende partij, destijds nog NV P. geheten, behoort: “de concessie van de openbare weg (inning parkeergelden en retributies, controle op betalend parkeren)”.

Door tegen betaling van een door de concessiegever verschuldigde vergoeding parkeergelden bij foutparkeerders in te vorderen in opdracht van een gemeentelijke overheid, verwezenlijkt eisende partij in haar relatie tot de concessiegever met andere woorden ongetwijfeld een persoonlijk economisch doel.

Aangenomen moet worden dat, behalve in geval van bewijs van het tegendeel, het gebruik van een wagen die ingeschreven is op naam van een onderneming, en dus ook de betaling van parkeergelden voor dat voertuig, kaderen in de verwezenlijking van het economisch doel van deze onderneming.

Voor de toepassing van art. 573, 1° Ger.W. is evenwel méér vereist dan alleen maar de vaststelling dat de beide partijen ondernemingen zijn die een economisch doel nastreven bij het invorderen, respectievelijk betalen van een parkeerretributie.

In de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet van 26 maart 2014 wordt meermaals beklemtoond dat de wetswijziging enkel tot doel heeft van de rechtbank van koophandel de natuurlijke rechter te maken voor alle “geschillen van commerciële aard die betrekking hebben op de ondernemingen”, ongeacht het bedrag (Parl.St. Kamer 2013-14, DOC 53 3076/004, p. 4, 14, 19). Geschillen van commerciële aard worden er gedefinieerd als “alle geschillen betreffende het interne en externe leven van de onderneming”. Deze onderscheiden zich van zuiver burgerrechtelijke geschillen tussen twee ondernemingen, die ook na deze wetswijziging nog altijd niet tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behoren (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2013-14, DOC. 53 3076/001, p. 9).

Met de invoering in art. 573, 1° Ger.W. van het ondernemingsbegrip als doorslaggevend criterium heeft de wetgever dus veel meer de nadruk willen leggen op een bevoegdheidsverdeling op basis van de aard van het geschil (namelijk: een commercieel geschil), en niet zozeer op basis van de hoedanigheid van de partijen.

Een geschil tussen niet-verwante ondernemingen heeft slechts dan een commercieel karakter wanneer het betrekking heeft op prestaties die door de ene onderneming geleverd worden tegen betaling door de andere. Bedoeld worden met andere woorden uitsluitend de geschillen tussen ondernemingen met betrekking tot een overeenkomst tussen beide, en meer bepaald de geschillen die optreden bij een handelstransactie tussen twee ondernemingen.

Is een rechtsvordering tussen twee niet-verwante ondernemingen niet gebaseerd op een directe commerciële relatie tussen beide, dan is het geschil niet commercieel van aard en geldt de bevoegdheidsregel van art. 573, 1° Ger.W. niet.

De rechtsverhouding tussen de onderneming die in opdracht van een gemeentelijke overheid parkeerretributies invordert en die welke de retributie verschuldigd is, is niet van contractuele, maar van reglementaire aard (Cass. 3 juni 2010, RW 2012-13, 698). In haar rechtstreekse verhouding tot de foutparkeerder van wie zij de retributie invordert, treedt eisende partij niet op ter verwezenlijking van haar economisch doel, maar verzekert zij een openbare dienst in opdracht van de gemeentelijke overheid (Cass. 29 mei 2009, rolnummers C.08.129.N, C.08.130.N en C.08.131.N, Arr.Cass. 2009, 1507 respectievelijk 1518, telkens met conclusie advocaat-generaal D. Thijs).

Aangezien tussen eisende partij en verwerende partij, ook al zijn zij allebei ondernemingen, geen onderlinge commerciële relatie bestaat, is de invordering van een parkeerretributie geen geschil van commerciële aard, zoals de wetgever dat voor de toepassing van art. 573, 1° Ger.W. voor ogen heeft.

Ook al zou de inning, respectievelijk betaling van parkeerretributies voor één of beide partijen dus kaderen in de verwezenlijking van een eigen economisch doel, dan nog blijft, bij gebrek aan onderlinge commerciële relatie tussen de procespartijen, de gewone bevoegdheidsregel van art. 590 Ger.W. van toepassing.

Het gevorderde bedrag overschrijdt geenszins 2.500 euro.

Aangezien schulden haalbaar zijn (art. 1247 BW) en het feit dat verwerende partij haar maatschappelijke zetel heeft in Berchem, behorende tot het 8° kanton Antwerpen, is de vrederechter van het achtste kanton Antwerpen territoriaal bevoegd om ervan kennis te nemen (art. 624, 1° en 2o Ger.W.).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/02/2018 - 11:03
Laatst aangepast op: zo, 04/02/2018 - 11:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.