-A +A

Vaststelling vaderschap op grond van vermoedens

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 25/06/2014

Een persoon kan niet gedwongen worden een gerechtelijk deskundigenonderzoek op zijn persoon (afname DNA-staal) te ondergaan. De weigering daartoe  moet als zodanig evenmin worden verantwoord.

De weigering mee te werken aan een DNA-onderzoek kan evenwel gekwalificeerd worden als een feitelijk vermoeden.

De medewerkingsplicht van elke partij aan de bewijsvoering geldt niet als een rechtsplicht die vatbaar is voor dwanguitvoering, maar betreft een juridische gehoudenheid of last, die bij het niet vervullen ervan kan resulteren in een beperking of zelfs verwerking van rechten of, zoals in casu, ook bewijsrechtelijke consequenties kan opleveren tegen de partij die tekortschiet aan de bewijsrechtelijke medewerkingsplicht.

De weigering om een DNA-test te ondergaan en de suggestie van de beweerde vader aan de moeder om haar toenmalige zwangerschap af te breken, vormen in combinatie met nog andere elementen uit het dossier (o.a. het voorgelegde geboortekaartje met de voornaam van appellant als de vader van het kind alsmede de door mevrouw W. bijgebrachte schriftelijke verklaringen) een afdoende juridische grondslag voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de beweerde vader.

Hoger aangehaalde dossierelementen maken immers gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit die in hun samenhang en in hun geheel strekken tot het bewijs dat appellant de vader is van het kind.



 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
120
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Wat voorafgaat

C. werd geboren te Antwerpen op 28/03/2005. Mevrouw W. is de moeder van dit kind.

Zij houdt voor dat appellant, de heer R., de vader is van dit kind.

Mevrouw W. bekwam een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 28 juni 2007 (stuk 9 van het stavingsbundel van mevrouw W.), waarbij appellant veroordeeld werd tot betaling van een onderhoudsbijdrage van € 150,00 per maand, ten titel van uitkering voor levensonderhoud, met ingang van 1 december 2005.

Bij exploot d.d. 18/06/2009 heeft mevrouw W. huidige appellant gedagvaard in vaststelling van diens vaderschap over C., geboren te Antwerpen op 28/03/2005.

De voogd ad hoc is vrijwillig in de procedure tussengekomen, bij verzoekschrift houdende vrijwillige tussenkomst, neergelegd op 29/06/2009.

Bij tussenvonnis d.d. 12/10/2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd, alvorens verder recht te doen, een gerechtelijk deskundigenonderzoek bevolen ( ... ). Onder verwijzing naar artikel 62 WIPR werd geoordeeld dat

de Argentijnse wet van toepassing is, gelet op de Argentijnse nationaliteit van de heer R., appellant.

Bij (een tweede) tussenvonnis d.d. 03/03/2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd, alvorens verder recht te doen, een (nieuw) gerechtelijk deskundigenonderzoek bevolen ( ... ). Alsdan werd uitdrukkelijk bepaald dat de heer R. opnieuw moest worden uitgenodigd en zijn medewerking diende te verlenen aan het deskundigenonderzoek en ook gehouden was een nieuwe adreswijziging prompt te melden aan de rechtbank.

Bij het bestreden vonnis d.d. 25/04/2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, werd de vordering van mevrouw W. ingewilligd.

Het hoger beroep van de heer R. (dat enkel gericht is tegen het eindvonnis dd. 25/04/2012) strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering te horen afwijzen en mevrouw W. te horen verwijzen in de kosten van beide instanties.

Mevrouw W. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het beistreden vonnis.

( ... )

De voogd ad hoc concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. Beoordeling

( ... )

2.2. Het Hof heeft ter zitting van 10 juni 2014 akte genomen van het feit dat appellant, bij monde van zijn raadsman, verklaard heeft niet bereid te zijn mee te werken aan een DNA-onderzoek.

De discussie omtrent de vraag of appellant nu al dan niet de oproeping door de gerechtsdeskundige daadwerkelijk heeft ontvangen is hierdoor zonder daadwerkelijk voorwerp.

2.3. Naar Argentijns recht (artikel 247 en artikel 253 van de Argentijnse wet inzake afstamming) kan de vaderlijke afstamming worden vastgesteld bij vonnis, terwijl alle soorten bewijzen kunnen worden aanvaard. Bijgevolg is het bewijs door vermoedens toegelaten.

2.4. Appellant kan niet gedwongen worden een gerechtelijk deskundigenonderzoek op zijn persoon (afname DNA-staal) te ondergaan.

De weigering daartoe van appellant moet als zodanig evenmin worden verantwoord.

De weigering mee te werken aan een DNA-onderzoek kan evenwel gekwalificeerd worden als een feitelijk vermoeden (Cass. 17 december 1998, RW1998-99,1144).

De medewerkingsplicht van elke partij aan de bewijsvoering geldt niet als een rechtsplicht die vatbaar is voor dwanguitvoering, maar betreft een juridische gehoudenheid of last, die bij het niet vervullen ervan kan resulteren in een beperking of zelfs verwerking van rechten of, zoals in casu, ook bewijsrechtelijke consequenties kan opleveren tegen de partij die tekortschiet aan de bewijsrechtelijke medewerkingsplicht.

2.5. Ten onrechte betwist appellant seksuele omgang te hebben gehad met mevrouw W.

Deze bewering van appellant strijdt met de beschikkingen van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 28 juni 2007 (stuk 9 van het stavingsbundel van mevrouw W.). Dit vonnis heeft, spijts het ontbreken van een bewijs van betekening, blijkbaar kracht van gewijsde (zie de erkenning in dat verband in de beroepsconclusies van appellant). Dit vonnis geldt als wettelijk bewijsmiddel ex artikel 1350,3 B.W., gelet op het feit dat appellant en mevrouw W. alsdan ook partij waren bij het bewuste geding.

Waar een vonnis bij toepassing van artikel 336 e.v. B.W. weliswaar niet de roeping heeft te gelden als (bewijs van gerechtelijke) vaststelling van de vaderlijke afstamming, kan dit niettemin aanzien worden als een feitelijk vermoeden van vaderschap.

2.6. De seksuele contacten van appellant met mevrouw W. (zie hoger randnummer 2.5), de weigering van appellant om de DNA-test te ondergaan en de - door appellant zelf uitdrukkelijk erkende - suggestie van appellant aan mevrouw W. om haar toenmalige zwangerschap af te breken, vormen in combinatie met nog andere elementen uit het dossier (o.a. het voorgelegde geboortekaartje met de voornaam van appellant als de vader van het kind alsmede de door mevrouw W. bijgebrachte schriftelijke verklaringen) een afdoende juridische grondslag voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van appellant.

Hoger aangehaalde dossierelementen maken immers gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit die in hun samenhang en in hun geheel strekken tot het bewijs dat appellant de vader is van het kind.

2.7. Geen enkel element verzet zich tegen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van appellant.

Vergeefs roept appellant de aantasting van zijn familiale rust en van zijn privé- en familieleven in: centraal staat het belang van het kind. Zowel artikel 22bis G.W. als artikel 3, eerste lid van het Kinderrechtenverdrag verplichten de rechter om in de eerste plaats het belang van het (minderjarig) kind in aanmerking te nemen in de procedures die betrekking hebben op het kind. Bij de afweging van de onderscheiden belangen neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie (Gwh. 7 maart 2013, RW 2013-14, 170 en de talrijke verwijzingen in voornoemd arrest naar de rechtspraak van het EHRM). Artikel 7 van het aangehaalde Kinderrechtenverdrag bepaalt voorts nog dat het kind het recht heeft zijn ouders te kennen: onder deze verdragsbepaling dient ook het recht te worden begrepen om zijn afstamming - langs vaderszijde - gerechtelijk te laten vaststellen. De vaststelling van de afstamming is, in onderhavige zaak, geenszins nadelig voor het kind.

Het spreekt voor zich dat appellant geen dienende argumenten kan putten uit het feit dat hem het vaderschap zou worden opgedrongen of tot op heden nooit contact zou hebben gehad met dit kind. Appellant heeft overigens ook nooit zelf enig contact gezocht.

Ten slotte kan appellant ook moeilijk beweren dat hij laattijdig met een vordering in rechte zou zijn geconfronteerd, gelet op het feit hij reeds in 2006 gedagvaard werd in het raam van de procedure bij toepassing van artikel 336 e.v. B.W. (waar het kind in kwestie geboren werd op 28 maart 2005). Overigens wordt ook geen verjaringsexceptie ingeroepen en is de verjaring niet aan de orde.

( ... )

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2018 - 15:18
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 15:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.