-A +A

Van basisbedrag rechtsplegingsvergoeding kan slechts op vordering van de partijen worden afgeweken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 29/05/2015
A.R.: 
C.13.0390.N

Art. 1022, derde lid Ger.W. impliceert dat slechts van het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden afgeweken indien een van de partijen hierom verzoekt.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Tweede onderdeel

13. Art. 1017, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Ingevolge art. 1018, 6o Ger.W. omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

Art. 1, tweede lid Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding worden vastgesteld per aanleg.

Krachtens art. 2, eerste lid Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt, voor de geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding onder meer vastgesteld als volgt:

– waarde geschil van 40.000,01 euro tot 60.000,00 euro: 2.500,00 euro;

– waarde geschil van 60.000,01 euro tot 100.000,00 euro: 3.000,00 euro;

– waarde geschil van 250.000,01 euro tot 500.000,00 euro: 7.000,00 euro.

Krachtens art. 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding is dit basisbedrag gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (2004) en worden de sommen bedoeld in art. 2 met 10 % vermeerderd of verminderd telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt.

14. Art. 2, tweede lid Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld wordt overeenkomstig art. 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Dit bedrag stemt dus overeen met de vordering die in de gedinginleidende akte is geformuleerd of met het bedrag dat in de laatste conclusie is gevorderd.

15. Art. 1022, derde lid Ger.W. bepaalt dat op verzoek van een van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rechter de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel kan verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Voornoemde bepaling houdt in dat slechts van het basisbedrag, zoals bepaald in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, kan worden afgeweken indien een van de partijen hierom verzoekt.

16. De appelrechters stellen vast dat “[de eerste verweerster] bij incidenteel beroep vordert (...) [de eiseres] te veroordelen om haar een bedrag te betalen van 276.719,05 euro uit hoofde van schadevergoeding (...)” en dat zij “verder vordert te zeggen voor recht dat [de eiser] hoofdelijk, minstens “solidair” gehouden is tot betaling van alle bedragen waartoe [de eiseres] wordt veroordeeld en hem te veroordelen om een bedrag van 39.750 euro terug te betalen (...)”. Voorts stellen zij vast dat “[de tweede verweerder] bij incidenteel beroep vorderde dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd in zoverre er slechts een bedrag van 10.000 euro werd toegekend wegens tergend en roekeloos geding en opnieuw wijzend [de eiseres en de eiser] solidair, minstens in solidum, de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen om hem een bedrag te betalen van 100.000 euro (...)”.

17. Uit deze vaststellingen blijkt dat de eerste verweerster de hoofdelijke gehoudenheid vordert van de eiser tot betaling van alle bedragen waartoe de eiseres moet worden veroordeeld, dit is tot een som van 276.719,05 euro en tot de terugbetaling van een bedrag van 39.750 euro. De vordering van de eerste verweerster tegen de eiser bevindt zich aldus in de schaal van 250.000,01 euro tot 500.000,00 euro, waarvoor de rechtsplegingsvergoeding, overeenkomstig art. 2, eerste lid en art. 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, 7.700,00 euro bedraagt.

Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de tweede verweerder de hoofdelijke gehoudenheid, of minstens de gehoudenheid in solidum, vordert van de eiser tot betaling van 100.000 euro wegens tergend en roekeloos geding. De vordering van de tweede verweerder tegen de eiser bevindt zich aldus in de schaal van 60.000,01 euro tot 100.000,00 euro, waarvoor de rechtsplegingsvergoeding, overeenkomstig art. 2, eerste lid en art. 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, 3.300,00 euro bedraagt.

18. De appelrechters veroordelen “[de eerste verweerster en de tweede verweerder] tot de kosten van het hoger beroep van [de eiser] begroot op (...) 2.750 euro rechtsplegingsvergoeding”.

19. Door de eiser in zijn procesverhouding met de eerste verweerster en de tweede verweerder aldus een rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep toe te kennen die lager is dan het toepasselijke basisbedrag en lager dan het bedrag dat de eiser had gevorderd, terwijl geen van de partijen om een vermindering van het basisbedrag had verzocht, schenden de appelrechters de aangevoerde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

...

Noot: 

• S. Voet, «Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?»,, Kantteking RW 2010-2011, 888

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/10/2016 - 13:29
Laatst aangepast op: do, 20/10/2016 - 13:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.