-A +A

Valsheidsvordering - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 14/10/2016
A.R.: 
F.15.0003.N

De regel dat de rechter die gevat is met een valsheidsvordering zijn uitspraak over de hoofdvordering uitstelt indien hierover geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid betichte stuk, belet de rechter niet te oordelen dat de aangevoerde middelen inzake valsheid kennelijk ongegrond zijn of dat het voeren van een valsheidsprocedure overbodig is en dat er bijgevolg geen noodzaak bestaat om de valsheidsprocedure te openen en de uitspraak over de hoofdvordering op te schorten.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
261
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV De V. van F. Van A. t/ Belgische Staat, minister van Financiën, en NV C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 3 juni 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 895, eerste lid Ger.W. bepaalt dat tegen valsheid kan worden opgekomen bij een hoofdvordering of bij een tussenvordering.

Art. 896, eerste lid Ger.W. bepaalt dat de valsheidsvordering de middelen inzake valsheid nauwkeurig moet opgeven.

Art. 897 Ger.W. bepaalt dat in geval van een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken, de rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, zijn uitspraak hierover uitstelt indien geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid betichte stuk.

2. Deze bepalingen staan er niet aan in de weg dat de rechter oordeelt dat de aangevoerde middelen inzake valsheid kennelijk ongegrond zijn of dat het voeren van een valsheidsprocedure overbodig is en dat er bijgevolg geen noodzaak bestaat om de valsheidsprocedure te openen en de uitspraak over de hoofdvordering op te schorten.

3. De appelrechters wijzen de door de eiseres ingestelde valsheidsvordering m.b.t. de volmacht aan de tweede verweerster af op grond dat:

– de vraag of C.D. bevoegdheid had om namens de eiseres volmacht te verlenen aan de tweede verweerster, geen middel van valsheid is waarbij het aangeklaagde gebrek de valsheid van de volmacht tot gevolg zou hebben, maar een eventueel gebrek van de volmacht zelf betreft met eventueel nietigheid tot gevolg; de valsheidsvordering bijgevolg onontvankelijk is in zoverre zij is gesteund op de beweerde onbevoegdheid van C.D.;

– wat de datum van de volmacht betreft, het vaststaand is dat de datum van 9 maart 2005 die op de overeenkomst is vermeld, onjuist is en er oorspronkelijk bij de ondertekening geen datum op vermeld stond; het voeren van een valsheidsprocedure daarover dan ook overbodig is.

Vervolgens beoordelen zij de hoofdvordering en beslissen zij dat de volmacht aan de tweede verweerster rechtsgeldig werd gegeven en ook inhield dat de tweede verweerster bevoegd was om namens de eiseres afstand te doen van de reeds verlopen verjaring.

4. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing tot afwijzing van de valsheidsvordering naar recht en schenden zij geen van de voormelde wetsbepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

5. Het arrest vermeldt in het beschikkend gedeelte: "Gehoord het Openbaar Ministerie, bij monde van mevrouw E. Vanhorenbeeck, advocaat-generaal in de lezing van haar schriftelijk advies, uitgebracht ter openbare terechtzitting van 1 april 2014(...)".

6. Het middel dat aanvoert dat het arrest geen melding maakt van het advies van het openbaar ministerie, mist feitelijke grondslag.
Derde middel

7. Na de tekst van haar appelconclusie integraal te hebben overgenomen in haar verzoekschrift tot cassatie, voert de eiseres aan dat de appelrechters niet alle aangevoerde middelen hebben ontmoet.

In zoverre het middel aldus niet preciseert op welk middel, exceptie of verweer de appelrechters niet hebben geantwoord, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

8. In zoverre het middel aanvoert dat de beschouwingen van het arrest in ver-band met de handtekening van C. D. niet correct, minstens niet relevant zijn, is het vreemd aan de motiveringsplicht, die geen verband houdt met de juistheid of de relevantie van de motieven.

9. De appelrechters oordelen dat het door de eiseres ingeroepen adagium "in dubio contra fiscum", vrij vertaald uit het Latijn als "in geval van twijfel moet de fiscale wet tegen de administratie worden geïnterpreteerd" niet van toepassing is bij het interpreteren van de diverse standpunten die de eiseres heeft ingenomen in verband met de handtekening op de volmacht. Zij overwegen verder dat het ada-gium ook niet van toepassing is bij het onderzoek van de vraag of er al dan niet sprake is van een onroerende verhuur, nu dit een feitelijke kwestie betreft.

Zij verwerpen en beantwoorden aldus het in het middel bedoelde verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vierde middel

10. De appelrechters oordelen dat:
- de opgelegde boete evenredig is aan de inbreuk en in redelijkheid kon worden opgelegd;
- de opgelegde boete geschikt is om de eiseres ertoe aan te zetten meer aandacht te besteden aan de voorwaarden binnen dewelke de btw-aftrek kan uitgeoefend worden en geen btw-aftrek toe te passen wanneer zij hiertoe niet gerechtigd is;
- er bijgevolg niet tot kwijtschelding of vermindering van de boete kan worden overgegaan, onder voorbehoud van een vermindering tot 75 procent van de boete wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

Door aldus te oordelen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer dat de administratieve boete gelet op de goede trouw van de eiseres en de afwezigheid van frauduleus handelen moest worden kwijtgescholden.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

11. In zoverre het middel aanvoert dat de vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn groter had moeten zijn en dat de verweer-der tot meer gedingkosten had moeten worden veroordeeld, nodigt het het Hof uit in de beoordeling van de feiten te treden, waartoe het niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

12. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters niet hebben geantwoord op het in ondergeschikte orde gedane verzoek om haar slechts te veroordelen tot de minimum rechtsplegingsvergoeding, zonder hierbij de schending aan te voeren van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, is het niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 656,27 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2016 uitgesproken

F.15.0003.N
Conclusie van waarnemend procureur-generaal D. Thijs:

1. In onderhavige zaak had de nv CORMAFISK (tweede verweerder in cassatie) op 16 november 2005, als gevolmachtigd boekhoudkantoor van eiseres, een akte van verzaking van de lopende verjaringstermijn ondertekend betreffende een btw-schuld van eiseres, vastgesteld naar aanleiding van een controle op 16 juni 2005 over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2004.

Volgens eiseres zou de nv CORMAFISK bij deze controle, alsook bij de ondertekening van voormelde akte van verzaking, gehandeld hebben op grond van een volmacht die vals was.

Tegen het dwangbevel dat betreffende deze btw-schuld werd uitgevaardigd, werd door eiseres een fiscaal verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 16 november 2010. De nv CORMAFISK werd gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring en ten aanzien van de litigieuze volmacht werd bij tussenvordering een valsheidsprocedure ingeleid.

Bij vonnis van 21 mei 2012 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering van eiseres ongegrond en werd haar valsheidsvordering afgewezen.

Het thans voor Uw Hof bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 3 juni 2014 verklaarde het hoger beroep in zeer geringe mate gegrond, met name in zoverre eiseres een administratieve geldboete was opgelegd die het bedrag van 1.147,50 EUR te boven gaat. De door eiseres ook voor het hof van beroep ingestelde valsheidsvordering werd onontvankelijk verklaard.

2. In het eerste middel voert eiseres aan dat de valsheidsprocedure, zowel voor de eerste rechter als in graad van beroep, niet conform de artikelen 897-904 Ger.W. was verlopen.

Eiseres werpt ter zake op dat, nu zij de redenen voor de valsheidvordering nauwkeurig had opgegeven, de appelrechters de valsheidsvordering ontvankelijk hadden moeten verklaren en de procedure ten gronde hadden moeten schorsen tot na de uitspraak over de valsheidsvordering. Waar de appelrechters in onderhavige zaak de procedure ten gronde niet hadden geschorst, terwijl evenmin was aangegeven dat uitspraak kon worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid beticht stuk, zouden de appelrechters bijgevolg de valsheidsvordering van eiseres niet wettig onontvankelijk hebben verklaard.

3. Zoals de rechter de valsheidsvordering meteen gegrond kan verklaren indien de valsheid overduidelijk is(1), zo ook moet de rechter de valsheidsprocedure niet volgen wanneer hij oordeelt dat de valsheidsvordering manifest ongegrond of dilatoir is(2).

Overeenkomstig artikel 875bis Ger.W. moet de rechter de keuze van een onderzoeksmaatregel immers beperken tot wat volstaat om het geschil te beslechten(3).

De rechter kan derhalve de raadzaamheid, de gepastheid en de noodzaak van een valsheidsprocedure soeverein in feite beoordelen(4).

In zoverre het middel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat steeds een valsheidsprocedure moet worden gevoerd indien de valsheid van een stuk door een van de partijen wordt opgeworpen, faalt het naar recht.

4. Het bestreden arrest oordeelde dat de valsheidsvordering onontvankelijk was waar deze vordering was gesteund op, enerzijds, de beweerde onbevoegdheid van CHARLES DUMOLIN, anderzijds, het middel van onjuistheid van de datum van 9 maart 2005:

"De vraag of Charles Dumolin bevoegdheid had om namens de (eiseres) volmacht te verlenen betreft een eventueel gebrek van de volmacht zelf met eventueel nietigheid tot gevolg, en is geen middel van valsheid waarbij het aangeklaagd gebrek de valsheid van de volmacht tot gevolg zou hebben. In zoverre gesteund op de beweerde onbevoegdheid van Charles Dumolin is de valsheidsvordering onontvankelijk."(5)

"Wat de datum van de mandaatovereenkomst betreft (...)

Het is dan ook vaststaand dat de datum van 9.3.2005 op de mandaatsovereenkomst onjuist is en er oorspronkelijk bij de ondertekening geen datum op vermeld stond.

Het voeren van de valsheidsprocedure is dan ook overbodig. De (eiseres) geeft geen blijk van enig belang om deze valsheidsprocedure nog gevoerd te zien.
In zoverre de valsheidsvordering gesteund is op het middel van onjuistheid van de datum van 9.3.2005 is de valsheidsvordering ook onontvankelijk".(6)

5. De appelrechters oordeelden verder dat de datum overigens geen essentieel element is van de onderhandse mandaatovereenkomst zodat het ontbreken of het onbekend zijn ervan niet van aard is om de geldigheid van het mandaat aan te tasten(7).

Eiseres betwistte volgens de appelrechters bovendien niet dat de handtekening die voorkwam op de mandaatovereenkomst effectief de handtekening was van CHARLES DUMOLIN(8).

Nu door eiseres niet werd betwist dat de handtekening op de volmacht daadwerkelijk afkomstig was van CHARLES DUMOLIN, noch door partijen werd betwist dat de datum van 9 maart 2005 op de volmacht onjuist was, terwijl door de appelrechters werd aangenomen dat de onjuiste datum op de volmacht de geldigheid van de volmacht niet kon aantasten, heeft het bestreden arrest, in de gegeven omstandigheden, wettig kunnen oordelen dat het voeren van een valsheidsprocedure volstrekt zinloos was. De "onjuistheid" of "valsheid" van de datum op de volmacht werd door de appelrechters immers erkend.

Anders dan eiseres onder het middel stelt, werd door de appelrechters aldus wel vastgesteld dat uitspraak kon worden gedaan zonder rekening te houden met de beweerde valsheid aangezien die valsheid hoe dan ook de rechtsgeldigheid van de volmacht niet kon aantasten(9).

Het middel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, en mist op dit punt dan ook feitelijke grondslag.
(...)

Besluit: VERWERPING.
___________________
(1) Cass. 31 oktober 1968, AC 1968, 237.
(2) ALLEMEERSCH, B., "Valsheid en andere leugens in burgerlijk proces en bewijs", TPR, 2004, 59, nr.36; LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 561, nr. 1241.
(3) LAENENS, J., o.c., 557, nr.1233 en 561, nr. 1241.
(4) Zie, wat betreft de toetsing van het nut van onderzoeksmaatregelen in strafzaken, Cass. 31 december 1985, AC 1985-86, 624; Cass. 3 november 1987, AC 1987-88, 291; Cass. 22 februari 1996, AC 1996, 201; Cass. 17 december 2002, AC 2002, nr. 675; Cass. 29 april 2003, AC 2003, nr. 269; Cass. 31 januari 2012, AC 2012, nr. 76.
(5) Bestreden arrest, p. 7, eerste alinea.
(6) Bestreden arrest, p. 7, tweede t.e.m. vijfde alinea.
(7) Bestreden arrest, p. 7, b, eerste alinea.
(8) Bestreden arrest, p. 9, eerste alinea.
(9) Cf. memorie van antwoord van eerste verweerder, p. 2-6.
 

Noot: 

BETICHTING VAN VALSHEID - Strafzaken - Cassatiegeding - Valsheidsvordering ingesteld naar aanleiding van een cassatieberoep - Verzoekschrift - Ontvankelijkheid - Voorwaarden: zie ook:

• Cass. 9 sept. 1997, A.R. nrs. P.97.1155.N en P.97.1201.N, nr. 342;

• Cass. 1 dec. 1993, A.R. nrs. P.93.1416.F en P.93.1546.F, nr. 497.

De valsheidsprocedure in Arbitrale vorderingen (sinds 01/09/2013)

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 1700.

§ 1. De partijen kunnen de door het scheidsgerecht te volgen procedure overeenkomen.

§ 2. Bij afwezigheid van dergelijke overeenkomst, kan het scheidsgerecht, onder voorbehoud van de bepalingen van het zesde deel van dit Wetboek, de procedureregels bepalen die van toepassing zijn op de arbitrage, die het gepast acht.

§ 3. Tenzij de partijen anders overeengekomen zijn, oordeelt het scheidsgerecht vrij over de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen en hun bewijskracht.

§ 4. Het scheidsgerecht stelt de nodige onderzoeksmaatregelen, tenzij de partijen toelaten dat het daartoe een van zijn leden opdracht geeft.

Het kan ieder persoon verhoren. Dit verhoor vindt plaats zonder eedaflegging.

Indien een partij een bewijsmiddel in haar bezit heeft, kan het scheidsgerecht haar opleggen om dit voor te leggen op de wijze die het bepaalt en indien nodig op straffe van een dwangsom.

§ 5. Met uitzondering van vorderingen betreffende authentieke akten, heeft het scheidsgerecht de bevoegdheid om te beslissen over vorderingen tot schriftonderzoek en om te oordelen over de beweerde valsheid van documenten.

Voor vorderingen betreffende authentieke akten geeft het scheidsgerecht aan de partijen de gelegenheid om zich binnen een bepaalde termijn tot de rechtbank van eerste aanleg te wenden.

In het in het tweede lid bedoelde geval, worden de termijnen van de arbitrage geschorst tot aan de dag waarop de meest gerede partij de in kracht van gewijsde gegane beslissing in het tussengeschil aan het scheidsgerecht meedeelde.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/10/2017 - 14:57
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 14:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.