-A +A

Valsheidsprocedure in arbitrage

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/01/2016

Anders dan voorheen wordt het valsheidsincident in een lopende arbitrage door de arbiters zelf beslecht conform art. 1700 Gerechtelijk wetboek en dit sinds 01/09/2013.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 1700.

§ 1. De partijen kunnen de door het scheidsgerecht te volgen procedure overeenkomen.

§ 2. Bij afwezigheid van dergelijke overeenkomst, kan het scheidsgerecht, onder voorbehoud van de bepalingen van het zesde deel van dit Wetboek, de procedureregels bepalen die van toepassing zijn op de arbitrage, die het gepast acht.

§ 3. Tenzij de partijen anders overeengekomen zijn, oordeelt het scheidsgerecht vrij over de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen en hun bewijskracht.

§ 4. Het scheidsgerecht stelt de nodige onderzoeksmaatregelen, tenzij de partijen toelaten dat het daartoe een van zijn leden opdracht geeft.

Het kan ieder persoon verhoren. Dit verhoor vindt plaats zonder eedaflegging.

Indien een partij een bewijsmiddel in haar bezit heeft, kan het scheidsgerecht haar opleggen om dit voor te leggen op de wijze die het bepaalt en indien nodig op straffe van een dwangsom.

§ 5. Met uitzondering van vorderingen betreffende authentieke akten, heeft het scheidsgerecht de bevoegdheid om te beslissen over vorderingen tot schriftonderzoek en om te oordelen over de beweerde valsheid van documenten.

Voor vorderingen betreffende authentieke akten geeft het scheidsgerecht aan de partijen de gelegenheid om zich binnen een bepaalde termijn tot de rechtbank van eerste aanleg te wenden.

In het in het tweede lid bedoelde geval, worden de termijnen van de arbitrage geschorst tot aan de dag waarop de meest gerede partij de in kracht van gewijsde gegane beslissing in het tussengeschil aan het scheidsgerecht meedeelde.

Voor de arbirale procedures die opgestart werden voor 01/09/2013, diende de gewone rechtbank zich uit te spreken over het valsheidsincident. De alhier besproken procedure behandelt een arbitrale vordering ingesteld voor 01/09/2013.

De vraag naar de eventuele nietigheid en de daaruit volgende onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht op basis van de inleidingsakte, zoals overigens uit art. 702 en art. 896 Ger.W. naar evidentie volgt.

Met toepassing van art. 702 juncto art. 896, eerste lid Ger.W. moeten de middelen inzake valsheid nauwkeurig worden opgegeven. Art. 702 Ger.W. vermeldt de sanctie van de nietigheid.

Het eerste lid van art. 896 Ger.W. legt aan de eiser in de procedure tot valsheid op om met nauwkeurigheid de middelen van de beweerde valsheid op te geven, omdat men een vermenigvuldiging van vorderingen wil vermijden die met grote “lichtheid” worden ingeleid én omdat de rechter in de mogelijkheid moet worden gesteld de draagwijdte van de vordering te appreciëren en gebeurlijke onderzoeksmaatregelen te bevelen, zonder te diep te moeten graven

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1661
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A.C. en NV A.C.G. t/ BVBA D. en E.U.

...

De voorliggende procedure betreft een hoofdvordering tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken.

...

IV. Beoordeling

...

10.1. (...).

Terwijl het hier voor de gewone rechtsmacht in rechte een hoofdvordering is, is het evenwel in feite een tussenvordering binnen het kader van een arbitrageprocedure. Het is een arbitrageprocedure die vóór 1 september 2013 is aangevat, zodat de valsheidsprocedure voor de gewone rechtbanken moet worden gevoerd (zie art. 59 van de wet van 24 juni 2013).

De vraag naar de eventuele nietigheid en de daaruit volgende onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht op basis van de inleidingsakte, zoals overigens uit art. 702 en art. 896 Ger.W. naar evidentie volgt.

10.2. Terecht werpen de geïntimeerden op dat met toepassing van art. 702 juncto art. 896, eerste lid Ger.W. de middelen inzake valsheid nauwkeurig moeten worden opgegeven. Art. 702 Ger.W. vermeldt de sanctie van de nietigheid.

Voor zoveel als nodig, zij opgemerkt dat de geïntimeerden deze exceptie in eerste besluiten voor de eerste rechter hebben voorgebracht.

10.3. Het eerste lid van art. 896 Ger.W. legt aan de kwestieuze eiser – in casu de appellanten – op om met nauwkeurigheid de middelen van de beweerde valsheid op te geven, omdat men een vermenigvuldiging van vorderingen wil vermijden die met grote “lichtheid” worden ingeleid én omdat de rechter in de mogelijkheid moet worden gesteld de draagwijdte van de vordering te appreciëren en gebeurlijke onderzoeksmaatregelen te bevelen, zonder te diep te moeten graven (cf. P. Rouard, Traité élémentaire de Droit Judiciaire Privé, La Procédure Civile, L’instruction de la demande, IV, Les Preuves, Brussel, Bruylant 1980, p. 55, nr. 53, mede onder verwijzing naar het Verslag van de Koninklijke Commissaris).

11.1. Bij analyse van de inleidende dagvaarding zij er vastgesteld dat de appellanten een ruim relaas geven van de feitelijke achtergrond, hierbij zeer veel citaten voorbrengen van brief- en e-mailwisseling, om dan te besluiten: (...) “Uit alle voorgaande elementen, die expliciet dan wel impliciet contradictorisch zijn aan het kwestieus document, en die uitgaan van E.V. van BVBA D. dan wel van derde partijen, al dan niet betrokken of op de hoogte van het huidige conflict, blijkt dat het allesbehalve geloofwaardig is dat dit stuk de neerslag bevat van de werkelijke overeenkomsten tussen de partijen NV A.C.G. en BVBA D. De voorgaande elementen tonen daarentegen aan dat het stuk gemanipuleerd werd en dus vals is, en dit door toedoen van of op instructie van BVBA D. en E.V. De manipulatie kan niet anders dan gebeurd zijn met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke doeleinden. (...) Zoals hierboven vermeld, betreft het in casu een materiële dan wel intellectuele valsheid. Intellectuele valsheid bestaat erin dat in een materieel onaangeroerd instrumentum feiten en akten in strijd met de waarheid worden vastgesteld.”

11.2. Met de beste wil van de wereld kan uit de dagvaarding in het algemeen noch uit het voormelde citaat in het bijzonder, niet worden opgemaakt welke nu eigenlijk de concrete middelen zijn om te besluiten tot een valsheid. Het is – zoals de boodschap van de wet is – uiteraard op die concrete middelen dat de aangesproken geïntimeerden verweer moeten kunnen voeren.

In de inleidende dagvaarding leest het hof dat de appellanten recht en feit met elkaar vermengen op een onontwarbare wijze m.b.t. de achtergrond, om dan op uiterst vage wijze te beweren dat er sprake is van valsheid. De bedoeling van de appellanten komt over als die van de wil om een debat nopens de feiten, debat dat niet thuishoort in een valsheidsprocedure maar wél op zijn plaats is in de thans hangende arbitrageprocedure, waar het debat ten gronde wordt gevoerd. Hiermee wensen de appellanten uiteindelijk een tweede debat ten gronde te voeren naast de arbitrageprocedure, waar het “eigenlijke” debat ten gronde en in feite gevoerd wordt.

Zoals de geïntimeerden terecht beklemtonen, is er sprake van een “vissen met een sleepnet”: een poging om op basis van het verweer van de geïntimeerden op de valsheidsprocedure zaken “op te vissen” die van nut zouden kunnen zijn in de arbitrageprocedure. Het verweer van de geïntimeerden op een vaag omschreven en mistig ondersteunde valsheidsvordering kan niet anders dan in algemene termen worden gevoerd; hierop hebben de appellanten met hun valsheidsvordering “gehoopt”.

De wijze van omschrijven en ondersteunen van de valsheidsvordering heeft duidelijk het recht van verdediging van geïntimeerden geschonden, zodat art. 861 Ger.W. hoe dan ook niet aan de orde is.

11.3. Met toepassing van art. 702 Ger.W. juncto art. 896, eerste lid Ger.W. is de oorspronkelijke valsheidsvordering als nietig en bijgevolg als onontvankelijk af te wijzen.

...

Noot: 

BETICHTING VAN VALSHEID - Strafzaken - Cassatiegeding - Valsheidsvordering ingesteld naar aanleiding van een cassatieberoep - Verzoekschrift - Ontvankelijkheid - Voorwaarden: zie ook:

• Cass. 9 sept. 1997, A.R. nrs. P.97.1155.N en P.97.1201.N, nr. 342;

• Cass. 1 dec. 1993, A.R. nrs. P.93.1416.F en P.93.1546.F, nr. 497.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 12/06/2017 - 16:07
Laatst aangepast op: ma, 12/06/2017 - 16:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.