-A +A

Valsheid in geschrifte kan ook intellectueel zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/01/2015
A.R.: 
Nr. P.13.0754.N

Wanneer een geschrift de vaststelling inhoudt van een wilsverklaring die op bedrieglijke wijze in strijd is met de waarheid, dan heeft de omstandigheid dat die wilsverklaring ook werkelijk is gedaan, niet tot gevolg dat dit geschrift niet intellectueel vals is of kan zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. B C S G,
beklaagde,

2. L K D S,
beklaagde,

eisers,

tegen

G V, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van OASE bvba,
burgerlijke partij,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 maart 2013.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan.
Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 193 "e.v." Strafwetboek: het arrest dat oordeelt dat de benoeming van V.G. als zaakvoerder van Oase bvba fictief en intellectueel vals is, miskent het begrip intellectuele valsheid en het ver-eiste dat het geschrift juridische draagwijdte dient te hebben; V.G. heeft zijn handtekening geplaatst en daarmee te kennen gegeven het bestuursmandaat van de vennootschap te willen overnemen; het stuk dat die wilsverklaring correct weergeeft, is niet vals; de innerlijke intentie van V.G. en de eventuele gebreken in zijn wil zijn irrelevant omdat zij, anders dan de geuite wil, geen rechtsgevolgen te-weegbrengen; V.G. heeft de "performatieve taaldaad" van zijn benoeming als zaakvoerder wel degelijk gesteld, zodat er geen sprake is of kan zijn van valsheid.

2. In zoverre het middel schending van de artikelen 193 "e.v." Strafwetboek aanvoert, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

3. Het misdrijf valsheid in geschrifte als bedoeld in de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek, bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met be-drieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een mogelijk nadeel kan ontstaan. De valsheid is "intellectueel" wanneer zij erin bestaat dat in een materieel onaangeroerd instrumentum, feiten en akten in strijd met de waarheid worden vastgesteld.

4. Wanneer een geschrift de vaststelling inhoudt van een wilsverklaring die op bedrieglijke wijze in strijd is met de waarheid, dan heeft de omstandigheid dat die wilsverklaring ook werkelijk is gedaan, niet tot gevolg dat dit geschrift niet intellectueel vals is of kan zijn.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- het geenszins de bedoeling was dat V.G. de vennootschap zou overnemen en als zaakvoerder zou fungeren, maar wel dat de eiser 2, geholpen door de ei-ser 1, van de vennootschap verlost zou zijn zonder ze te moeten vereffenen of ze failliet te laten gaan en zonder te kunnen aangesproken worden als zaak-voerder;
- het evenmin de bedoeling was de maatschappelijke zetel effectief te verplaat-sen naar de Offerandestraat 38 te Antwerpen;
- het volstrekt ongeloofwaardig is dat V.G. ooit van plan zou geweest zijn wer-kelijk een zaak te beginnen;
- de publicatie van een uittreksel van het verslag van de bijzondere algemene vergadering als bedoeling heeft beslissingen genomen in het kader van die ver-gaderingen aan derden tegenstelbaar te maken en dat uittreksel zich dus op-dringt aan het openbaar vertrouwen voor de beslissingen die het bevat.

6. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat het van valsheid betichte geschrift een juridische draagwijdte heeft en dat de wilsverklaring die erin werd vastgesteld, bedrieglijk in strijd is met de waarheid. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 193 "e.v." Strafwetboek: het arrest heromschrijft de telastlegging van een "proces-verbaal" naar een "uittreksel uit het verslag" van de bijzondere algemene vergadering; een "uittreksel" kan enkel vals zijn wanneer het niet de weergave is van het origineel of wanneer het zich de valsheid van het origineel eigen maakt; het arrest maakt geen vergelijking tussen het uittreksel en het origineel, zodat niet kan nagegaan worden of het uittreksel al dan niet overeenstemt met het origineel.

8. In zoverre het middel schending van de artikelen 193 "e.v." Strafwetboek aanvoert, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers het in het middel vermelde verweer voor de appelrechters hebben gevoerd. Zij kunnen dat niet voor het eerst voor het Hof doen.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien evenmin ontvankelijk.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: op grond van de redenen die het bevat, kan het arrest niet beslissen dat de overdracht van de ven-nootschap de eiser 2 tot voordeel strekte zonder een vergelijking te maken met de toestand zonder die overname; de reden dat de schuldeisers geen uitvoeringsmo-gelijkheden meer hadden door de verplaatsing van de maatschappelijke zetel is tegenstrijdig omdat in geval van faillissement, waar het arrest van uitgaat, de uit-voeringsmaatregelen niet verschillen met of zonder overdracht en het arrest nergens enige realiteit van uitvoeringsmaatregelen aanhaalt; bijgevolg is het arrest onvoldoende en tegenstrijdig gemotiveerd.

11. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

12. Op grond van het geheel van de redenen die het bevat, onder meer dat de eiser 2 door de overdracht van de vennootschap, zonder kosten afgeraakte van een vennootschap zonder activiteiten maar met schulden, dat hij het risico van be-stuursaansprakelijkheid ontliep en dat door de verplaatsing van de maatschappe-lijke zetel werd bewerkstelligd dat de schuldeisers van de vennootschap geen en-kele uitvoeringmogelijkheid hadden, stelt het arrest zonder tegenstrijdigheid en zonder dat het een vergelijking dient te maken met de toestand die zou bestaan hebben zonder het plegen van de valsheid, het bestaan van een bedrieglijk opzet in hoofde van de eiser 2 vast. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: op grond van de redenen die het bevat en zonder vergelijking met de toestand vóór de beweerde strafbare handeling, kan het arrest niet oordelen dat de valsheid een mogelijk nadeel heeft berokkend aan de schuldeisers; bijgevolg is het arrest onvoldoende en tegenstrijdig gemotiveerd.

14. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel, stelt het arrest het mogelijke door de valsheid opgeleverde nadeel vast, zonder dat het een vergelijking dient te maken met enige toestand vóór het plegen van de valsheid. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: gelet op de tegenstrijdige bewijselementen, motiveert het arrest met de redenen die het bevat, namelijk de beweerde alcoholproblematiek, de mentale beperking en de marginale maatschappelijke positie van V.G., alsmede het abnormale karakter van de over-dracht van de vennootschap, niet waarom een overname ongeloofwaardig zou zijn; bijgevolg is het arrest onvoldoende en tegenstrijdig gemotiveerd.

16. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Op grond van het geheel van de redenen die het bevat, oordeelt het dat het niet de bedoeling was dat V.G. de vennootschap zou overnemen en als zaakvoerder zou fungeren, maar wel dat de eiser 2 zonder problemen van de vennootschap zou verlost zijn. Aldus is de beslissing dat de overname van de vennootschap ongeloofwaardig is, regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

17. Voor het overige komt het middel in werkelijkheid op tegen de onaantastba-re beoordeling van feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk.

Zesde middel

18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is on-voldoende en tegenstrijdig gemotiveerd doordat het de intenties die te maken hebben met de overdracht door mekaar haalt; enkel de intentie van V.G. en niet die van de eiser 2 is van belang voor de vaststelling van de mogelijke valsheid van het stuk dat door V.G. werd ondertekend en dat daardoor de intentie van deze laatste uitdrukt; uit de intenties die de eiser 2 zou hebben gehad met de overdracht, valt wettelijk geen conclusie te trekken voor de intenties van V.G.

19. Het arrest oordeelt dat de eiser 2 schuldig is aan de valsheid op grond van het bedrieglijk opzet dat hij zonder problemen van de vennootschap wilde verlost zijn. Aldus bevat het arrest geen tegenstrijdigheid, maar stelt het eisers intentie vast zonder ze te verwarren met de intentie van V.G. en is het regelmatig met redenen omkleed.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zevende middel

20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is on-voldoende en tegenstrijdig gemotiveerd; uit de reden dat het niet de bedoeling was de maatschappelijke zetel te verplaatsen naar het adres Offerandestraat 38, is niet op te maken of deze intentie bestond bij de eisers of bij V.G.; enkel de intentie van V.G. is van belang omdat hij de intentie tot zetelverplaatsing heeft geuit; uit de feitelijke toestand maanden na de overdracht, namelijk het feit dat de curator geen spoor van de vennootschap kon terugvinden, kan geen afwezigheid van intentie tot zetelverplaatsing op het moment van de ondertekening van een akte afgeleid worden.

21. Op grond van het geheel van de redenen die het bevat, oordeelt het arrest dat er noch in hoofde van de eisers noch in hoofde van V.G. ooit enige intentie tot verplaatsing van de maatschappelijke zetel van de vennootschap heeft bestaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

22. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt, is het niet ontvankelijk.

Achtste middel

23. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oor-deelt dat het niet vereist is dat de eiser 1 tijdens het opsporingsonderzoek werd gehoord als verdachte en dat zijn recht van verdediging optimaal werd gewaarborgd doordat hij zowel tijdens de procedure in eerste aanleg als tijdens de procedure in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad een verklaring af te leggen; de eiser 1 heeft nooit de mogelijkheid gehad met bijstand van een raadsman een verklaring af te leggen als verdachte en is nooit geconfronteerd geworden met de elementen in het strafdossier "lastens" hem; het strafdossier was onvolledig; ook de eiser 2 heeft geen bijstand van een raadsman genoten tijdens zijn verhoren.

24. Het recht op een eerlijk proces en recht van verdediging van een beklaagde worden niet miskend door de enkele omstandigheid dat hij tijdens het opsporingsonderzoek niet als verdachte werd verhoord.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

25. Het arrest oordeelt zoals het middel vermeldt en bovendien dat de eiser 1 tevens werd bijgestaan door een raadsman en dat hij alle nuttige stukken kon bijbrengen of kon vragen getuigen te verhoren. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de ei-ser 1 werden gewaarborgd, naar recht.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser 2 voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging werden miskend doordat hij niet werd verhoord met bijstand van een raadsman. Hij kan dat niet voor het eerst voor het Hof doen.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

27. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 97,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Noot: 

D. Wuyts, De rol van het misdrijf valsheid in geschriften in de strijd tegen verzekeringsfraude, R.W. 2011-2012, Noot onder Cass. 24/12/2009 RW 2011-2012 607.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/05/2016 - 10:39
Laatst aangepast op: wo, 25/05/2016 - 10:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.